|
DAF-Notities Soeka
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach
Daf 45b
Banden en beperkingen
„Bindt het isroe chag [feestoffer] met
koorden [awotiem] aan de hoeken van het altaar,” zegt David
HaMelech (Tehilliem 118:27). De interpretatie van dit vers uit
Halleel, dat wij op de feestdagen reciteren, vormt de basis voor een
opmerkelijke uitspraak in de Gemara: „Ieder die een issoer
maakt met het feest met voedsel en drank, wordt door dit vers
vergeleken met iemand die een altaar bouwt en daar offers op brengt.”
Wat is deze issoer en wat is de relevantie
ervan voor ons?
Rasji definiëert issoer als een „band” [van
de stam
אסר – asar –
binden]. Eén verklaring is dat deze band betrekking heeft op de juiste
viering van het feest met voedsel en drank. Rasji’s tweede verklaring
is de best bekende, want die dient als een basis voor de naam die wij
gegeven hebben aan de dag na het feest: „Isroe Chag.” Volgens
deze benadering moet een Jood zichzelf aan het feest binden door de
feestviering nog een dag voort te zetten, door zich meer te goed te
doen aan voedsel en drank dan normaal.
Andere commentatoren hebben het moeilijk met
Rasji’s commentaar, wegens het gebrek aan enig verband tussen het
woord issoer en feestviering met voedsel en drank. Zij stellen
een andere benadering voor, gebaseerd op de letterlijke betekenis van
het woord issoer als „beperking, verbod.”
Maharsja ziet de woorden van de Gemara als een
lofuiting van de Jood, die zichzelf beperkt in zijn feestviering en
die vermijdt zich te overeten en te bedrinken aan vette dieren [awotiem],
want een dergelijk overdaad wordt niet langer gemotiveerd door de wens
om Hasjem te dienen. Die extra hoeveelheid voedsel en drank die hij
zichzelf ontzegt op het feest, ten einde zijn tijd beter voor de
dienst van Hasjem te kunnen benutten, wordt beschouwd alsof hij een
dier offer op het altaar bracht.
Ijoen Ja’akov noemt een eerdere Gemara (Soeka 27b),
waar Rabbi Elazar diegenen prijst die hun huis op de feestdagen niet
verlaten, omdat de Tora suggereert dat men de feestdagen bij zijn
familie hoort door te brengen. Wanneer wij het woord awotiem
letterlijk met „koorden” vertalen [zoals het doorgaans overal vertaald
wordt], in plaats van met „vette dieren,” dan vatten we het vers op
alsof het propageert dat men zichzelf met koorden aan zijn huis
vastbindt, waarbij men zichzelf beperkt tot de familiekring. [Het
woord awotiem is het meervoud van awot –
עבות – dat twee betekenissen heeft: 1.
afgeleid van
het woord
עָבֶה – dik – betekent het „de dikken, de
vetten,” d.w.z. de dikke, vette dieren;” en 2. afgeleid van het woord
עָבַת – awat – binden – betekent het
„koord, touw.”]
Hoewel deze laatste verklaring geen overeenkomst
biedt met de altaaroffers, was het kennelijk zijn bedoeling om
dezelfde benadering te gebruiken als Maharsja, d.w.z. om er een
beperking op het reizen tijdens de feesten in te zien, dat als een
offer is op te vatten, zodat met het feest viert zoals Hasjem dat wil.
En daarom is het te vergelijken met een dieroffer op het altaar.
Daf 51b
De damesgallerij
Wie nog nooit de Simchat Beit HaSjoëwa gezien
heeft, zegt de Misjna, heeft nog nooit werkelijk vreugde in zijn leven
gezien. Ter voorbereiding van dit grote gebeuren met muziek, zang en
dans, dat de uitstorting van het water op het altaar begeleidde
tijdens de dagelijks ochtend-offers op Soekkot, werd een „belangrijke
aanpassing” gemaakt in het Beit HaMikdasj. Waaruit bestond deze
„belang-rijke aanpassing”?
Daar het van belang was dat de vrouwen in staat
zouden zijn om dit grote gebeuren gade te slaan, moesten er
voorzorgmaatregelen genomen worden om te voorkomen dat mannen en
vrouwen door elkaar gemengd zouden worden. Na een aantal onsuccesvole
experimenten om hen op hetzelfde niveau van elkaar te scheiden, werd
besloten om een gallerij te bouwen voor de vrouwen, vanwaar zij in
staat waren van boven naar beneden op de gebeurtenissen neer te
kijken, zonder dat er gevaar bestond dat er contact zou zijn tussen de
vrouwen boven en de mannen beneden. Dit vereiste dat er steunbalken in
de muren moesten worden gemaakt, waarop planken gelegd konden worden
op ieder Soekkot-feest, om zo een balkon te maken.
