|
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan
Ohr Somayach
Jevamot 65b
Wanneer een leugen gerechtvaardigd is
Onmiddellijk na de dood van hun vader Ja’akov zonden Joséfs broers
een boodschap aan Joséf dat Ja’akov vóór zijn overlijden gevraagd
had dat zij er bij Joséf in zijn naam op zouden aandringen om hen
het kwaad, dat zij gedaan hadden, te vergeven. Ja’akov had
natuurlijk nimmer een dergelijk verzoek gedaan, en hieruit
concludeert Rabbi Elazar ben Sjim’on dat men van de waarheid mag
afwijken, om vredevolle relaties te onderhouden.
Maar men kan nu vragen waarom Ja’akov de wrokgevoelens van Joséf
tegenover zijn broers niet aan-voelde en niet zo’n verzoek deed
tijdens zijn leven?
Ramban (op Bereisjiet 45:27) beweert dat Ja’akov nooit
geweten heeft dat Joséf door zijn broers in ge-vangenschap
verkocht werd. Ja’akov had altijd verondersteld dat Joséf was
opgepakt door slavenhande-laren, terwijl hij door de velden zwierf
en vervolgens door hen aan de Egyptenaren was verkocht. De broers
vertelden het hem nooit, uit angst dat hij woedend zou worden en
hen zou vervloeken, zoals hij Reoeveen, Sjim’on en Levi vervloekt
had voor andere zonden. Joséf, aan de andere kant, was te ethisch
om deze zaak aan zijn vader te onthullen.
Rasji, in zijn commentaar op de Choemasj, heeft een andere
benadering. Ja’akov wist wel degelijk wat er gebeurd was, maar hij
veronderstelde niet dat zijn rechtschapen zoon wrokgevoelens
koesterde, die zou-den kunnen leiden tot een bloedwraak, en daarom
zag hij geen noodzaak om voor vergeving te vragen. De vraag komt
dan op waarom de broers hem daarvan verdachten en het nodig vonden
om deze „leugen
om bestwil” te vertellen?
Maharsja suggereert dat de verdenking pas na de dood van Ja’akov
opkwam, zodat er geen noodzaak voor hen was om de interventie van
hun vader te zoeken, terwijl hij nog leefde. De Midrasj (Bereisjiet
Rabba 100:8) noemt twee dingen die gebeurden, en welk hun
verdenking aanwakkerde, doordat zij Joséfs bedoe-lingen verkeerd
interpreteerden. De ene was het feit dat Joséf gestopt was om hen
uit te nodigen om met hem te dineren, omdat hij niet wilde
doorgaan de plaats aan tafel in te nemen, die zijn vader
gearrangeerd had, namelijk aan het hoofd van Jehoeda, de koning en
de voorvader van de koningen van het Joodse volk, en aan het hoofd
van Reoeveen, de eerstgeborene. Maar hij was ook niet in staat om
hen aan het hoofd te zetten, gezien zijn koninklijke status in
Egypte, en daarom besloot hij hen niet meer uit te nodi-gen.
Het tweede ding was dat Joséf, toen hij terug kwam van de
begrafenis van zijn vader, in de put keek, waar zijn broers hem in
hadden gegooid. Joséf deed dit om een dankgebed tot de Hemel uit
te spreken voor zijn wonderbaarlijke redding van de dood. Hoewel
zijn motieven in beide gevallen prijzenswaardig waren, wekten zij
de verdenking van zijn broers op, dat de wrok die zich tijdens het
leven van hun vader had opgehoopt, nu naar buiten kwam en dat
bracht hen ertoe om te liegen, om de vrede te bewaren.
De grenzen van diskwalificatie
Jevamot 69a
Wanneer een Kohen Gadol een verhouding heeft met een
weduwe, hetgeen door Tora verboden is, dan mag zij niet profiteren
van de voordelen van het priesterschap. Wanneer zij de dochter van
een
kohen
is, mag zij niet langer meer teroema eten, hetgeen zij tot
nu toe wel mocht en zelfs al komt zij niet uit een familie van
kohaniem,
dan is het haar toch verboden om met een
kohen
te trouwen.
Is deze wet beperkt tot de overtreding van de vrouw met betrekking
tot de verheven status van de Kohen Gadol, of geldt
dezelfde diskwalificatie ook ten gevolge van andere verboden
relaties?
