|
Rosj Hasjana 25b
Staan voor Kiddoesj Hachodesj
(Door
het Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak)
Op de Sjabbat die aan Rosh Chodesj vooraf gaat, ‘Sjabbat
Mewarchiem’, is het de gewoonte om de nieuwe maand te zegenen.
Voordat dit gebeurt, roept de chazzan de dag om waarop Rosj
Chodesj zal vallen. Het is de gewoonte om te staan als de chazzan
dit aankondigt. De Mageen Awraham
(O.Ch. 417:1)
legt uit dat net zoals kiddoesj hachodesj in het Beit Din
staande gedaan werd, zo ook staan wij wanneer we de nieuwe maand
zegenen.
Rabbi Akiwa Eiger vraagt in zijn aantekeningen op de Sjoelchan
Aroech
(ibid.)
waar staat geschreven dat het Beit Din stond bij de kiddoesj
hachodesj. De gemara zegt dit nergens expliciet in heel de
Sjas. Integendeel, onze Misjna impliceert juist dat zij zaten. De
Misjna vertelt dat als de rechters van het Beit Din zelf de nieuwe
maan hadden gezien, dan fungeerden twee van hen als getuige en
twee andere rechters moesten zitten op hun plaats. Hieruit lijkt
het alsof het Beit Din zat, wanneer het de nieuwe maan inwijdde.
Er zijn verschillende verklaringen gesuggereerd om de Mageen
Awraham te verdedigen. Rabbi Moshe Feinstein zt”l
(Igrot Moshe O.Ch. I, 142)
legt uit dat de Mageen Awraham het niet had over het Beit Din, dat
in feite zat, maar dat hij het had over de andere mensen die
aanwezig waren bij de ceremonie van de kiddoesj hachodesj.
Nadat het Beit Din de getuigen degelijk had ondervraagd, en nadat
zij tevreden waren dat de nieuwe maan inderdaad gezien was, wijdde
het hoofd van het Beit Din de nieuwe maand in met de verklaring:
„Mekoedasj! – Hij is geheiligd!” De overige aanwezigen antwoordden
dan: „Mekoedasj, mekoedasj!”
(Rosj Hasjana 24a).
Een mitswa van Tora.
R. Moshe Feinstein voegt daaraan toe dat het absoluut essentiëel
is dat het hoofd van het Beit Din mekoedasj uitroept, want
anders kan de nieuwe maand niet beginnen. Het antwoord echter van
de overige aanwezigen, mekoedasj, mekoedasj is niet
essentiëel. De nieuwe maand begint toch, ook zonder hun. Niettemin
vervullen zij een possitief gebod van Tora met hun antwoord, zoals
de Gemara
(ibid.)
leert van de psoekiem.
Tegenwoordig, nu de nieuwe maanden niet meer worden ingewijd door
het Beit Din, hebben we niet meer de mitswa om mekoedasj,
mekoedasj te zeggen. Daarom, ter nagedachtenis aan deze
mitswa, is het de gewoonte om op Sjabbat Mewarchiem aan te
kondigen wanneer Rosj Chodesj valt, en die te zegenen. Het Sjabbat
Mewarchiem-gebed komt niet overeen met de ondervraging van de
getuigen en de beslissing van het Beit Din
(hetwelk het Beit Din zittend uitvoerde).
Maar het komt overeen met het antwoord van de omstanders,
mekoedasj, mekoedasj.
Staan als men mitswot doet.
R. Moshe schrijft verder dat het publiek stond als het
mekoedasj, mekoedasj antwoordde, om twee redenen. Ten eerste
wordt het beschouwd als een vertoon van respect voor het Beit Din,
en zeker als men in aanwezigheid is van het Beit Din HaGadol
in Jeroesjalajiem¸ waar de grootste Tora-Geleerden van
Klal Jisraël verzameld waren. En voorts is het gepast om te
staan als men een mitswa doet, net zoals men staat als men met de
loelav schudt.
Rosj Hasjana 26b
Klaar voor de rit
(Door
Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach)
„Werp je jichov op Hasjem en Hij zal je onderhouden,” zegt
David HaMelech in Tehilliem 55:23. Een ongewoon woord,
jihov en de betekenis daarvan ontging de Rabbijnen lange tijd.
