|
Daf 16a
De
extra ziel
„Nesjama
jetera” (extra ziel) noemen onze Geleerden die extra dimensie van
spiritualiteit die de Hemel bij een Jood inbrengt vóór Sjabbat. De
praktische expressie van deze extra dimensie van de ziel, verklaart
Rasji, is dat de Jood een grotere capaciteit voor ontspanning
en vreugde heeft, en in staat is om extra veel te eten en te drinken,
zonder last te krijgen van indigestie.
Wanneer de
Sjabbat eindigt, wordt de nesjama jetera weggenomen. Het
spirituele trauma dat de Jood voelt ten gevolge van dit verlies, wordt
subtiel aangeduid in het woord wajinafasj (Sjemot), dat
G-ds rust beschrijft na de zes dagen van de Schepping. Dit woord kan
gelezen worden als een combinatie van twee woorden: wai nefesj,
hetgeen betekent: „wee de ziel die verloren is gegaan.”
Om dit verlies te
verzachten, hebben onze Geleerden het gebruik ingesteld om bij de
uitgang van Sjabbat tijdens de havdala aan besamiem
[geurige kruiden] te ruiken. Geur is het enige aardse ding waar de
ziel van kan genieten en het is deze voeding die de overblijvende ziel
in staat stelt de shock van het verlies van zijn Sjabbat-partner te
overkomen.
Hoe zit dat met
de feestdagen? Krijgt men dan ook een nesjama jetira?
Ja, zegt
Rasjbam (Pesachiem 102b), en hij bewijst dat met het feit
dat wij de beracha over de besamiem niet zeggen in de
combinatie van Kiddoesj-Havdala die wij zeggen, als motsaei
Sjabbat tegelijk het einde is van de eerste feestdag. De reden
hiervoor, concludeert hij, kan alleen maar zijn dat de nesjema
jetera ook op de feestdag aanwezig is.
Tosafot (Beitsa
33b) bestrijdt deze conclusie: wanneer er op een feestdag ook een
nesjama jetera aanwezig zou zijn, dan zouden wij bij het uitgaan
van iedere feestdag in de havdala de beracha over de
besamiem moeten zeggen. Uit het feit dat wij dat niet doen, blijkt
dat er op feestdagen geen nesjama jetera aanwezig is. Er moet
dus een andere reden zijn waarom wij op motsaei Sjabbat, dat op
het eind van een eerste feestdag valt, geen beracha over besamiem
maken tijdens de Kiddoesj-Havdala.
Na enkele andere
ideeën hierover te hebben verworpen, concludeert Tosafot dat het
luxieuze eten en drinken, dat de Jood vreugde brengt op een feestdag,
dezelfde spirituele therapeutische werking heeft als besamiem,
waardoor deze laatste overbodig worden.
Door Rabbi Mendel
Weinbach, decaan Ohr Somayach
¯
¯
¯
Twee
manieren om aan Sjabbat te denken
De Geleerden
Hillel en Sjammai waren het er met elkaar over eens, dat een Jood
gedurende de hele week aan Sjabbat moet denken. Volgens hen houdt het
Tora-gebod: „Gedenk de Sjabbat” (Sjemot 20:8) ook in dat men
gedurende de week steeds aan Sajabbat moet denken en iedere dag moet
zien in zijn relatie tot Sjabbat, zodat men de eerste dag van de week
niet zondag maar Jom Risjon moet noemen – de eerste dag voor
Sjabbat.
Deze
eensgezindheid wordt door Ramban uitgelegd in zijn commentaar
op Tora (Sjemot 20:8), waarbij hij het verschil opmerkt tussen
beide Geleerden voor wat betreft hun voedselbereiding voor Sjabbat,
welke in onze Gemara genoemd wordt.
Al Sjammai’s
dagen waren gewijd aan het voedsel waarmee hij Sjabbat zou eren.
Wanneer hij een mooi stuk vlees vond, dat geschikt was voor Sjabbat,
dan kocht hij dat. Wanneer hij dan daarna een mooier stuk vlees vond
of een mooier dier, dan at hij het eerste op en legde dit tweede opzij
voor Sjabbat. Op deze manier keek hij iedere dag uit naar Sjabbat.
