|
Daf 112b: Totdat het
Misjkan werd opgericht, waren de bamot toegestaan
Een Beit Knesset die
verhuurd werd voor… koffie en suiker
Op de laatste bladzijden van
traktaat Zevachiem behandelt de Gemara onderwerpen van het Heiligdom
[Misjkan],
de bamot [mv.
van bama – privé altaar, lett. (offer-) hoogte]
en hun wetsvoorschriften. Zoals verteld wordt in de Misjna, werd het
Misjkan van de woestijn overgeplaatst naar Ĝilĝal, vandaar naar
Sjilo, van Sjilo naar Nov en van Nov naar Ĝiv’on, totdat tenslotte het
Beit Hamikdasj door Koning Sjlomo gebouwd werd in Jeroesjalajim.
Nadat het Beit Hamikdasj gebouwd was, werd het verboden om
daarbuiten nog offers te brengen, echter, daarvoor, toen het Misjkan
in Ĝilĝal, Nov en Ĝiv’on stond, was het toegestaan om ook offers te
brengen op de bamot. Dat waren altaren die op verschillende
plaatsen waren opgericht om er offers op te brengen voor Hakadosj
Baroech Hoe. En zo ook wordt verteld in een Tosefta [hfdst.
13, Baraita 8]:
„Ten tijde dat een bama is toegestaan, richt men een bama
op aan de ingang van zijn binnenplaats of aan de ingang van zijn tuin en
daarop mogen hij en zijn zoon en zijn dochter en zijn dienstknecht en
dienstmeid offers brengen.”
‘Alia lerèĝel
toen er nog geen Beit Hamikdasj was:
De Ramban [Dewrariem 16:9]
stelt een principiële vraag. Bestond de mitswa van de ‘alia lerèĝel [de
pelgrimstocht naar naar het Heiligdom]
voordat er een Beit Hamikdasj gebouwd was [en
zie zijn woorden daar (12:8), waarin hij vaststelt dat er vanzelfsprekend
geen verplichting bestond om op te trekken naar het Misjkan, maar
misschien alleen toen het nog in de woestijn stond].
Sommigen bewezen dat uit wat er verteld wordt in de Profeten [Sjmoeël
1]
over Elkana die optrok naar het Misjkan in Sjilo, en uit de Gemara [Chaĝiĝa
6a],
waarover deze zaak gediscusiëerd wordt in verband met de
wetsvoorschriften over de opgang. Nochthans, Hamaharatz Chiot [Responsa
siman 7 en de inleiding tot Piskei Tesjoewa siman 309]
schreef dat uit de woorden van de Rambam, die deze mitswa behandelt,
blijkt dat dit ook gedaan werd in de tijd van het Misjkan [en
zie in Sefer Hamafteach ‘al Harambam, Hil. Beit Habechira,
1:1, en de aantekeningen op de Ramban 12:8 in de uitgave van Mosad Rav
Kook].
Nadat het offeren op de bamot
voor altijd verboden werd na de bouw van de Tempel, werden er geen
bijzonderheden geleerd over de bouw van een bama in de
halachische boeken, maar het is interessant te ontdekken, hoe twee
verschillende halachische onderwerpen werden beïnvloed door de halachot
voor de bama, als volgt.
Is de ontruiming van het
meubilair van een synagoge, toegestaan of niet?
Eén van de Joodse gemeenschappen in de diaspora, legde
de volgende vraag voor aan de leider van die generatie, HaGaon Rav Mosjé
Sofeer zts”l, de Chatam Sofeer [Responsa O.Ch. 32].