Totdat op een dag de Geleerde Rabba bar Bar Chana samen met een
koopman reisde, die een kameel leidde met koopwaar op zijn rug. De
koopman zag de Geleerde worstelen met zijn eigen bagage en zei: „
Neem je jihov en leg het op mijn kameel.” Het werd toen
duidelijk dat David HaMelech ons adviseerde de last van onze
behoeften op Hasjems „wagen” te leggen.
Het verhaal wordt verteld van iemand die worstelde met zijn zware
bagage op een buitenweg, toen een wagen langs kwam en de
wagenvoerder hem een lift aanbood. Hij accepteerde dat blij, maar
hield zijn bagage in zijn hand. De verbaasde wagenvoerder vroeg
hem waarom hij zijn bagage niet op de vloer van de wagen zette.
Onze reiziger antwoordde dat hij al erg dankbaar was voor de lift,
waardoor hem de moeite van het lopen gespaard werd, maar dat hij
zijn edelmoedige gastheer niet nog verder tot last wilde zijn,
door ook nog zijn bagage op de vloer te zetten.
Wij reageren op Hasjem op dezelfde dwaze manier. We zijn volkomen
afhankelijk van Zijn goedheid voor wat betreft ons leven,
gezondheid en al de fundamentele benodigdheden van het bestaan.
Maar wanneer het gaat om de bagage, zoals ons levensonderhoud, dan
hebben we plotseling het gevoel dat dit alleen maar van onszelf
afhangt.
David HaMelech herinnert er ons aan, dat Hasjem je iedere minuut
van de dag een gratis rit aanbiedt, dus wees geen dwaas om je
bagage – je parnassa (levensonderhoud) zelf te willen
vasthouden. Leg het ook in de wagen van Hasjem en Hij zal je zeker
helpen je te onderhouden.
Rosj Hasjana 27b
Op twee sjofars tegelijk blazen
(Door
het Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak)
Hoe zou de halacha zijn als een geschoolde sjofar-blazer
twee sjofars tegelijk in zijn mond zou houden en op allebei
tegelijk zou blazen? Zouden hij, en de mensen die het van hem
hoorden, hun plicht gedaan hebben?
Een schijnbaar bewijs kan van onze soegia gebracht worden,
dat zij inderdaad niet aan hun verplichting hebben voldaan. De
Gemara vertelt ons, dat als iemand een sjofar binnen in een andere
sjofar stopt en dan op de binnenste sjofar blaast, dat dan, als
hij de het geluid van de binnenste sjofar hoort, hij zijn plicht
gedaan heeft. Maar als hij het geluid van de buitenste sjofar
hoort, dan heeft hij niet zijn plicht gedaan. De Rosj legt uit dat
als de binnenste sjofar langer is dan de buitenste, dan hoort men
het geluid van de binnenste direct. Maar als de binnenste sjofar
niet langer is dan de buitenste sjofar, dan hoort men zijn geluid
alleen als het vibreert tussen de twee sjofars. Daar dit het
geluid van twee sjofars is en niet van één, is het ongeldig. De
Tora gebiedt ons namelijk te luisteren naar het geluid van één
enkele sjofar
(Tosafot s.v. iem kol; Rosj).
Hieruit lijkt het dat men zijn plicht niet doet als men het geluid
van twee sjofars tegelijk hoort. Echter, verdere overweging
onthult een verschil tussen beide gevallen. In het geval van de
Gemara werd het geluid dat men hoort niet geproduceerd door één
sjofar. Het werd geproduceerd door het vibreren van twee sjofars
tegelijkertijd. Dit geluid is ongeldig. In het geval dat wij
hierboven suggereerden, worden twee verschillende geluiden apart
geproduceerd. Ieder apart is kosjer en misschien zijn zij beide
ook kosjer?
