|
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr
Somayach
Een gat van veertig jaar
Jevamot
72a
Wanneer Tora vertelt dat de Israëlieten een jaar na hun exodus
uit Egypte een Korban Pesach [Pesach-offer] brachten,
dan kan dat worden opgevat als een kritiek, in plaats van een
lofuiting, zeggen onze Geleerden (Sifri, Bamidbar
9), omdat dit het enige Korban Pesach was gedurende de veertig
jaar in de woestijn.
De reden waarom zij deze offers niet brachten, is dat zij de
jongetjes die in de woestijn geboren waren, niet besneden
hadden en een kind dat niet besneden is, maakt dat zijn vader
geen Korban Pesach mag offeren. Maar, vraagt de Talmoed,
waarom deden zij de besnijdenis niet totdat zij veertig jaar
later in Erets Jisraël kwamen?
Hiervoor worden twee redenen opgegeven. De eerste is dat de
inspanning van het reizen een gevaar vormde voor het leven van
het pas besneden kind. Een andere reden is dat de noorder
wind, die nodig is opdat de genezende stralen van de zon op
hen konden schijnen, overdag niet waaide gedurende al die
jaren, zodat het gevaarlijk was om te besnijden.
Als dat zo is, vraagt Tosafot, waarom werd het volk dan
bekritiseerd dat zij hun kindeen niet besneden? Zij konden
daar immers niets aan doen? Zelfs als wij de kritiek verklaren
op grond van het idee dat zij de langdurige zwerftocht door
de woestijn aan zichzelf te danken hadden, ten gevolge van de
zonde van de verspieders, dan nog hadden zij niet
gediskwalificeerd hoeven te worden voor het brengen van het
Korban Pesach, net zoals een baby onder de acht dagen zijn
vader niet weerhoudt om het Korban Pesach te brengen, omdat
hij nog niet toe is aan de besnijdenis. Ook in dat geval is de
vader onschuldig. Dus, zo zegt Tosafot, zouden de vaders ook
niet schuldig zijn aan het niet brengen van het Korban Pesach
in de woestijn, omdat zij hun kinderen niet besneden hadden.
De commentatoren geven een antwoord op de vraag van Tosafot.
Er moet een scherp onderscheid gemaakt worden tussen de status
van een kind dat nog niet oud genoeg is om te worden besneden
en een kind dat daar wel oud genoeg voor is, maar dat om
medische redenen niet besneden kan worden. Het eerste kind
wordt niet beschouwd als een onbesneden areel, want de
mitswa van de besnijdenis rust nog niet op hem. Daarom kan hij
zijn vader niet diskwalificeren als areel. Degenen in
de tweede categorie echter, worden beschouwd als areliem
[meerv. v. areel], want de mitswa rust op hen en de
hulpeloosheid om de besnijdenis uit te voeren, verandert niets
aan hun status. Het kan worden vergeleken met de klassieke
areel die aan het begin van ons hoofdstuk genoemd werd –
iemand die niet besneden is, omdat zijn broers aan de
besnijdenis waren overleden, is een indicatie voor een zwakte
in de familie, hetgeen een gevaar voor het leven betekent.
&
Alleen de mannen
Jevamot
76b
Toen Koning Sjaoel zag hoe perfect de koninklijke wapenrusting
paste, waarin hij David gekleed had voor zijn historische
ontmoeting met Goliat, verdacht hij deze jongeman ervan dat
hij op een zekere dag hem als koning zou vervangen. Toen hij
een onderzoek liet instellen naar de afkomst van David, stelde
zijn adviseur Doëeg de Edomiet vragen bij Davids legitimiteit,
daar hij een nakomeling van de Moabitische bekeerlinge Roet
was, en de Tora zegt duidelijk (Devariem 23:4) dat „een
Ammoniet of een Moabiet niet mag trouwen in de gemeenschap van
Hasjem.”
Doëegs uitdaging werd weerlegd door Sjaoels generaal Avner,
die een regeling aanhaalde, waarin het verbod van Tora beperkt
wordt tot de mannen van die volken, en dat dit dus niet voor
de vrouwen geldt. Als verklaring voor deze selectiviteit wees
hij op het vers dat volgt op de ban, waar de reden voor deze
beperking wordt gegeven: „Omdat zij jou niet begroet hebben
met brood en water tijdens jullie reis uit Egypte, en omdat
zij Bilam gehuurd hebben… om je te vervloeken.” Daar het niet
de aard van vrouwen is om naar de grens te gaan om daar
gastvrijheid aan te bieden, is het duidelijk dat het verwijt
alleen de mannen geldt.
Hoewel deze verklaring voor het uitsluiten van vrouwen van
deze ban alleen toepasselijk is op het eerste deel van het
vers dat gaat over het gebrek aan gastvrijheid, strekt de
Jeruzalemse Talmoed (Jevamot 8:3) dit ook uit tot de
tweede helft, door te verklaren dat het de mannen waren en
niet de vrouwen die de diensten van Bilam huurden.