Over deze vraag bestaan drie verschillende meningen. De bron voor
allen is hetzelfde – de expliciete situa-tie van de Kohen Gadol.
Zij verschillen echter wanneer het gaat om het trekken van
parallelen met dit geval.
De eerste Geleerde (in de Baraita die op daf 68a genoemd wordt),
verklaart dat iedere verboden relatie resulteert in
diskwalificatie. Net zoals de verboden verhouding van de Kohen
Gadol met een weduwe, haar diskwalificeert, zo wordt zij
gediskwalificeerd door iedere verboden relatie. [Dus wanneer een
Jodin, de dochter van een Jodin, gemeenschap heeft met iemand die
voor haar verboden is, zoals een mamzer, een bekeerling uit een
van de verboden volken
[1]
of een chalal, dan mag zij niet meer met een
kohen
trouwen en als zij de dochter van een
kohen
is, mag zij niet meer van de troema eten.]
Rabbi Jossi is het er niet mee eens en beperkt de diskwalificatie
voor die verboden relaties waarvan het verbod zich uitstrekt tot
de volgende generatie. d.w.z. dat alleen iemand, wiens kinderen
net als hij gedis-kwalificeerd zijn, de vrouw diskwalificeert met
wie hij gemeenschap had. Dit geldt voor bijna alle gevallen, met
uitzondering van een Egyptische of Edomitische bekeerling. De Tora
beperkte de huwelijksmogelijk-heid van een bekeerling van deze
volken door zijn eerste en tweede generatie te verbieden met een
Jood die geboren is uit een Joodse moeder. Voor de kleinzoon [de
derde generatie] van de bekeerling bestaat een dergelijk verbod
echter niet. Wanneer daarom een tweede generatie van een
Egyptische of Edomi-tische bekeerling een (dus) verboden relatie
had met een gewone Jodin, dan zou zij gediskwalificeerd zijn
volgens de brede definitie van de eerste Geleerde, maar niet
volgens Rabbi Jossi. Zijn criterium is, dat zoals de kinderen uit
de verboden verhouding tussen de Kohen Gadol en de weduwe
ook verboden zijn met een Jood te trouwen, zo ook wordt de moeder
gediskwalificeerd. Maar dit geld dus niet voor de kinderen van de
tweede generatie Egyptische bekeerling. [Dat wil dus zeggen dat
volgens Rabbi Jossi, als een kind van een Egyptische of
Edomitische bekeerling een verhouding heeft met een geboren Jodin
(hetgeen verboden is!), dan maakt hij haar niet ongeschikt voor de
troema of om met een
kohen
te trouwen, want zijn kinderen mogen wel met een geboren Jodin
trouwen. Maar als de bekeerling zelf een verhouding heeft met een
geboren Jodin, dan maakt hij haar wel ongeschikt, want de kinderen
uit die verhouding zijn ook nog verboden om met een geboren Jodin
te trouwen.]
Een derde benadering is die van Rabbi Sjim’on ben Gamliël die zijn
beslissing als volgt formuleert:
„Alleen
als de dochter uit het verboden huwelijk van de vrouw ook verboden
is om te trouwen met de verboden partner van haar moeder, is de
moeder gediskwalificeerd.” Ook dit geldt voor bijna alle gevallen,
met uitzondering van de tweede generatie van de bekeerlingen van
Rabbi Jossi. Hij gaat echter een stap verder, en past dit ook toe
op de verhouding van een vrouw met een Ammonitische of Moabitische
bekeerling. De Tora verbiedt de mannelijke bekeerlingen afkomstig
van deze volken voor alle generaties om te trouwen met een vrouw,
die geboren is uit een Joodse moeder, maar deze beperking geldt
niet voor vrouwelijke bekeerlingen [zoals Roet de Moabitische].
Daar de diskwalificatie van de weduwe door de Kohen Gadol
zich uitstrekt tot zowel de mannelijke als vrouwelijke
nakomelingen, kan deze diskwalificatie niet ook gelden voor het
geval van een vrouw die een relatie had met een bekeerling
afkomstig van Moav of Ammon, want zijn dochters kunnen gewoon met
een geboren Jood trouwen. [Het verschil tussen Rabbi Jossi en
Rabban Sjim’on ben Gamliël is dus dat Rabbi Jossi diskwalificeerd,
ongacht of beide kinderen, mannelijk of vrouwelijk verboden zijn,
terwijl Rabban Sim’on ben Gamliël daar wel verschil tussen maakt.]
|