Niettemin beslist de Halachot Ketanot
(Tesjoewot II:275)
dat zelfs in dit geval men niet zijn plicht heeft gedaan. Wij zijn
verplicht om de mitswa met één sjofar te doen. Hij voegt daaraan
toe dat hetzelfde geldt voor de mitswa van loelav. De Tora
gebiedt ons één loelav te schudden. Wanneer iemand
tegelijkertijd twee loelaviem schudt, dan doet hij niet
zijn plicht.
(Deze beslissing wordt aangevochten door andere poskiem.
Zie Minchat Chinoech 324:3).
Echter, de Halachot Ketanot merkt op dat als iemand de bedoeling
had om maar met één van beide sjofars zijn plicht te doen, en hij
negeert het geluid van de andere sjofar, misschien doet hij dan
wel zijn plicht. In zo’n geval is de mitswa gedaan met slechts één
sjofar en de andere sjofar wordt in het geheel niet meegerekend
voor de mitswa: hij is niet anders dan een willekeurige trompet.
Als iemand een loelav zou schudden voor de mitswa, terwijl
hij een andere loelav in zijn hand houdt, zonder de
bedoeling te hebben dat die ook een deel van de mitswa is, dan zou
hij aan zijn verplichtingen voldaan hebben.
Echter de Misjna Beroera (586:81) vergelijkt het tegelijkertijd
blazen op twee aparte sjofars met het blazen op een sjofar binnen
een andere sjofar. Hij verwerpt het onderscheid dat wij hierboven
gesuggereerd hebben.
(Dit punt is het onderwerp van debat tussen de Riwasj en de
Tasjbats. Zie Tesjoewot Tasjbats III:325).
Volgens de Misjna Beroera is het toch ongeldig, ook al had men de
bedoeling om zijn plicht te doen met slechts één sjofar.
Rosj Hasjana 30b
Sjier Sjel
Jom bij mincha
Het blijkt duidelijk uit
onze Gemara dat de Levieten ook een sjira [lied] zongen bij
het korban tamied [dagelijks offer] in de middag. De
Maharam Alsjiech vraagt zich af waarom wij dan nu niet ook een
sjier sjel jom [lied van de dag] bij mincha zeggen,
zoals wij dat ’s ochtends zeggen. Hij antwoordt dat aangezien de
regel geldt dat als de Levieten de sjira ’s middags niet
zingen, het korban passoel is, men niet kon instellen dat
wij, die geen korban kunnen brengen, de sjier moeten
zeggen (in de ochtend is het niet onontbeerklijk).
De Mageen Awaham
(132:14) geeft twee antwoorden. Ten eerste citeert hij Tosafot,
die zegt dat als de plengoffers van de middag niet voor de avond
gebracht waren, zij nog de hele nacht geofferd konden worden, maar
dat de sjira dan niet meer gezongen kon worden, want ze
zongen ’s avonds niet. Daar het soms in het Beit HaMikdasj
gebeurde dat men ’s middags geen sjira zong (wanneer de
nesachiem verlaat waren en waren uitgesteld tot de avond),
hebben de Chachamiem geen sjira ingesteld voor onze
mincha-dienst.
Het tweede antwoord dat
hij geeft, is dat de halacha was, dat nadat het korban tamied
op het mizbeach [altaar] was geofferd, men geen sjira
meer zong. De sjira werd alleen gezongen voordat het
korban tamied voltooid was. De Geleerden konden niet instellen
dat wij de sjier sjel jom na mincha zouden zeggen,
daar mincha correspondeert met het korban tamied van
de middag en na het offer kon niet meer gezongen worden.
De Chatam Sofer (4b) antwoordt dat
er twee redenen zijn waarom wij tegenwoordig nog de parasja
van de korbanot en de awodot [diensten] zeggen die
in het Beit HaMikdasj werden gedaan. Ten eerste zeggen we deze
afdelingen wegens het vers dat zegt dat onze lippen nu beschouwd
worden als de offers. Maar er is nog een reden. Het zeggen van
deze tefillot is een aanwijzing voor onze wens en verlangen
naar de herbouw van het Beit HaMikdasj in onze tijd.