Hillel echter had er volledig vertrouwen in dat de Hemel hem van alles
zou voorzien wat hij nodig had voor Sjabbat. Hij leefde bij de woorden
van Koning David (Tehilliem 68:20): „Gezegend is G-d die ons
voorziet in onze dagelijkse behoeften.”
¯
¯
¯
„Wie een cadeau
geeft aan een kind, moet dat de moeder vertellen. (Zodat de ouders er
zich van bewust zijn dat hij op hen gesteld is en daarmee wordt de
vriendschap tussen Joden versterkt. – Rasji).” (Rabbi Sjim’on
ben
Gamliël)
Door Rabbi Mendel
Weinbach, decaan Ohr Somayach
¯
¯
¯
Daf 17b
Het
gevaar van misleiding
Op een Jom Tov
die op vrijdag valt, mag men alleen voor de Sjabbat koken wanneer men
van te voren een eroev tavsjilien gemaakt heeft. Dit doet men
door op de dag vóór Jom Tov, dus op donderdag twee soorten voedsel
klaar te maken, iets dat gekookt is (zoals een ei of vlees of vis) en
iets dat gebakken is (zoals een challa) en die men op Sjabbat
eet. Hiermee mogen wij het koken op de Jom Tov beschouwen als een
verlenging van het koken dat vóór de Jom Tov gedaan werd, hetgeen
niet tot de verkeerde indruk kan leiden dat
men op de Jom Tov voedsel mag
bereiden dat pas de volgende dag, wanneer dat geen Sjabbat is, gegeten
wordt.
Wanneer iemand
vergeten is een eroev te maken, en niemand heeft er een voor
hem gemaakt, dan moet hij het eigendom van zijn voedsel overdragen aan
een Jood die wel een eroev tavsjilien gemaakt heeft en die
ander mag dan voor hem koken.
Voor het geval
dat iemand vergeten was de eroev te maken, en deze beperking
negeert en toch kookt, hebben onze Geleerden een interessant
onderscheid gemaakt voor wanneer wij hem straffen voor de consumptie
van zijn voedsel en wanneer niet:
Wanneer hij deze
halacha opzettelijk genegeerd heeft, en gekookt heeft zonder eroev,
dan staan we hem toe om zijn voedsel op Sjabbat te eten. Maar wanneer
hij dit kookt op een misleidende manier, zoals door op de Jom Tov meer
te koken dan hij nodig heeft voor die feestdag, en daarbij valselijk
verklaart dat hij gasten verwacht, terwijl zijn werkelijke bedoeling
is om het voedsel voor Sjabbat te bereiden, dan is het hem verboden
dit voedsel op Sjabbat te eten.
Waarom hebben de
Geleerden degene die op Sjabbat kookt door misleiding wel gestraft en
degene die opzettelijk de halacha overtreedt niet?
De verklaring
hiervoor, zegt
Rasji,
is dat er geen gevaar is dat anderen zijn slechte gewoonte zullen
volgen en opzettelijk de halacha zullen gaan overtreden en hij zal de
fout van zijn handelingen inzien en tot inkeer komen. Er is dus geen
gevaar voor het instituut van de
eroev tavsjilien.
Maar in het geval van de misleiding echter, bedriegt die persoon
zichzelf door te denken dat hij juist gehandeld heeft, en anderen
zouden van hem kunnen leren hoe zij de halacha-voorschriften kunnen
omzeilen. Daar dit het voortbestaan van de
eroev tavsjilien
in gevaar brengt, hebben onze Geleerden hem gestraft door hem te
verbieden dit voedsel op Sjabbat te eten.
Door Rabbi Mendel
Weinbach, decaan Ohr Somayach
Uit Daf Yomi Digest
Van het Chigago Center for
Torah Chesed
Daf 20b
De
waarde van de stilte
De Misjna op daf
19a zegt: Beit Sjammai zegt: „We
mogen sjelamiem brengen op Jom Tov, maar we mogen er niet op leunen
[een deel van de procedure van privé-offers, is dat de eigenaar
van het offerdier erop leunt –
semicha.
