|
Ta’aniet 19a
Choni de
Cirkeltrekker
Het gebeurde eens dat het grootste deel van de maand Adar voorbij
was, zonder dat het geregend had. Choni de Cirkeltrekker, een
groot tsaddiek, werd gevraagd om voor regen te bidden. Hij
zei tegen de mensen: breng jullie ovens voor Pesach naar binnen,
opdat zij niet verweken door de regen. (De ovens waren in die tijd
van klei gemaakt en stonden buiten te drogen). Het was vlak voor
Pesach en het had nog niet geregend, maar Choni was zeker dat het
nu zou gaan regenen. Hij bad, maar er viel geen regen. Hij trok
een cirkel en ging erin staan en hij verklaarde voor Hem: „Heer
der Wereld, de kinderen kijken naar mij, omdat ik als een
bevoorrechte dienaar voor u ben. Ik zweer bij Uw grote Naam dat ik
hier niet vandaan ga, voordat U genade heeft getoond met Uw
kinderen.”
Daarop begon het te druppelen. „Meester,” zeiden zijn leerlingen
tegen hem, „het
lijkt ons dat deze regen alleen komt om u te bevrijden van uw
eed.”
Daarop zei Choni: „Ik heb niet om zulke regen gevraagd maar om
regen die de waterreservoirs, sloten en grotten vult.” Het begon
nu te stortregenen.
„Meester,”
zeiden zijn leerlingen weer,
„het
lijkt ons, dat de regen de wereld komt vernietigen.”
Choni zei nu: „Ik heb niet om zulke regen gevraagd, maar om een
milde, zegenende regen heb ik gevraagd.” Daarop viel de regen
normaal, totdat de Joden voor de regen moesten schuilen op de
Tempelberg in Jeruzalem.
„Meester,”
vroeg nu het volk,
„zoals
u gebeden hebt voor regen, bidt zo ook dat de regen stopt.”
„Ik
heb een traditie,” antwoordde hij,
„dat
men niet moet bidden om de overvloed van het goede te doen
stoppen. Breng mij echter een stier om als dankoffer te offeren.”
Zo gebeurde het en hij legde beide zijn handen op de stier en bad
tot G-d:
„Heer
der Wereld, het volk Israël is noch in staat om te veel goeds,
nocht te veel slechts te verdragen. Toen U kwaad was, konden zij
dat niet verdragen. Wanneer U hen te veel van het goede geeft, is
het ook niet goed voor hen. Moge het Uw wil zijn, dat de regen
stopt en dat er verademing is in de wereld.”
Onmiddellijk begon de wind te blazen, de wolken werden verspreid,
de zon begon te schijnen en het volk ging naar de velden.
De Misjna vertelt hoe Sjim’on ben Sjètach zich verbaasde over de
brutaliteit van Choni, die van Hasjem tweemaal regen eiste.
Eigenlijk zou hij Choni in de ban moeten doen omdat hij zo
onbeleefd en blasfemisch gesproken had. Maar ja, nu had Hasjem hem
desalniettemin beloond, als een vader die zijn veeleisende zoon
toch liefheeft en hem toegeeft. Dus wat kon Sjim’on ben Sjètach
dan nog doen?
(Sjim’on ben
Sjètach was één van de twee hoofden van het Sanhedrin en de broer
van Koningin Alexandra Salomé, de echtgenote van Koning Jannai, en
leefde in de laatste eeuw V.G.J.)
Ta’aniet 20a-b
Een
klacht tegen de Schepper
(Door
Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach)
Rabbi Elazar ben Sjim’on kwam eens van zijn leraar in Migdal
Gedor, van wie hij veel geleerd had en hij voelde zich daarom erg
blij.
Hij kwam op zijn weg een uitermate lelijk pesoon tegen, die tegen
de rabbi zei: „Vrede zij met u, mijn leraar,” maar de rabbi
beantwoordde de groet niet, maar zei: „Wat ben je lelijk! Zijn
alle mensen uit jouw stad zo lelijk?”