Er ontstaat een probleem betreffende de kennelijke
beschuldiging aan het adres van beide volken, dat zij geen
voedsel verschaft hadden. In Devariem 2:29 vertelt
Mosjé aan Sichon, de Emoritische Koning, dat de Moabieten wel
voedsel en drinken verschaft hadden aan zijn volk toen zij
door hun land trokken. Dit leidt Ramban ertoe om te
concluderen dat er twee gescheiden aanklachten opgesloten
zitten in het hierboven genoemde vers. Zowel Ammon als Moav
waren nakomelingen van Lot, die uit krijgsgevangenschap door
Avrahem gered was. Dankzij Avrahams verdiensten werden hun
moeders, de dochters van Lot en Lot zelf, gered van de
vernietiging van Sedom. In plaats van deze goedheid terug te
betalen, door iets goeds te doen voor de nakomelingen van
Avraham, was elk van hen schuldig aan een slechte daad. Ammon
weigerde voedsel en drinken te geven en Moav, hoewel niet
schuldig aan deze zonde, was verantwoordelijk voor het huren
van Bilam, om Avrahams nakomelingen te vervloeken.
&
Levensonderhoud of privilege?
Jevamot
78a
Tijdens de regering van Koning David heerste er gedurende drie
jaar een droogte. Na te hebben onderzocht aan welke zonden het
volk schuldig was, om een dergelijke straf te verdienen en hij
dat niet kon vinden, wendde David zich tot de Hemel voor een
richtlijn, door de Oeriem weToemiem te raadplegen. Het
antwoord was dat zijn voorganger, Koning Sjaoel, schuldig was
aan het doden van de Givonitische bekeerlingen.
Waar, zo vraagt de Talmoed, vinden we dat Sjaoel Givonieten
gedood heeft? Het antwoord is dat hij de
Kohaniem
in de stad Nov liet uitroeien, omdat hij hen ervan
beschuldigde dat zijn samenzweerden met zijn rivaal David.
Daar deze
Kohaniem
de bron voor water en voedsel waren van de Givonieten, werd
dit beschouwd alsof hij hen gedood had.
Rasji legt uit dat het levensonderhoud van de Givonieten
bestond uit hun diensten aan de
Kohaniem
van Nov, die hen voor deze diensten betaalden met voedsel en
drinken. Dus toen Sjaoel de
Kohaniem
van Nov uitmoordde, beroofde hij de Givonieten van hun bron
van inkomsten, iets wat gelijk staat aan moord.
Maharsja is het niet eens met deze verklaring en hij vraagt
aandacht voor het antwoord van de Givonieten, toen David
trachtte hen te verzoenen, om op deze manier een einde te
brengen aan de droogte. Zij weigerden te verzoenen, met het
argument: „Wij hebben geen rekening van zilver of goud met
Sjaoel en zijn familie te vereffenen.” In plaats daarvan
eisten zij de executie van zeven van zijn nakomelingen.
Wanneer het enige verlies van de Givonieten bestond uit het
verlies van hun bron van levensonderhoud, waarom kon dat dan
niet gecompenseerd worden met goud en zilver?
Zijn conclusie is daarom, dat de Hemelse aanklacht tegen
Sjaoel geen betrekking had op het levensonderhoud waar de
Kohaniem
voor zorgden, maar dat het ging om het feit dat de Givonieten,
in hun klassieke rol van „waterdragers en houthakkers” het
belangrijke privilege genoten om de
Kohaniem
in hun behoeften te voorzien – water om te drinken en hout om
te koken. Toen Sjaoel de
Kohaniem
vermoordde, verloren de Givonieten dit privilege: dit stond
gelijk aan de dood, hetgeen niet door zilver en goud
gecompenseerd kon worden.
&
Wanneer afstamming van vaders kant werkt
Jevamot
78b
Het is axiomatisch dat een kind, geboren uit een Joodse vader
en een niet-Joodse moeder niet als Jood beschouwd wordt.
Immers, de Joodse wet erkent patrilineale afstamming niet voor
het Jood-zijn. Andere volken gaan echter juist wel volgens de
patrilineale afstamming om de status van het kind vast te
stellen.
Rabbi Jochanan past deze regel toe op een geval van een
Kenaänitische vrouw die een kind krijgt van een man die niet
behoort tot een van de zeven volken die de Joden moesten
uitroeien. Dat kind wordt niet als een Kenaäniet beschouwd,
zoals zijn moeder en hoeft dus niet gedood te worden en hij
mag daarom gekocht worden als slaaf, daar hij de status van
zijn vader heeft.
Deze regeling wordt door onze commentatoren gebruikt om een
vers in Tora te verklaren, dat het heeft over een Joodse
godslasteraar. Hij wordt beschreven als „de zoon van een
Israëlitische vrouw en een Egyptische man ging uit naar het
kamp van de Israëlieten” (Vajikra 24:10). Rasji verklaart dat
hij tot het Jodendom bekeerd was. Tosafot vraagt waarom dat
nodig was, als zijn moeder Joods was. Hij antwoordt dat
aangezien de verhouding tussen de Egyptenaar en de Jodin
plaatsvond voordat de Joden de Tora kregen [Rasji zegt dat de
Egyptische vader dezelfde Egyptenaar was die Mosjé in Egypte
doodde omdat hij een Israëliet sloeg] ook voor de Joden de
patrilineale afstamming gold, net als voor alle andere volken
en de godslasteraar moest als een Egyptenaar beschouwd worden,
die de ceremonie van de bekering moest ondergaan om Jood te
worden.