’s Ochtends hebben we
deze tweede verklaring in gedachte. De halacha is dat het
mizbeach alleen wordt ingewijd met het offer van het namiddag
tamied. Zelfs al zou
het Beit HaMikdasj vandaag herbouwd zijn, dan nog zouden wij niet
instaat zijn om vandaag het ochtend tamied te brengen.
Onze primaire
kawana [intentie] in de ochtend is dat onze tefillot
geaccepteerd worden, alsof het offers waren.
Maar in de middag moet de primaire kawana een uiting van het
verlangen zijn om het Beit HaMikdasj spoedig herbouwd te zien en
als het Beit HaMikdasj op dat moment herbouwd zou worden (en dat
is waaraan wij moeten denken), dan zou er geen sjira
gezongen worden, want de Beit Joséf (51) bepaalt dat in de
tijd van het Derde Beit HaMikdasj er geen sjira zal
gezongen worden (behalve mizmor letoda – een dankgebed).
Dit is de reden waarom we bij mincha geen sjier sjel jom
zeggen, want het verhindert ons te juiste kawanot te
hebben.
Rosj Hasjana 31b
Zonder schoenen in de synagoge
(Door
Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach)
Waarom doen de kohaniem hun schoenen uit voordat zij het
platform voor de Aron Hakodesj [de Heilige Ark] opgaan om
de gemeente te zegenen?
De verplichting om hun schoenen uit te doen is één van de negen
verordeningen van Rabbi Jochanan ben Zakkai die onze Gemara
opnoemt. De reden voor deze verordening wordt hier niet genoemd,
maar Rasji verwijst naar een andere bron, traktaat Sota 40a.
Daar veronderstelt de Gemara aanvankelijk dat de kohaniem
hun schoenen moesten uitdoen uit respect voor de gemeenschap. Daar
de kohen zijn armen moet opheffen als hij de gemeenschap
zegent, worden zijn kleren daardoor omhoog getrokken, waardoor
voor iedereen zijn modderige schoenen zichtbaar worden. Deze
verklaring wordt echter verworpen ten gunste van een andere
verklaring, die zich concentreert op een overweging gericht op de
kohen in plaats van op de gemeenschap.
Rabbi Jochanan ben Zakkai was bang dat de veters van de schoenen
van de kohen zouden breken opweg naar het platvorm. Uit
angst dat de gemeenschap zou lachen om zijn losse schoenveters,
zou hij misschien in de verleiding komen om te gaan zitten en zijn
veters vast te maken, terwijl zijn collega-kohaniem de
gemeente zegenden. De omstanders, die niet op de hoogte waren van
de ware reden waarom die kohen zat, terwijl de andere
kohaniem de zegen uitspraken, zouden makkelijk tot de
conclusie komen dat deze kohen een onrefgelmatigheid in
zijn afstamming had ontdekt, waardoor hij gediskwalificeerd was om
het publiek te zegenen. Om de kohen te sparen voor deze
valse verdenkingen, werd ingesteld dat zij hun schoenen zouden
moeten uitdoen voordat zij de priesterzegen zouden uitspreken.
Om er zeker van te zijn dat deze verordening zonder mankeren zou
worden uitgevoerd, bepaalden de Geleerden dat de regel zelfs geldt
voor schoenen die geen veters hebben.
Tosafot wijst op een interessant punt van deze Gemara. Ook al was
het verboden om de Tempelberg te betreden met schoenen aan, geldt
dit niet voor de synagoge, zoals wij zien aan het feit, dat de
kohen schoenen mag dragen tot op het moment dat hij het
platform bestijgt voor de priesterzegen.
De reden dat er geen bezwaar is om met schoenen aan in de synagoge
te lopen, maar dat het verboden is om de synagoge te gebruiken om
zijn weg af te snijden, wordt verklaard door de Geleerde Rawa (Berachot
63a). Een synagoge wordt een beit knesset genoemd – een
huis van samenkomst – en men moet het behandelen met hetzelfde
respect als men zijn eigen huis behandelt. Niemand wil dat zijn
buurman door zijn huis loopt, alleen op een kortere weg naar zijn
eigen huis te kunnen nemen en om zo de weg af te snijden; maar
niemand heeft er bezwaar tegen om met zijn schoenen aan in huis te
lopen. |