|
Uit
Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 407 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei
Brak
Inleiding tot
Traktaat Mo’eed Katan
Vorige week is de Daf Jomi-cyclus
begonnen met Traktaat Mo’eed Katan, dat hoofdzakelijk gaat over de
wetten van Chol HaMo’eed, maar dat ook, in het derde hoofdstuk,
uitgebreid ingaat op de wetten van de rouw.
De titel
„Chol
HaMo’eed” beschrijft de unieke periode die zowel kenmerken bevat
van chol – een werkdag, waarin bepaalde melachot
zijn toegestaan, als van mo’eed – een Jom Tov, waarin de
meeste melachot zijn verboden. De Misjna Beroera (530:1)
noemt vijf categorieën van melachot op, die zijn toegestaan
op Chol HaMo’eed:
1. Bereiding van voedsel voor
gebruik op Chol HaMo’eed of Jom Tov. Voor dit doel mag men zelfs
geschoolde arbeid gebruiken (ma’asé oeman). 2. Ter
voorkoming van een verlies. Bijvoorbeeld, men mag zijn veld
bevloeien (onder bepaalde omstandigheden), wanneer anders de
planten zouden verdorren. 3. Men mag werken om geld te verdienen
om voedsel te kopen voor Chol HaMo’eed of Jom Tov, als men zonder
dat niets te eten zou hebben. 4. Men mag zorgen voor de noden van
de gemeenschap. Bijvoorbeeld reparaties aan wegen. 5. Ongeschoolde
arbeid (ma’asé hèdiot) voor Jom Tov voor andere dingen dan
voedsel.
Chol HaMo’eed:
Chol HaMo’eed wordt beschouwd als
een mikra’ei kodesj – een heilig feest, net als Sjabbat en
Jom Tov. De Rambam (Hilchot Jom Tov 7:1) schrijft:
„Men
moet deze dagen eerbiedigen met voedsel, drank en schone kleren,
ten einde ze niet te behandelen als werkdagen.”
De Talmoed Jeroesjalmi vertelt ons
dat als R. Abba bar Mamel daartoe in staat was geweest, hij
melacha op Chol HaMo’eed zou hebben toegestaan. Hasjem gaf ons
Chol HaMo’eed opdat we vrij zouden zijn van arbeid, en in staat
zouden zijn om te eten, te drinken en Tora te studeren. In plaats
daarvan eten en drinken de mensen en gedragen zich frivool. De Kol
Bo leert hieruit dat frivoliteit op Chol HaMo’eed een ernstigere
overtreding is dan het doen van melacha. Het doel van Jom
Tov en Chol HaMo’eed is om dichter bij Hasjem te komen in liefde
en ontzag en om Zijn Heilige Tora te leren (Misjna Beroera 530:2).
De Titel van dit traktaat:
De Gaoniem en Risjoniem hadden vele
namen voor dit traktaat. Sommigen noemden het Mesechet Masjkien,
gebaseerd op het eerste woord van dit traktaat (zoals traktaat
Beitsa genoemd is naar het eerste woord in dat traktaat). Onbewust
hiervan verving een uitgever eens het woord
„Masjkien”
in een zin van de Ran op traktaat Beitsa (9a s.v. Mihoe)
door het word
„Mo’eed
Katan.” De uitgever veronderstelde dat het een misdruk was in de
vroegere uitgaven van de Ran.
In de loop van de jaren raakte de
titel Masjkien in onbruik en werd vervangen door
„Mo’eed
Katan”, hetgeen
„Klein
feest” betekent. Deze naam werd gekozen, omdat Mo’eed Katan Chol
HaMo’eed bespreekt, hetgeen minder zwaar is in zijn wetten en
voorschriften dan andere Jamiem Toviem. Sommigen gebruiken de
titel
„Mesechet
Aweel” – Rouw-trataak – omdat dit traktaat veel wetten betreffende
de rouw bevat.