De man antwoordde: „Dat weet ik niet, maar doe uw beklag bij de
ambachtsman die dit lelijke voorwerp gemaakt heeft.”
De rabbi begreep zijn fout, en smeekte de man om vergiffenis, maar
die antwoordde: „Ik vergeef je niet, ga naar mijn Maker en doe
daar je beklag.”
De rabbi volgde de man tot zij aankwamen in zijn stad, en onderweg
probeerde hij de man te overtuigen om hem te vergeven, maar
tevergeefs.
In de stad aangekomen werd de rabbi vol respect begroet door de
bevolking met „Sjalom
aleichem, onze meester en leraar.”
Nu was het de beurt van de vreemdeling om de rabbi te beledigen.
„Waarom tonen jullie zoveel respect voor deze man,” vroeg hij, en
hij vertelde wat er gebeurd was.
Men zei tegen hem: „Vergeef de rabbi want hij is een groot
geleerde.”
De man antwoordde: „Ik zal hem vergeven, op voorwaarde dat hij
nooit meer zulke dingen zegt.”
De Rabbi ging daarop het leerhuis binnen en zei: „ Men moet altijd
zo zacht zijn als riet en niet zo hard als een ceder.” En om deze
reden verdiende het riet dat er pennen van gemaakt werden om
Tora-rollen mee te schrijven. [Tegenwoordig gebruikt men hiervoor
geen riet meer, maar ganzeveren.]
De commentatoren verklaren dat de mysterieuze vreemdeling de
Profeet Eliahoe was in vermomming en dat hij op deze manier aan de
Geleerde verscheen, om hem een lesje te leren. Maharsja wijst erop
dat Rabbi Elazar verondersteld had dat er iets moreel mis was met
die man en dat dit weerspiegeld werd in zijn uiterlijk, net zoals
wijsheid weerspiegeld wordt in de ogen van een wijs man. Een
dergelijke veronderstelling gaf hem echter niet het recht om zich
zou onbehoorlijk te gedragen en het antwoord van Eliahoe genas hem
hiervan.
Ta’aniet 22a
Burgers van de Komende Wereld
„Is
er iemand op deze markt van Beilaft, die recht heeft op een plaats
in de Komende Wereld?” vroeg Rabbi Beroka uit Chozai aan iemand
die als geen ander op die vraag een antwoord kon geven, de Profeet
Eliahoe.
Na enig aarzelen wees Eliahoe hem twee broers aan, die daar
voorbij kwamen en identificeerde hen als burgers van de Komende
Wereld. De Geleerde was nieuwsgierig om te weten wat deze twee
mannen, die er gewoon uitzagen, voor bijzonders deden dat zij een
dergelijke titel verdienden dus hij vroeg hen waarmee zij zich
bezighielden.
„Wij
hebben er plezier in om andere mensen gelukkig te maken,” was het
antwoord. „Wanneer
wij iemand zien die ter neergeslagen is, vrolijken wij hem op en
als we twee mensen zien die ruzie met elkaar hebben, dan maken wij
gekheid met hun situatie totdat zij samen vrede sluiten.”
Rasji verklaart dat hun vrede stichten de reden is waarom zij naar
de Komende Wereld mochten, en dat dit gebaseerd is op wat onze
Geleerden leren, namelijk dat wie vrede brengt tussen de ene mens
en de andere, zowel in deze wereld als in de Komende Wereld
beloond wordt .
Het verband tussen het iemand opbeuren die ter neergeslagen is
enerzijds en de Komende Wereld anderzijds, schrijft de Maharsja,
kan worden begrepen met behulp van wat onze Geleerden zeggen over
Hasjem, Die meeleeft met het lijden van een zondaar die
geëxecuteerd wordt voor zijn misdaad, als Hij verklaart:
„Hoe
zwaar is Mijn hoofd, hoe zwaar is Mijn arm.”
