|
||||
|
||||
|
|
||||
��\ �� ���� ��� ���� ���� Het belang van de � als bepaald lidwoord Iedere dag van het jaar werden er twee lammetjes geofferd in de Tempel, een �s ochtends en een �s middags. Dat offer wordt ‛olat tamid genoemd omdat het altijd [tamid] geofferd werd. Onze Gemara legt uit dat wij de tijd voor het tweede offer, bein ha�arbajiem, kunnen leren uit de pasoek die het ochtendoffer be�handelt: �Eén [echad] lam zul je in de ochtend brengen� [Bamidbar 28:4], dat wil zeggen dat het andere lam in de namiddag gebracht moet worden [dus bein ha�arbajiem betekent �middag� en niet de hele dag]. Wat is de concrete tekst in de Gemara? De Sjita Mekoebetset beweert dat er een fout staat in de Gemara. Het vers dat de Gemara wilde citeren is �het ene lam� [haechad] in Sjemot29:39. Echter de Rasjasj steunt de bestaande tekst en legt er de nadruk op dat de Gemara het vers in parasjat Pinchas wil citeren dat over het tamid handelt en niet het vers in Tetsawee, dat gaat over een tijdelijk gebod voor het tamid dat geofferd werd gedurende de zeven dagen van de inwijding van het altaar [miloeïem]. Ogenschijnlijk is deze discussie overbodig. Wat maakt het voor verschil, of er staat echad of haechad? Betekenen ze niet allebei �één�? Het verschil tussen echad en haëchad: Het genie, HaGaon Rav Jitschak Zeev van Brisk zt�l [Tetsawee] onthult het verschil tussen echad en haechad. De misjna in Menachot 49a zegt dat het middag-tamid geofferd wordt, ook als het ochtend-tamid niet geofferd werd. Dat is niet het geval tijdens de zeven dagen inauguratie van het altaar, toen het offeren van het middag tamid afhankelijk was van het offeren van het ochtend-tamid [want het altaar werd geinaugureerd met het ochtend-tamid]. Daarom schrijft de Tora in de afdeling over de inauguratie van het altaar: �het eerste lam� [hakeves haechad] � het is het eerste, want zonder dat kan het tweede niet geofferd worden. Echter, in het vers in Bamidbar, over het dagelijkse offer, spreekt Tora alleen over hakeves echad � één lam. Het is niet het eerste, want het tweede is er niet van afhankelijk en het is daarom geen onderdeel van een serie. [Deze verklaring rechtvaardigt kennelijk de mening van de Rasjasj en de mening van de Sjita Mekoebetset moet nader bestudeerd worden]. �\ ���� ����� ��� ���� ����� Mag iemand die hersteld is van een ziekte, ĝomel horen bensjen van een bevrijde gevange? Onze soegia leert ons over het toda-offer, dat gebracht werd in de Tempel uit dank. Nadat de Tempel ver�woest was, stelde chazal de beracha haĝomel in, in plaats van het toda [Rosj, Berachot, Hfdst. 9 �3 en zie Responsa Chatam Sofer, O.Ch. 51]. In dit artikel zullen wij een interessante halacha bespreken betreffende haĝomel, dat in de werken van de poskiem verband houdt met halachot van het toda dat in onze soegia besproken wordt. Iemand die op wonderlijke wijze gered is kan haĝomel bensjen en iemand anders vrijmaken: De Toer [O.Ch. 219] bepaalt dat iemand die van een tegenspoed gered werd en haĝomel moet bensjen, die kan zijn plicht volvullen door te luisteren naar iemand anders die op een soortgelijke wijze gered werd. Dit geldt zelfs, al antwoordt hij niet amein, zolang als beiden maar de bedoeling hadden elkaar vrij te maken. Wij moeten nagaan of deze halacha ook geldig is wanneer beide personen van verschillende soorten van gevaarlijke situaties gered werden, bijvoorbeeld de één herstelde van een ernstige ziekte en de ander werd uit de gevangenis bevrijd. De schrijver van Oriem Gedoliem [een Sefadische Chacham die ongeveer 300 jaar geleden leefde in de tijd van Rabbi Efraim Navon, auteur van Machanee Efraim] overwoog dit probleem in zijn commentaar op de Tora [parasjat Tsav, ook genoemd in Gilajon Hasjas door Rabbi Akiva Eiger] en bewees uit onze soegia dat zij elkaar niet kunnen vrijmaken: Het toda moet geofferd worden voor het wonder dat de eigenaar gered heeft: In onze Gemara hebben Raba en Rav Chisda een meningsverschil over de vraag of een slachter een toda ongeldig maakt als hij een ander toda in gedachten heeft dan dat van de eigenaar. Bijvoorbeeld Reoeween, die hersteld is van een ernstige ziekte, heeft een toda gebracht. Naast hem staat Sjim�on, die een toda gebracht heeft omdat hij uit een gevangenis bevrijd werd. De kohen die het toda van Reoeween offert, vergist zich en denkt dat Reoween ook uit de gevangenis bevrijd is. Raba en Rav Chisda verschillen van mening of dit offer geldig is of niet [zie Birkat HaZevach en Chok Natan, die de Gemara aldus uitleggen, maar deze interpretatie is niet door iedereen geaccepteerd; zie Keren Ora en andere Acheroniem]. Ieder soort wonder is uniek: Wij leren dus dat iede soort wonder speciaal is en dat een offer voor iemand die gered werd van een bepaald gevaar alleen geldig is voor dat specifieke wonder en het is geen algemeen toda. Volgens Rav Chisda is het zelfs helemaal niet te beschouwen als toda als het niet zo werd geofferd. Daarom kan Reoeween, die hersteld is van een gevaarlijke ziekte, en daarvoor ĝomel bensjt, niet Sjim�on, die uit de gevangenis is bevrijd, vrijmaken van diens verplichting om ĝomel te bensjen. Want als Sjim�on in gedachte had dat hij hersteld was van een ziekte, zou hij niet zijn plicht gedaan hebben. Maar als Sjim�on en Reoeween gered waren van hetzelfde gevaar, dan kan ieder van hen de ander vrijmaken met zijn beracha. Wij merken hier nog op dat de Misjna Beroera [213:12] schrijft dat het �nu de eenvoudige gewoonte is� dat iedereen de beracha voor zichzelf maakt, �mogelijk omdat niet iedereen voldoende in staat is om te beden�ken dat hij zichzelf en anderen vrijmaakt, nog daar gelaten dat wij ons zorgen moeten maken over het worden afgeleid.� [zie Responsa Minchat Sjlomo I, 1 ot 2, en Piskei Tesjoevot 213, opm. 8].
|