&
Aangeboren of verworven
Jevamot
79a
„Er zijn drie eigenschappen die het Joodse volk van andere
volken onderscheidt: ze zijn barmhartig, ze zijn verlegen en
zijn doen veel aan liefdadigheid.”
Dit is hoe Koning David zijn volk aan de Givonieten
beschrijft, die de executie van zeven zonen van Koning Sjaoel
eisten als wraak voor hun lijden dat hij veroorzaakt had.
„Alleen iemand die deze drie karaktereigenschappen heeft,”
concludeert hij, „is geschikt om zich bij ons volk aan te
sluiten.” [Misschien ook iets waar de Batei Din van
tegenwoordig op zouden moeten letten bij hun oordeel of iemand
als ger moet worden toegelaten (Zwi).]
Daar de onredelijke eis van de Givonieten duidelijk toonde dat
zij deze karaktereigenschappen misten, besliste David dat zij
de speciale status van netiniem zouden hebben en
beperkt waren in hun huwelijksmogelijkheden binnen het
Joodse volk.
Hoewel men hieruit de indruk zou krijgen dat deze
eigenschappen in de „genen” van de Joden zou zitten, wordt er
door Maharsja op gewezen dat dit niet het geval is. Het is
waar dat G-d getuigd heeft dat Avraham Avinoe zijn kinderen
rechtvaardigheid deed erven (Bereisjiet 18:19), maar de andere
eigenschappen waren unieke giften van G-d aan Zijn volk. „Hij
zal je [de eigenschap van] barmhartigheid schenken.” Dit was
een speciale gift van G-d,
zoals ook de bescheidenheid die mee kwam met de schenking van
Tora (Sjemot 20:17).
&
De missende Levieten
Jevamot 86b
Hoewel Tora maäser risjon (het eerste tiende van
landbouwproducten) aan de Levieten toekent, hebben zij hun
recht op deze belangrijke bron van inkomsten verloren ten
gevolge van een boete die hen door Ezra werd opgelegd:
„Ik heb hen verzameld,” schrijft Ezra over de Joden die hij
uit Babylon naar Erets Israel leidde tegen het einde van de
zeventig-jarige ballingschap, „en ik trof onder hen geen
Levieten aan” (Ezra 8:15). Geërgerd door het feit dat de
Levieten niet bereid waren zich aan te sluiten bij de pogingen
om Erets Israël opnieuw bewoonbaar te maken, strafte hij hen
door te verordenen dat de maäser niet langer aan hen
gegeven zou worden. Volgens één mening zou de maäser
alleen nog aan de armen gegeven worden. Volgens een andere
mening zou het ook aan de
Kohaniem
gegeven kunnen worden, wanneer zij onrein waren, en zij niet
van de troema mochten eten, waardoor zij verarmden.
Het probleem met deze verklaring is, zoals Tosafot opmerkt,
dat de Misjna in Kiddoesjien (69a) de Levieten expliciet
opnoemt als één van de tien groepen die uit Babylon naar Erets
Israël optrokken. Dit blijkt ook duidelijk uit het vers (Ezra
1:5) waar de Levieten opgenoemd worden onder degenen die
geïnspireerd werden om Ezra te volgen op zijn missie om het
Beit HaMikdasj in Jeruzalem te herbouwen.
Rasji (in Kiddoesjien 69a) geeft het antwoord op dit mysterie.
Toen de Babylonische machthebber Nevoechadnetsar de Joden
gevangen nam, gaf hij opdracht dat zij voor hem de muziek
zouden spelen, die zij in het Beit HaMikdasj hadden gespeeld.
Hun heldhaftig antwoord staat opgetekend in Tehilliem
(137:2-4): „Wij hebben onze harpen aan de wilgenbomen langs de
rivieren van Babylon gehangen.” Zij hakten hun eigen duimen
af, opdat zij niet meer zouden kunnen spelen en protesteerden:
„Hoe kunnen wij het lied van Hasjem op vreemde grond zingen!”
[Deze Psalm wordt dagelijks op werkdagen na een broodmaaltijd,
vóór het dankgebed-na-de-maaltijd door tienduizende Joden over
de hele wereld gezegd (Zwi).]
De Levieten die in Babylon geboren waren, hadden de
mogelijkheid om hun muziekinstrumenten in het Beit HaMikdasj
te bespelen, maar alleen de duimlozen, keerden met Ezra terug.
Dit werd door Ezra beschouwd als een duidelijk gebrek aan
belangstelling om het Beit HaMikdasj te herbouwen en daar de
muziek van de Levieten weer te laten horen. Daarom strafte hij
hen met de maäser. |