Iedere Jood, zeggen onze Geleerden, heeft een aandeel in de
Komende Weeld. Maar zijn relatie daarmee is alleen in het
hiernamaals. Rabbi Beroka zocht naar een
„burger”
van die wereld, wiens leven de waarden van die andere wereld
weerspiegelde en die alleen een
„toerist”
was in deze wereld. Deze twee entertainers hadden die
levensbeschouwing van die andere weeld, waar Hasjem ongelukkig is
als Zijn schepselen ongelukkig zijn. Hun gevoeligheid voor Hasjems
gevoelens van verdriet, die hen motiveerden om verdrietige mensen
op te vrolijken, bewezen dat zij inderdaad
„burgers”
van de Komende Weeld waren, zelfs terwijl zij hier op aarde waren.
Ta’aniet 23b
Abba Chilkia was de kleinzoon van Choni de Cirkeltrekker en ook
hij had, net als zijn beroemde grootvader, de gave om regen te
brengen door middel van zijn gebeden en als de wereld regen nodig
had, zonden de rabbijnen hem een verzoek of hij om regen wilde
bidden en dan kwam de regen. Eens gebeurde het dat de wereld regen
nodig had en de rabbijnen gingen naar zijn huis om hem te vragen
om regen te bidden. Maar hij was niet thuis. Zij vonden hem op het
veld waar hij was aan het hooien. Zij groetten hem, maar hij
groette niet terug.
In de avond ging hij naar huis met hout en hooi op zijn schouder
en zijn mantel op zijn andere schouder, op blote voeten,
behalve toen hij een stroom moest doorwaden, toen deed hij
schoenen aan. Wanneer hij door een distelveld moest lopen, trok
hij zijn kleed omhoog, zodat de doorns niet zijn kleren zouden
scheuren [want het is verboden iets nodeloos kapot te maken en
daarom droeg hij ook geen schoenen, opdat zij niet nodeloos zouden
slijten]. Thuisgekomen werd hij door zijn vrouw, beladen met
sieraden, begroet. Zij gingen naar binnen en hij nodigde de
rabbijnen uit binnen te komen. Hij at brood, gaf zijn kinderen
brood en zijn kleine kinderen gaf hij een dubbele portie. Maar hij
bood de rabbijnen geen brood aan. Hij zei zachtjes tegen zijn
vrouw: ik weet dat ze mij komen vragen of ik om regen wil bidden.
Laten we naar het dak gaan en om regen bidden, zonder dat zij het
weten, dan hoeven ze mij daarvoor niet te bedanken.
Abba en zijn vrouw gingen samen het dak op en baden om regen. Het
begon eerder te regenen waar zijn vrouw stond, dan waar Abba
stond.
Daarna ging hij naar beneden en vroeg aan de rabbijnen waarvoor ze
gekomen waren. Ze vertelden het hem. Hij antwoordde: „Gezegend is
Hasjem die het heeft laten regenen voordat jullie het konden
vragen.”
De rabbijnen begrepen wel de hele comedie, maar wilden een
verklaring voor zijn gedrag.
– Waarom had hij hun groet niet beantwoord? Abba antwoordde dat
hij als dagloner werkte en hij wilde zijn werk niet onderbreken
door hen te groeten [want daarmee zou hij zijn werkgever schaden].
– Waarom droeg hij de jas op zijn schouder en het hout op zijn
andere schouder, waardoor zijn schouder beschadigde, in plaats van
het hout op de jas te leggen? Hij antwoordde dat het een geleende
jas was, die hij niet wilde beschadigen.
– Waarom droeg hij op de weg geen schoenen maar in het water wel?
Hij antwoordde dat hij op de weg kon zien waar hij liep maar in
het water niet.