De gecompliceerdheid van de wetten
van Chol HaMo’eed:
Eén van de meest gecompliceerde
aspecten van Chol HaMo’eed is, dat iedere regel een wereld op
zichzelf lijkt. Het is erg moeilijk om een algemeen principe op te
stellen van wat is toegestaan en wat verboden is. Zelden vinden we
een onderwerp van Halacha met zoveel radicaal tegengestelde
meningen van de Poskiem. Zoals de Gemara zelf zegt (12a):
„De
wetten van Chol HaMo’eed zijn steriel en kunnen niet van andere
wetten geleerd worden.” Rasji legt uit, dat zij te vergelijken
zijn met een vrouw die onvruchtbaar is en geen kinderen kan
krijgen. Zo ook kan de ene halacha niet uit de andere worden
afgeleid.
Door alle generaties heen hebben de
Poskiem de nadruk op deze moeilijkheid gelegd, ieder in zijn eigen
woorden. De Joséf Omets schrijft:
„Chol
HaMo’eed heeft vele halachot, die alleen maar kunnen worden
begrepen bij intensieve studie. Een haarbreed verschil in
redenering kan onderscheid maken tussen wat is toegestaan en wat
verboden is.” De Ma’adanei Jom Tov schrijft in zijn inleiding tot
de wetten van Chol HaMo’eed:
„Slechts
weinigen zijn goed thuis in deze wetten.” De Pele Joëets schrijft:
„Velen
overtreden de Chol HaMo’eed-wetten onbewust. Daar sommige verboden
voor Jom Tov versoepeld zijn, veronderstelt men dat alles is
toegestaan. Een gewetensvol mens zal daarom uitzoeken wat is
toegestaan en wat verboden is, door de boeken en Tora-Geleerden te
raadplegen.”
&
Uit Daf Yomi Digest van het Ruben Shas Kolel
Mo’eed Katan 4b
De extra
inspanning van een extra amma
De Misjna zegt dat het toegestaan is om een irrigatiekanaal dat is
beschadigd, te herstellen op Chol HaMo’eed.
De Gemara vraagt: Wat voor schade wordt er hier bedoeld?
R. Abba antwoordt: Wanneer een irrigatiekanaal oorspronkelijk 6
tefachiem diep was en het is dichtgeslibt totdat het nog
slechts 1 tefach diep is dan mag men 5 tefachiem
uitbaggeren.
De Gemara vraagt: Het is duidelijk dat men een kanaal van 3
tefachiem diep, dat tot een ½ tefach is dichtgeslibt,
niet mag uitbaggeren, want het water kan niet behoorlijk stromen
door een kanaal van slechts 3 tefachiem diep [dus dat is
nutteloze inspanning]. En het is ook duidelijk dat men een kanaal
van 12 tefachiem diep, dat is dichtgeslibt tot twee
tefachiem ook niet mag uitbaggeren, want het vergt te veel
inspanning om 10 tefachiem uit te baggeren. Maar hoe zit
dat met een kanaal van 7 tefachiem diep, dat is
dichtgeslibt tot 2 tefachiem diep. Mag men die 5
tefachiem uitbaggeren, zoals in het voorbeeld van R. Abba, of
is dat in dit geval te veel inspanning omdat hij zich nu één
tefach dieper moet buigen [n.l. tot 7 tefachiem) en is
dat daarom verboden?
De Gemara heeft er geen antwoord op.
Iemand huurde eens arbeiders om een irrigatiekanaal rond zijn land
te graven, 50 ammot in het vierkant en 11/3
amma [= 8 tefachiem – handbreedtes] diep. Aan de
westkant van zijn veld hadden de werkers slechts één amma
diep gegraven over de hele lengte van het veld, in plaats van de
vereiste 11/3
amma.
De eigenaar betaalde de werkers wat hen toekwam, nadat hij het
nodige voor het incomplete werk had afgetrokken en huurde twee
andere arbeiders voor het resterende werk, zodat het veld overal
gelijkmatig bevloeid zou worden.
De eerste arbeider ging aan het werk en groef over de hele lengte
het kanaal
1/6
amma dieper uit, de helft dus van de vereiste
1/3
amma, en liet de resterende
1/3
amma voor zijn collega over.
