|
Door Rabbi Mendel Weinbach,
decaan Ohr Somayach
Jevamot 34b
De
deadline van tien jaar
De
dochter van Rabbi Chisda trouwde met de Geleerde Rava nadat
zij tien jaar weduwe was geweest. Toen zij zwanger werd,
veroorzaakte dat een opschudding onder Rava’s collega’s, omdat
Rabbi Jochanan als natuurwet had verkondigd, dat een
vrouw die tien jaar ongetrouwd is geweest na haar eerste
huwelijk, niet in staat zou zijn om nog kinderen te
krijgen.
Rava’s
vrouw helderde het mysterie op door hem te informeren dat zij
tijdens haar weduwschap steeds in gedachten had weer te zullen
trouwen en de regel die door Rabbi Jochanan was uitgesproken,
was nader verklaard door Rav Nachman, dat als een vrouw in
gedachten heeft dat zij weer zal trouwen, zij dan zelfs na
tien jaar nog kinderen zou kunnen krijgen.
De
achtergrond voor deze dialoog wordt geleverd door Tosafot, op
basis van een gebeurtenis die vermeld staat in traktaat
Bava Batra (12b), en die dient als een illustratie dat
sedert de Verwoesting van het Beit HaMikdasj de
profetie van de Profeten is afgenomen en gegeven is aan
kinderen en dwazen. Rav Chisda’s jongste dochter zat op zijn
schoot toen twee van zijn leerlingen, de Geleerde Rava en Rami
bar Chama voor hem zaten. „Met
welke van deze twee wil je trouwen?” vroeg hij het kind.
„Met
beiden,” antwoordde zij, waarop Rava snel reageerde en zei:
„En met
mij het laatst.”
Zij
trouwde inderdaad eerst met Rami bar Chama en na diens dood
was zij er zeker van dat de profetie van haar kindertijd
bewaarheid zou worden en dat zij met Rava zou trouwen. Deze
laatste was echter al getrouwd en zij had tien jaar moeten
wachten totdat die vrouw stierf. Het feit dat zij al die jaren
in gedachte had dat zij met Rava zou trouwen, redde haar van
het verlies van de mogelijkheid om kinderen te
krijgen.
Op basis
van deze „natuurwet”
en de beperking daarvan zoals die in onze Gemara wordt
beschreven, verklaart de Midrasj een pasoek in
Megillat Roet. Daarin ontmoedigt Naomi haar
schoondochter, die weduwe geworden is, om haar te vergezellen
naar Erets Jisraël in de hoop om daar te trouwen met een
andere zoon die Noami daar nog zou baren. „Ik ben
te oud geworden om nog een man te trouwen,” vertelt zij hen,
„en zelfs
al zou ik zeggen dat ik nog hoop heb, en zelfs al zou ik
vanavond nog met een man trouwen en dan zonen krijgen, kunnen
jullie dan zo lang wachten, totdat die zijn opgegroeid?”
(Roet 1:12).
Noami
verklaarde dat aangezien het tien jaar minus één dag was,
sinds haar man was overleden, haar mogelijkheid om nog
kinderen te krijgen in een nieuw huwelijk afhankelijk was van
één van twee dingen: 1) „Ik zeg
dat ik hoop heb,” – dat zij hoopte om nog eens te trouwen; of
2) „wanneer
ik vanavond een man zou trouwen,” voordat de tien jaar voorbij
zijn.
&
Jevamot 36b
Waar een
wil is, is een weg
Een
vader die de erfwetten wil omzeilen, kan een testament
opmaken, waarin hij het eigendomsrecht van al zijn bezittingen
aan zijn favoriete zoon overmaakt. Daar hij echter nog gebruik
wil maken van zijn bezittingen zolang als hij leeft, bepaalt
hij dat deze bezittingen van zijn zoon zullen zijn
„vanaf
vandaag en na zijn dood.” Dit betekent dat zolang hij leeft
hij gerechtigd is tot alle opbrengsten van zijn bezittingen
(„Kinjan
perot”) en de
zoon, die al het eigendom van de hoofdsom heeft
verkregen, („kinjan
hagoef”,
verkrijgt het volledige eigendomsrecht na de dood van zijn
vader.
Daar
zowel vader als zoon iets over de bezittingen te zeggen
hebben, kan geen van hen onafhankelijk van de ander die
bezittingen rechtstreeks verkopen. Wanneer de zoon ze toch
verkoopt, dan verkrijgt de koper pas het volle eigendom
daarvan, nadat de vader is overleden. Wat gebeurt er echter
wanneer de zoon ze verkoopt en vervolgens overlijdt, terwijl
zijn vader nog leeft?
Rabbi
Jochanan meent dat de koper geen recht op de bezittingen kan
doen gelden, zelfs niet nadat de vader uiteindelijk is
oveleden, omdat de kinjan perot niet sterk genoeg is om
een dergelijke verkoop te voorkomen, De enige manier waarop
hij het eigendom ervan kan verkrijgen, is wanneer de vader
eerst komt te overlijden en de zoon dan het volledige
eigendomsrecht heeft vekregen.