– Waarom kwam zijn vrouw hem tegemoet met haar sieraden om? Opdat
hij niet naar andere vrouwen zou kijken.
– Waarom ging zijn vrouw eerst het huis in, daarna hij en pas
daarna de rabbijnen? Omdat hij zijn vrouw niet alleen met de twee
vreemde mannen wilde laten.
– Waarom had hij hun niet voor de maaltijd uitgenodigd? Omdat er
duidelijk niet genoeg brood was voor iedereen en de rabbijnen dus
zouden bedankt hebben voor de uitnodiging en hij dan eer zou
hebben gekregen voor niets.
– Waarom gaf hij zijn jonge kinderen een dubbele portie brood?
Omdat zij de hele dag op school leerden en hongerig thuis kwamen,
terwijl de grote kinderen de hele dag thuis waren en daar konden
eten.
– Waarom werden de gebeden van Abba’s vrouw eerder verhoord dan
zijn gebeden? Zijn vrouw gaf brood aan de armen vanuit haar huis,
dat stilde onmiddelijk de honger. Hij gaf alleen maar geld,
daarvoor moesten de armen eerst brood kopen. Haar gebeden werden
daarom eerder verhoord want haar tsaddaka was eerder voor
de armen beschikbaar.
Gebeden zijn effectief wanneer zij worden uitgesproken door iemand
met goede daden. En in feite speelt ook de kwaliteit van de goede
daden een rol, bij de mate waarin een gebed tot in de Hemel kan
door-dringen,
zoals blijkt uit het geval met Abba Chilkia. Berouw, gebed en
goede daden kunnen een negatief vonnis opzij duwen. Wanneer onze
gebeden omringd zijn door goede daden, zullen we resultaten zien.
(Uit Daf Yomi Digest)
Ta'aniet 24b
De
reiziger in de regen
(Door
Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach)
Rabbi Chananja ben Dosa was aan het wandelen, toen het begon te
regenen. Hij wendde zich tot G-d en zei: „De hele wereld heeft het
comfortabel, behalve ik.”
De regen stopte onmiddellijk.
Toen hij thuis kwam, wendde hij zich opnieuw tot G-d en zei: „Nu
is de hele wereld bedroefd en ik heb het comfortabel.”
Daarop begon het weer te regenen.
„Welke
kracht heeft het gebed van de Kohen Gadol vergeleken met
dat van Rabbi Chanina ben Dosa,” vroeg Rabbi Joséf.
Hij had het over het gebed dat op Jom Kippoer door de Kohen
Gadol gezegd wordt als hij het Heilige der Heiligen verlaat.
Dat gebed bevatte niet alleen een verzoek om adequate regen, maar
ook een verzoek aan Hasjem om de gebeden van reizigers, die Hasjem
vragen dat het niet zal regenen, te negeren (zie Joma 53b).
Dit conflict tussen de behoeften van de gemeenschap en het comfort
van de enkeling op de weg wordt opgelost ten gunste van de
gemeenschap in de gebeden van de Kohen Gadol. Dit schijnt
in tegenstelling te staan tot de oplossing van hetzelfde conflict
dat eerder in ons traktaat (10a) vermeld stond. Daar leerden we
dat in het Land Israël het verzoek om regen niet wordt opgenomen
in de dagelijkse gebeden tot vijftien dagen na Soekot. Dit stelt
de pelgrimgangers, die naar Jeruzalem waren gekomen om de mitswa
van de alia lerègel te doen, in de gelegenheid droog weer
thuis te komen, voordat de regens zouden beginnen, zelfs wanneer
zij ver weg woonden en lang onderweg zouden zijn.
Het eenvoudige antwoord is dat we onderscheid moeten maken tussen
een gewone reiziger, wiens comfort moet worden opgeofferd voor de
belangen van de gemeenschap, en dat van een Jood die de hele weg
naar Jeruzalem gereisd heeft, om daar Hasjem in het Beit HaMikdasj
te dienen op Soekot. We zijn bereid om het gemeenschapsbelang
voor hem op te offeren, opdat hij niet ontmoedigd wordt om die
dienst te komen doen.