Hij legt beide zijn handen op de kop van het dier en leunt daar op met
al zijn kracht. Op Sjabbat en Jom Tov is het door de Geleerden echter
verboden om gebruik te maken van een dier. Daarom verbiedt Beit
Sjammai deze
semicha
op Jom Tov]. We mogen echter
geen brandoffer brengen.” [Een brandoffer wordt volledig op het
altaar verbrand en er blijft dus niets over voor consumptie en op Jom
Tov mag men alleen die werkzaamheden verrichten die dienen voor de
bereiding van voedsel.] Beit
Hillel zegt echter: „We mogen zowel
sjelemiem
als brandoffers brengen op Jom Tov en we mogen er ook op leunen.”
De Gemara stelt
vast dat de halacha de mening van Beit Hillel volgt.
Op deze daf staat
een anecdote over een student van Beit Sjammai die trachtte een
student van Beit Hillel te weerhouden om een
semicha
op een dier te doen, dat hij op Jom Tov als brandoffer wilde brengen.
Toen de student van Beit Sjammai bruusk vroeg: „Wat is dit voor een
semicha?”, antwoordde de student van Beit Hillel overeenkomstig: „Wat
is dit voor een stilte?” [Hij had zijn mond moeten houden, want de
halacha was al vastgesteld volgens Beit Hillel.]
Toen de Imrei
Emet vanGer
zt”l
terugkeerde van zijn eerste reis naar Erets Jisraël, trachtte de Rav
van Kalisch
zt”l
enkele details over de reis aan hem te ontfutselen. De Imrei Emet
scheen echter niet willig te zijn om in een conversatie te treden.
„Nou,” drong de
Kalischer Rav aan, „hoe voelt de Rebbe zich na zijn bezoek aan het
Heilige Land? Zeggen
Chazal
niet dat zelfs de lucht van Eerets Jisraël een mens wijs maakt?”
De Imrei Emet
knikte. Ja, dat is waar,” antwoordde hij. „En
Chazal
hebben ook gezegd: „de bescherming van de wijsheid … is de stilte!”
Met andere
woorden, soms is stilte de beste verdediging, want het kan een
discussie vermijden.
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach
Daf 21a
Het
mysterie van de afwezige Geleerde
Het gebeurde
eens, dat Geleerde Sjim’on uit Timna op de avond van een feestdag niet
verscheen in het
Beit Hamidrasj,
waar hij regelmatig studeerde met zijn collega’s. Toen Rabbi Jehoeda
ben Bawa hem de volgende ochtend vroeg waarom hij afwezig was geweest,
vertelde hij dat een groep heidense soldaten naar zijn stad was
gekomen om die te plunderen. Hij vertelde dat de bewoners hun best
hadden gedaan om de soldaten tevreden te stellen met iets anders,
zodat zij af zouden zien van hun plannen. Zij hadden succes gehad door
een kalf te slachten, dat voor hen te koken en hen als maaltijd op te
dienen.
Deze verklaring
vond geen gunst in de ogen van Rabbi Jehoeda ben Bawa, die suggereerde
dat de winst van de besparing van geld die op deze manier bereikt was,
teniet gedaan werd door het verlies dat ontstaan was doordat daarmee
de heiligheid van de feestdag geweld was aangedaan. De permissie van
Tora om op feestdagen te koken, is beperkt tot het koken voor Joden,
en niet voor heidenen, zo herinnerde hij hem.
In een poging om
Sjim’on van Timna’s beweegredenen te begrijpen, suggereert de Gemara
eerst dat dit koken wellicht was toegestaan omdat de plunderaars er
zeker geen bezwaar tegen zouden hebben als de Joodse koks zichzelf een
beetje zouden helpen aan wat vlees, zodat het koken ook gedaan werd
ten behoeve van de Joden zelf.
Dit antwoord
wordt echter verworpen, want als de Joden in staat waren geweest zelf
van dit kalfsvlees te eten, dan zou Rabbi Jehoeda ben Bawa geen
bezwaar hebben gehad tegen de handelingen van zijn collega. We moeten
daarom concluderen dat het desbetreffende dier
treifa
was en dus
verboden was voor Joden. Dit laat slechts één rechtvaardiging open
voor Sjim’on uit Timna, namelijk dat een deel van het
treifa
dier gevoerd
kon worden aan een dier dat het eigendom van een Jood was.