Vele jaren geleden waren de leden van de gemeenschap met de gouverneur
van het gebied waar zij woonden tot overeenstemming
gekomen om een stuk grond te huren voor de bouw van een synagoge,
en als huur zou hij jaarlijks een kikar koffie en een kikar
suiker krijgen.” Ten gevolge van veranderingen in de economie waren de
prijzen van koffie en suiker zodanig gestegen, dat de leden van de
kehila niet langer aan hun verplichtingen konden voldoen en zij
vroegen de plek te mogen verlaten. Met dit aanbod ontstonden een aantal
halachische vragen over de sloop van de synagoge, die werden voorgelegd
aan de Chatam Sofeer. Die stelde daarbij ondermeer vast, dat op
ontruiming van het meubilair etc. van de synagoge geen enkel verbod geldt
van het slopen van een synagoge en hij leidde dat o.a. af van de bamot,
als volgt:
Zoals bekend is het verboden om
een steen af te breken van het mizbeach – het altaar in het
Beit Hamikdasj. De Chatam Sofeer concludeerde dat een
dergelijk wetsvoorschrift ook geldt voor de bamot. „Ongetwijfeld
is het verboden een steen af te breken van een bama”, en
datzelfde verbod geldt ook voor het afbreken van een synagoge. Maar
dat niet alleen, ook de altaren die reeds op hun verhogingen stonden toen
het nog was toegestaan, waren verboden te worden afgebroken, nadat de
bamot eenmaal waren verboden. En desondanks vervoerde Koning
David de Aron Hakodesj van de ene bama naar de andere, van Beit
Sjemesj naar Beit ‘Oved Adom en vandaar naar
‘Ier David – de Stad van
David. Dus mogen wij ook voorwerpen verwijderen uit een plaats waar
Hasjem woont en dat wordt niet beschouwd als afbreken. [In
het licht van het verbod om de bamot af te breken, ook nadat het
verboden was daarop te offeren, verklaart hij waarom ze niet afgebroken
werden door de rechtvaardige koningen van Jehoeda, en daarom ontstond de
toestand die vele malen beschreven wordt door de profeten: „Het
volk offert nog steeds dieren en reukwerk op de bamot”, totdat
Koning Chizkiahoe zich gedwongen voelde de bamot af te breken, om
hen te beschermen tegen zonden “ en zie aldaar voor nog een andere
verklaring].
Het verwijderen van messen van
de tafel bij Birkat hamazon:
En van
daar naar onze eettafel. Het is een zeer oude minhaĝ om de messen
die op tafel liggen, af te dekken als
men de Birkat hamazon zegt
[Sjoelchan Aroech O.Ch.
180:5].
Eén van de redenen hiervoor is, dat de eettafel lijkt op het mizbeach
– altaar, en het mizbeach mag niet gebouwd worden met behulp van
ijzeren voorwerpen, zoals er geschreven staat [Dewariem
27:5]
„een mizbeach van stenen, waarover je geen ijzer zult bewegen”,
omdat het mizbeach de levensdagen van de mens verlengt, terwijl
ijzer de levensdagen van de mens verkort. Daarom laat men geen mes liggen
op de tafel, die lijkt op het mizbeach. De Maĝeen Awraham [noot
5]
schrijft dat men op Sjabbat en Feestdagen zich niet aan deze minhaĝ
houdt, zoals in de Sjoelchan Aroech
[zie
daar]
staat, omdat op die dagen men geen mizbeach bouwt. Daarom noemt de
Sjoelchan Aroech het mizbeach helemaal niet, en is er geen
reden om op Sjabbat de messen te verwijderen.
Waarom moet men het mes ’s
avonds verwijderen? Een aantal
Acheroniem hebben zich hierover verwonderd: als men op Sjabbat de
messen niet hoeft te verwijderen, omdat men op Sjabbat geen altaar
bouwt, dan hoeft men het ‘s avonds ook
niet te verwijderen, want ook ‘s avonds bouwt men geen Beit Hamikdasj [Rambam
Hilchot Beit Habechira hfdst. 11, hal. 12],
en dus ook geen mizbeach dat daarin staat? [Zie
Aroech Leneer, Soeka 41, avied Hazahav op de Tora, aan het
eind van Jitro,
„Har
Zwi” en zijn aantekeningen daar, e.a.].