Toen de tweede arbeider zag wat er gebeurd was, werd hij kwaad,
omdat hij nu het diepere deel van het kanaal moest graven, hetgeen
meer inspanning vergde. Waarom had die niet de halve lengte tot
1/3
amma uitgegraven, om voor hem de andere helft over te
laten? Hij eisde van de eerste arbeider compensatie.
De zaak kwam voor de Ben Iesj Chai zt”l. Na beiden gehoord
te hebben, gaf de Ben Iesj Chai zijn mening:
„De
juiste benadering hier is te vinden in Mo’eed Katan 4b, waar de
vraag wordt opgeworpen of het graven van een extra tefach
diep op Chol HaMo’eed is toegestaan om een verlies te voorkomen,
of verboden is omdat dit te veel inspanning vergt. Hoewel de
Gemara de vraag of dit is toegestaan op Chol HaMo’eed onbeantwoord
laat, is het duidelijk dat de Gemara dit dieper graven daar als
extra inspanning vergt. In een financiëel geschil moeten we dit
zeker in beschouwing nemen. Een expert moet de extra inspanning
berekenen die nodig is om deze extra
1/6
amma
graven in geldwaarde uit te drukken en de arbeider die het diepere
gedeelte van het kanaal moest graven, moet dat verschil uitbetaald
krijgen!
&
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach
Mo’eed Katan 5a
Wanneer
Rav Jannai had een leerling die hem constant moeilijke vragen
stelde tijdens zijn Talmoed-lessen. Maar wanneer het Sjabbat of
Jom Tov was, stelde deze leerling zijn vragen niet. Rav Jannai
prees hem daarvoor en citeerde daartoe Tehilliem (50:23),
waar beloofd wordt dat wie zijn levensweg zorgvuldig inricht, de
G-ddelijke Verlossing mag aanschouwen.
Rasji legt uit dat de reden waarom de leerling op die speciale
dagen zijn moeilijke vragen niet stelde, was omdat hij bang was
dat Rav Jannai er misschien geen antwoord op zou kunnen geven,
hetgeen beschamend voor hem zou zijn en daar er op die dagen
altijd een groot publiek kwam luisteren naar de voordrachten van
Rav Jannai, wilde hij hem deze vernedering besparen. Het
onderscheid dat deze leerling maakte tussen de juiste tijd om
moeilijke vragen te stellen en wanneer hij zijn mond moest houden,
beschouwde R. Jannai als een vervulling van wat de Tehilliem
noemt „een
zorgvuldig gedrag.”
Maharsja heeft problemen met Rasji’s benadering, omdat het
onacceptabel is dat R. Jannai het gevaar liep vernederd te worden,
omdat hij een vraag niet zou kunnen beantwoorden, en bovendien is
het beschreven gedrag van de leerling niet precies een voorbeeld
van iemand die „zijn
levensweg zorgvuldig inricht.”
De verklaring die hij biedt is gebaseerd op een fascinerende
analyse van mogelijke uitdagingen die iedere Tora-student
ondervindt:
De problemen die wij tegenkomen in Tora zijn te splitsen in twee
categorieën. Eén is de uitdaging van een klaarblijkelijke
tegenstelling tussen een bewering in de Gemara en een andere bron,
zoals een Misjna of Baraita. De ander is de uitdaging tot de
noodzaak om zo’n bewering te maken, daar de informatie die erin is
weergegeven, al aan ons bekend is, hetzij, omdat het al gestaan
heeft in een van de daarvoor genoemde bronnen, of omdat het volgt
uit eenvoudige logica.
Dit waren de soort vragen die de Talmoed-student van R. Jannai hem
dagelijks stelde. Op de Sjabbatot en feestdagen, wanneer hij zijn
lezingen hield voor een groot publiek, was het onderwerp daarvan
zo eenvoudig van aard, dat er geen uitdagende tegenstellingen
waren. Hij zou ook absurd zijn voor welke van zijn geleerde
studenten dan ook om hem op die dag uit te dagen over de noodzaak
om dingen te onderwijzen, die reeds algemeen bekend waren, omdat
die kennis niet aanwezig was bij het gewone volk dat daar aanwezig
was om de lezing op die dagen aan te horen.