Het conflict
tussen beide Geleerden kan dus worden teruggebracht tot de vraag of
een Jood op Jom Tov mag koken voor zijn huisdier. Over dit onderwerp
discussiëren Rabbi Akiwa en Rabbi Jossi de Gallileeër. De eerste meent
dat Tora dit toestaat, en de laatste meent dat het verboden is.
Wat is de logica,
vraagt de Gemara, van het standpunt dat koken voor dieren toestaat,
terwijl het verboden is om voor niet-Joden te koken op Jom Tov? Het
antwoord is dat het voederen van je dieren je eigen
verantwoordelijkheid is, maar een ander mens kan voor zichzelf
zorgen.
De halacha is
echter dat koken voor een dier op een feestdag verboden is (Sjoelchan
Aroech Orach Chaim 512:3), maar het is wel toegestaan je dieren op
Sjabbat en feestdagen te voeren.
¯
¯
¯
Het
probleem van partnerschap
Het slachten van
een dier, het breken van brood of andere dingen die op Jom Tov zijn
toegestaan voor de bereiding van voedsel voor die dag, mag alleen
gedaan worden wanneer het voedsel het eigendom is van een Jood. Rabbi
Chisda maakt onderscheid tussen het slachten van een dier dat voor de
helft het eigendom is van een niet-Jood en tussen brood dat voor de
helft van een niet-Joodse partner is. Zijn verklaring is dat slachten
is toegestaan, omdat het onmogelijk is om enig deel van een dier te
eten, zonder het te slachten. Daarom kunnen we dit slachten beschouwen
alsof het gedaan werd ten behoeve van de Joodse partner. Een brood
echter, kan in tweeën verdeeld worden, zodat de Jood alleen zijn eigen
helft hoeft te bakken. Wanneer hij de andere helft samen met zijn
eigen helft bakt, moet dat beschouwd worden alsof hij bakt ten behoeve
van de niet-Jood en dat is verboden op Jom Tov.
Tosafot merkt op
dat dit in strijd lijkt te zijn met wat Rabbi Sjim’on ben Elazar
beslist heeft (in Beitsa 17a), namelijk dat een vrouw een oven
mag vullen met deeg om een brood te bakken, zelfs al heeft zij daar
maar een deel van nodig. Zijn verklaring hiervoor is dat de kwaliteit
van ieder brood beter is, wanneer de oven vol is en daarom kan dit
beschouwd worden als bakken voor Jom Tov. Waarom passen wij dan dit
idee niet toe op het bakken van een heel brood, waarvan een niet-Jood
gedeeltelijk mede-eigenaar is?
Het antwoord dat
Tosafot geeft is dat als het hele deeg het eigendom is van een Jood en
hij de keuze heeft om één van de gebakken broden in die volle oven te
eten, of ze aan zijn Joodse gasten aan te bieden, dat het dan
beschouwd kan worden alsof hij gebakken heeft voor Joodse consumptie.
Maar dat kan hij niet als het deeg voor een deel van een niet-Jood is.
¯
¯
¯
Daf 25b
Een
stoutmoedig volk
Choetspa
is een Hebreeuws woord dat reeds ingang heeft gevonden in de
Nederlandse taal. Is stoutmoedigheid echter werkelijk een Joodse
karaktereigenschap?
Joden zijn het
stoutmoedigste van alle volken, zegt Rabbi Sjim’on ben Lakisj. Rabbi
Meïr zag een verband tussen deze karaktereigenschap en het feit dat
zij van alle volken werden uitgekozen om de Tora in ontvangst te
nemen.