Rabbi
Sjim’on ben Lakisj (Reisj Lakisj) verwerpt dit standpunt en
beslist dat de kinjan perot van de vader niet sterk
genoeg kan zijn om een de realisatie van een dergelijke
verkoop ten gunste van de koper te verhinderen.
Hoewel
de algemene regel is dat de halacha volgens Rabbi Jochanan is,
is dit één van de drie gevallen die de Gemara noemt, waar de
halacha volgens Reisj Lakisj is.
&
Jevamot 37b
Het stille
bedrog
„Men moet
niet een vrouw trouwen met de bedoeling om van haar te
scheiden,” zegt Rabbi Eliëzer ben Ja’akov in onze Gemara en
hij baseert zich daarbij op het gezegde in Misjlee
(3:29) dat „men niet
stiekem kwade plannen moet smeden tegen iemand die hem
voldoende vertrouwt om met hem samen te leven.”
De
commentatoren verwijzen ons echter naar een andere Gemara (in
Traktaat Gittien 90a), waar dit vers gebruikt wordt
door de Geleerde Rava om een man te verbieden met zijn vrouw
samen te leven als hij in het geheim van plan is van haar te
scheiden. De kinderen die uit een dergelijk huwelijk, waar
zulke gedachten gekoesterd worden, geboren zijn, worden
nadelig beïnvloed en worden (in traktaat Nedasriem 20b)
als „kinderen
van iemand met scheiding in zijn hart” aangeduid.
Het
meest interessante is het woord, dat in het bovengenoemde vers
gebruikt wordt om het werkwoord aan te duiden dat het bedrog
tegen de „vertrouwende
vrouw” omschrijft. Tacharosj betekent letterlijk
‘ploegen’. Wat dat te maken heeft met de man die stiekem een
scheiding tegen zijn vrouw beraamt, wordt op twee manieren
verklaard.
Rasji
verklaart dat net zoals iemand de aarde ploegt om die voor te
bereiden voor beplanting, zo bereid de intrigant de grond voor
op de uitvoering van zijn snode plannen.
Maharsja
echter, prefereert om dit woord in verband te brengen met
cheresj, hetgeen stilte of geheim betekent en dat de
gedachten aan de echtscheiding beschrijft, die deze
verraderlijke echtgenoot verbergt.
&
Daf 39b
De
geprefereerde mitswa
Als een
man kinderloos sterft, dan is het voor zijn broer een mitswa
van Tora om jibboem te doen met de weduwe, door met
haar te trouwen. In dat geval schuift Tora ten behoeve van
deze mitswa het verbod opzij, dat een man niet met de vrouw
van zijn broer mag trouwen, zelfs niet nadat die broer haar
gescheiden heeft of is overleden.
Maar hoe
zit dat als de broer niet met de weduwe wil trouwen wegens de
mitswa, maar wegens haar schoonheid, of om een andere reden?
De Geleerde Abba Sjaoel beschouwt dit als een geval dat grenst
aan een overtreding van het verbod op het trouwen met de vrouw
van een broer en hij overweegt zelfs of het kind dat uit een
dergelijk huwelijk geboren wordt, wellicht een mamzer
is. De andere Geleerden zijn het hier niet mee eens en menen
dat ongeacht het motief, de jibboem een geldige
uitvoering van de mitswa is.
Deze
twee tegengestelde meningen bepalen of we vandaag de dag
jibboem of het alternatief, chalitsa aanbevelen.
De Misjna in traktaat Bechorot (13a) die in onze Gemara
wordt aangehaald, verklaart dat in vroegere generaties, toen
de mensen nog de juiste instelling hadden en jibboem
deden voor de mitswa, het de voorkeur had om jibboem te
doen. Daar in latere generaties de mensen jibboem
gingen doen om andere redenen en niet voor de mitswa,
verdiende het de voorkeur dat men chalitsa zou doen.
Dit laatste is duidelijk in lijn met het standpunt van Abba
Sjaoel.
De
Geleeerde Rami Bar Chama echter, citeert Rabbi Jitschak die
gezegd zou hebben dat dit standpunt om de mening van Abba
Sjaoel te steunen, vervolgens verlaten werd ten gunste van de
mening van de Geleerde, zodat zelfs tegenwoordig
jibboem nog de voorkeur zou hebben.
Er is
een grote discussie tussen de commentatoren of we oordelen
volgens Abba Sjaoel of de Geleerden. Rif noemt de verklaring
van Rami bar Chama als steun voor het standpunt van de andere
Geleerden en concludeert daarom dat jibboem de voorkeur
heeft. Rabbeinoe Tam van de Tosafisten en Rabbeinoe Chananel
paskenen als Abba Sjaoel en concluderen dat chalitsa de
voorkeur heeft.
De
geaccepteerde praktijk in bijna iedere Joodse gemeenschap is
tegenwoordig om jibboem te vermijden en chalitsa
te doen.
&
|