Waarom nam de leereling dan de moeite om naar die lezing toe te
komen, als hij daar niets te horen kreeg, wat hij nog niet wist?
Het antwoord is dat hij een evaluatie maakte van de G-ddelijke
beloning die hij zou krijgen voor de
„weg
die hij bewandelde” van zijn huis naar het Beit Hamidrasj om de
lezing bij te wonen. Rav Jannai verklaarde dat het vers in
Tehilliem dit beschrijft als iets dat de beloning verdient om
„de
G-ddelijke Verlossing te mogen aanschouwen,” G-ddelijke
assistentie bij het ontdekken van nieuwe inzichten in de simpele
onderwerpen van de lezing, welke inzichten hij niet zou krijgen op
basis van zijn eigen intellectuele capaciteiten.
&
Mo'eed Katan 8b-9a
Geen vermenging van vreugdes
Op Chol HaMo’eed – de tussendagen van Pesach en Soekot – wordt
niet getrouwd. De reden hiervoor, zegt de Misjna, is dat trouwen
een rede van vreugde is.
Deze reden wordt met verwondering begroet in de Gemara. Ons
traktaat is gevuld met voorschriften die regelen welke soorten
werkzaamheden gedaan mogen worden op deze dagen, omdat, zoals
Rasji uitlegt, Tora ons meedeelde dat sommige werkzaamheden
verboden zijn op Chol HaMo’eed en dat Tora het aan de Geleerden
heeft overgelaten om te bepalen welke dat zijn. Maar waarom zou
een chatoena – huwelijksvoltrekking – verboden zijn,
speciaal omdat het iets vreugdevols is?
De Geleerden van de Talmoed noemen verschillende redenen. Een
daarvan is, dat het onjuist is om
„het
ene feest met het andere te vermengen.” De simcha die men
heeft van de chatoena maakt het onmogelijk om zich nog op
de simcha van het feest te concentreren.
Een tweede verklaring gaat een stapje verder: de simcha van
de chatoena zal ertoe leiden dat men de simcha van
het feest verwaarloost en dat gaat tegen het Tora-gebod (Dewariem
16:14) in, dat „je
je moet verheugen in je feest”, hetgeen de
„vreugde
voor je nieuwe vrouw” uitsluit.
Terwijl deze twee verklaringen draaien rondom de competitie tussen
de simcha van de trouwerij en die van het feest, keert Oela
terug naar de basis van de beperkingen op het werken op Chol
HaMo’eed. Daar een Jood bezorgd zal zijn voor de behoorlijke
voorbereiding van de grote simcha van zijn
huwelijksfeest, zal hij daar veel werk in steken en zoveel
extra inspanning is verboden op Chol HaMo’eed.
R. Jitschak vult de lijst met verklaringen aan door erop te wijzen
dat trouwen zulk een grote gelegenheid is voor simcha, dat
een Jood de neiging zou hebben om het huwelijksfeest uit te
stellen tot het feest, wanneer dat zou zijn toegestaan, want dan
is hij vrij van zijn werk en toch al in een feestelijke stemming.
Een dergelijk uitstel, hetgeen soms kan oplopen tot een half jaar,
stelt ook de belangrijke mitswa van het kinderen voortbrengen uit.
Deze verklaring is de eerste die het niet heeft over het vermengen
van simcha’s.
De Gemara geeft ons de bron van de regel dat men geen simcha
met simcha vermengt:
Toen Sjlomo HaMelech het Beit HaMikdasj inwijdde, liet hij het
hele volk zeven dagen lang vóór Soekot feestvieren (I Melachiem
8:65). Waarom stelde hij de inauguratie-ceremonie niet uit tot
Soekot, zodat het volk beide feesten tegelijk kon vieren en minder
werktijd hoefde te verliezen? Het antwoord is dat dit een
vermenging van simcha’s zou zijn. Dat is de reden waarom
het hiervoor genoemde vers het heeft over twee aparte
feestvieringen van zeven dagen, om ons te leren dat men een
dergelijke vermenging niet doet. |