Maharsja legt uit
dat er twee kanten zitten aan de stoutmoedigheid. Een verlegen
persoon, zegt Hillel (Awot 2:6), kan niet slagen met
Tora-studie. Alleen wanneer men stoutmoedig genoeg is om te vragen,
uit te dagen en te debateren, kan men werkelijk Tora leren. Aan de
andere kant echter, als stoutmoedigheid niet getemperd wordt, kan het
verhinderen dat iemand een waar respect heeft voor de G-ddelijke
autoriteit. Hun natuurlijke stoutmoedigheid kwalificeert de Joden
daarom om de Tora te krijgen, waarvan zij de ware wijsheid kunnen
vinden door hun capaciteit om naar waarheid te zoeken, zonder
reserveringen. De Tora kanaliseert dan hun stoutmoedigheid in een
positieve richting tot intellectuele en spirituele perfectie en brengt
in hen nederigheid bij hun relatie met G-d.
Dit controlerende
effect van Tora op de Joodse stoutmoedigheid werd eens genoemd door
een vooraanstaande Europese Rabbijn tegenover een
Oostenrijks-Hongaarse Keizer, die gunstig neerkeek op Joden die hun
Tora verlieten en zich assimileerden. „Tora is wat de stoutmoedigheid
van mijn volk controleert,” vertelde hij de keizer. „Zolang als wij
ons aan Tora houden en onze stoutmoedigheid wijden aan het zoeken van
wijsheid, zijn wij de meest loyale burgers van Uwe Majesteit. Maar
wanneer wij deze controle loslaten, wie weet of onze kleinkinderen
niet op een dag uw kleinkinderen stoutmoedig zullen uitdagen!”
¯
¯
¯
Daf 29a
Ongewenste resten
„Wij zouden het
op prijs stellen wanneer u deze 300 vaten wijn en 300 vaten olie kunt
gebruiken voor het Beit Hamikdasj.”
Dit was het
aanbod van Abba Sjaoel ben Botnit en zijn mede kooplieden.
Zowel de wijn als
de olie waren de verzameling van de resten van deze goederen, die bij
de verkopers waren overgebleven, nadat zij aan de kopers de
hoeveelheid, waarvoor zij betaald hadden, hadden afgemeten. Het schuim
dat gevormd wordt wanneer de wijn wordt overgeheveld, veroorzaakt dat
het vat van de koper voller lijkt dan het in werkelijkheid is zodat
hij minder krijgt, dan waarvoor hij betaald heeft. In het geval van de
olie was het de hoeveelheid olie dat aan de wanden en bodem van de
vaten blijft hangen, hetgeen eveneens de valse indruk wekt van een vol
vat.
De
vertegenwoordigers van het Beit Hamikdasj begrepen dat deze
donors bezorgd waren dat zij ongewild deze resten op een oneerlijke
manier hadden verkregen. De donors vertelden hen daarom dat dit niet
het geval was, maar dat hun klanten heel goed wisten dat zij niet de
volle maat kregen, maar daar de kopers niet hun tijd wilden verspillen
om de garantie te krijgen dat zij de volle maat kregen, vergaven zij
de verkopers vrijwillig de hoeveelheid die achterbleef.
Toen de donors
erop aandrongen dat zij niet wensten te profiteren van iets dat
eigenlijk aan anderen toebehoorde, werd hun geadviseerd om het te
bestemmen voor een of ander openbaar project. Zoals de regel is, dat
iemand die gestolen heeft, maar niet meer weet van wie, en die het
gestolene wil teruggeven, geadviseerd wordt iets te doen voor het
algemene nut.
Zo konden ook
deze kooplieden, die zich terecht oncomfortabel voelden over de wijn
en olie die zij op een twijfelachtige manier verkregen hadden, een en
ander goed maken door deze goederen voor een goed doel te bestemmen.
Maharsja wijst
erop dat de vertegenwoordigers van het Beit HaMikdasj de wijn en de
olie niet voor het Beit HaMikdasj wilden in ontvangst nemen,
ondanks de verzekering die de donors gaven dat zij de wettige
eigenaars ervan waren, omdat zij aarzelden om iets voor een heilig
doel te gebruiken, waar een luchtje van oneerlijkheid aan zit. Hoewel
de kooplieden verzekerden dat de kopers hen de resten vergeven hadden,
maakte het feit dat zij dit niet onmiddellijk van te voren vertelden,
hun donatie ongeschikt voor een heilig gebruik.
¯
¯
¯
|