Maar hoe konden zij zoiets doen, vraagt de Gemara,
wanneer David HaMelech verklaart (I Divrei HaJamiem [Kronieken]
28:19) dat alle exacte details van de structuur van het Beit HaMikdasj
opgeschreven stonden, op basis van profetieën van Gad en Natan,
hetgeen zou betekenen dat daar geen veranderingen in mogen worden
aangebracht?
Het antwoord hierop, zegt Rav, is dat de leiders,
die deze verandering aanbrachten, zich baseerden op een vers in
Zecharja (12:12), dat de nadruk legt op het belang van de scheiding
tussen mannen en vrouwen bij openbare bijeenkomsten, om verstoring
daarvan te voorkomen.
Oppervlakkig gezien lijkt het alsof de Gemara er
eenvoudig op wijst, dat in zulke noodsituaties het verbod op
verandering in het Beit HaMikdasj soepel mag worden uitgelegd.
Maharsja echter, lijkt het moeilijk te hebben met het idee, dat een
expliciet verbod op veranderingen opzij geschoven kan worden, alleen
om vrouwen in de gelegenheid te stellen om het spektakel gade te
slaan. Wanneer dergelijke accomodatie vereist dat er voor het Simchat
Beit HaSjoëwa balkons gebouwd moeten worden, dan moet dat beschouwd
worden als een aanpassing in de functionele structuur van het Beit
HaMikdasj, en dat zou verboden zijn. Maar Rasji legt er de nadruk op
dat het doel van de aanpas-sing niet was om
de dienst zelf te veranderen, maar om een scheiding te maken tussen
mannen en vrouwen. Dit idee van scheiding wordt sterk onderstreept
door de Profeet Zecharja, als een manier om het negatieve effect van
vermenging te voorkomen.
Daar de bouw van de gallerijen een moreel doel had,
en niet de dienst, concludeert Maharsja, was dat niet inbegrepen bij
de ban op het maken van veranderingen waar David HaMelech over sprak.
De blauwdrukken die profetisch aan David HaMelech overhandigd waren,
waren perfect en die vereisten geen aanpassingen. Het was de
menselijke aard die imperfect was, zodat een scheiding tussen mannen
en vrouwen zonder gallerijen onvoldoende bleek te zijn en een
„belangrijke aanpas-sing” nodig maakte, ten
einde de vrouwen in de gelegenheid te stellen om de vrolijke
feestviering te kunen zien, zonder dat hun aanwezigheid spirituele
problemen opleverde.
Daf 52a
De Berg en de Haar
De Profeet Zacharja (12:12) beschrijft het geween
dat zal plaatsvinden op het einde der dagen. Een van de Geleerden vat
dit op als een verwijzing naar het slachten van de jétser hara’–
de slechte neiging – door Hasjem, terwijl zowel de rechtvaardigen als
de goddelozen toekijken.
Voor de rechtvaardige lijkt deze ophitser tot het
kwaad als een berg, terwijl het voor de goddeloze als een dunne haar
lijkt. Beiden huilen bij het aanzicht ervan. De rechtvaardigen huilen
omdat zij zich de kwellingen herinneren die zij ervoeren toen zij deze
kracht van het kwaad overmeesterden en zij verbazen zich erover hoe
zij zulk een formidabele berg konden veroveren. De goddelozen huilen
omdat zij zich afvragen waarom zij niet in staat waren deze dunne haar
te overwinnen.
Hoe kunnen twee mensen hetzelfde voorwerp zien op
zulke verschillende manieren?
Wanneer de jétser hara’ zijn aanval inzet,
schildert hij een beeld van de enorme voldoening die zijn cliënt zal
hebben van de overtreding die hij wordt uitgenodigd te begaan, een
waarlijke berg van plezier. Degene die in deze valkuil van de boze
overreder tuimelt, is altijd teleurgesteld over het enorme verschil
tussen de verwachting en de realiteit. Hij realiseert zich dat de hoge
berg, die hem beloofd was, niets anders was dan een dunne haar van
plezier.
De
rechtvaardigen wisten de jétser hara’ in het stadium van de
bergenhoge verwachting te over-winnen,
en dit is hoe zij hem zien, nu zij vol tranen zich herinneren hoe
moeilijk het was voor hen om de verleiding te weerstaan. De booswicht
echter, volgde de jétser hara’ tot het laatste stadium en zag
zijn bergenhoge verwachting gereduceerd tot een haar-dunne illusie.
Zij huilen als zij zich realiseren dat zij hun eeuwige beloning
verspeeld hebben voor niets meer dan een haardunne bevrediging in deze
wereld.
|