Wat Rabbi Chanina ben Dosa betreft, misschien werd zijn gebed
geaccepteerd door de Hemel, tegen dat van de Kohen Gadol
in, omdat zijn gebed ook geaccepteerd werd toen hij vroeg dat de
regen weer zou beginnen, toen hij thuis kwam.
Ta’aniet
25a
Schemertijd
(Door
Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach)
Vele wonderen worden veteld in onze Gemara over de heilige Rabbi
Chanina ben Dosa. Eén daarvan vond plaats tijdens de bein
hasjemasjot – schemering [de periode tussen het verdwijnen van
de zon van de horizon en het intrede van de duisternis, een
periode waarvan het halachisch niet duidelijk is of die nog bij de
vorige dag, of al bij de volgende avond hoort]. Rasji definiëert ‘bein
hasjemasjot’ als een term van de Talmoed voor de periode vóór
het begin van Sjabbat. Het volgende verhaal begint wanneer Rabbi
Chanina’s dochter zucht van verdriet. Haar vader vraagt haar
waarom zij zo verdrietig is.
„Toen
ik de Sjabbat-lichten klaarzette,” antwoordde zij,
„heb
ik per ongeluk azijn in de lampen gedaan, in plaats van olie.
Sjabbat is al begonnen en het kleine beetje olie dat nog in de
lampen zat, zal nu wel spoedig zijn opgebrand, terwijl de azijn
niet als brandstof kan dienen.”
„Maak
je geen zorgen,” antwoordde de Geleerde.
„Hij
die de olie bevolen heeft om te branden, kan ook de azijn bevelen
om te branden.”
Niet alleen brandde de azijn op wonderbaarlijke wijze, maar het
licht ervan duurde de gehele Sjabbat en kon zelfs gebruikt worden
voor Havdala.
Hoewel Rasji hier zegt dat hij geen verklaring heeft voor het
gebruik hier van het woord ‘bein hasjemasjot’ met
betrekking tot erev Sjabbat, geeft hij elders wel een
verklaring. In traktaat Ketoebot (103a) beschrijft Rabbi
Jehoeda Hanasi een bezoek aan huis na zijn dood in de schemertijd.
Rasji verklaart dat bein hasjemasjot het tijdsbestek vóór
Sjabbat is. Waarom? Omdat dit de tijd van de week is, wanneer
Joden zich het meest bekommeren om de vraag wat de juiste tijd is
dat de schemering begint, omdat op dat moment alle werk van de
week al gestopt moet zijn.
Maharsja biedt hier een ander perspectief. Daar een Jood verplicht
is iets van de werkdag aan de Sjabbat toe te voegen (tosèfet
Sjabbat – d.w.z. dat hij al Sjabbat moet in acht nemen nog
voordat de Sjabbat ingaat), is de uitdrukking bein hasjemasjot
hier van toepassing als een indicatie dat deze tijd de
overgang vormt van vrijdag naar Sjabbat. Om dezelfde reden, merkt
hij op, noemen wij deze periode
„erev
Sjabbat”,
omdat het gedeelte van de namiddag, dat in het Hebreeuws met het
woord erev wordt aangeduid, is omgezet in Sjabbat wegens
onze noodzaak om deze heilge dag eerder in te luiden. [Het
Hebreeuwse woord erev heeft dezelfde letters als het
werkwoord arav dat ‘mengen’ betekent. Dus erev is
dan een aanduiding voor de tijd waarom dag en nacht met elkaar
vermengd worden. Bein hasjemasjot betekent letterlijk:
‘tussen de zonnen’, dat wil zeggen de tijd tussen dat de
„grote
zon” ondergaat en de
„kleine
zonnen” – de maan en de sterren – opkomen.] |