HaGaon rabbi Meïer Simcha Hakohen uit Dvinsk
(?) Zts”l [Mesjech Hachochma,
Sjemot 20:22] verklaart de minhaĝ om ook ’s avonds de messen van tafel
te verwijderen: Ook over het altaar
van de bama is het verboden ijzer te bewegen, maar de bouw ervan
is ’s avonds toegestaan. Daarom moet men ook ’s avonds de messen
van tafel verwijderen als men Birkat Hamazon zegt.
Daf 116a
Het klopt volgens degene die meent dat een trefaa niet baart
„Een trefaa baart
niet”: Waarom, en hoe moeten wij reageren als een trefaa toch
baart?
Een die waarvan één van zijn
organen beschadigd was en dat daardoor geen 12 maanden in leven kan
blijven, is trefaa en verboden om te eten [zo
is de halacha; zie Choelin 42a in de soegia over de vraag of een
trefaa kan leven].
Een trefaa kan ook niet geofferd worden en onze soegia legt
uit dat zelfs niet-Joden [bnei Noach]
die een offer mogen brengen met een defect [moem],
niet een trefaa moeten offeren. Dit leren wij van Noach, die,
toen hij de Ark verliet, dieren offerden van die welke in de Ark
overleefd hadden en de Gemara interpreteert van de verzen dat trefaa
dieren daar niet binnengingen. De Gemara verklaart ook dat er een
verschil van mening bestaat of een trefaa jongen kan baren.
Volgens de halacha [Rambam,
Hilchot Sjechita 11:1; Sjoelchan Aroech, J.D. 57:18] dat een trefaa geen jongen baart.
Daarom, als er twijfel bestaat of een bepaald dier trefaa
is, en het baart jongen, dan kunnen wij erop vertrouwen, dat het niet
trefaa is.
Logica dicteert dat, als een dier
verondersteld
werd [moechzak]
trefaa te zijn, en het baart jongen, die gebeurtenis de
veronderstelling ter zijde schuift. Maar de poskiem [Rema,
ibid, overeenkomstig de Risjoniem]
hebben gepaskend dat een trefaa dat baart niet aan de definitie
van trefaa ontsnapt; alleen een twijfelachtige trefaa die
baart ontsnapt aan de definitie van trefaa. Er zijn twee
benaderingen om dit te begrijpen.
Sommigen menen dat de bewering
dat een trefaa geen jongen kan krijgen, onzeker is. Daarom, als
een trefaa toch jongen baart, moeten wij aannemen dat het behoort
tot die minderheidsgroep van treifot die wel baren. Alleen als een
twijfelachtige trefaa jongen baart, moeten wij zeggen dat,
aangezien de meeste treifot niet baren, het waarschijnlijk is dat
dit dier niet trefaa was [Meïri, Choelin 42a; Prie
Meĝadiem in Siftei Da’at 30:5, betreffende de 12 maanden; en
Pletie en Ktav Sofeer, betreffende de geboorte].
De Rasjba: „Misschien ben je
iets vergeten of heb je je vergist.” Toen
de Rasjba werd gevraagd [Responsa I, 98] hoe we moeten reageren als een
trefaa jongen baart, reageerde hij scherp dat dit niet mogelijk
was „en het is alsof u getuigt van iets dat onmogelijke is, dat u het
gezien zou hebben… misschien bent u wat vergeten of heeft u zich vergist,
of misschien heeft u zich vergist in de tijd of misschien was het dier
verwisseld voor een ander dier.” Hij was niet tevreden totdat hij schreef
dat als iemand gezien had dat een trefaa jongen baarde, „de
getuige geneerd moest worden, zelfs al waren er duizend getuigen, want
wij kunnen nimmer een punt negeren, waarover de heilige chachamiem,
de profeten en de zonen van profeten het eens waren en over dingen die
door Mosjé op de Berg Sinai gezegd waren.” Volgens hem geldt de bewering
dat een trefaa niet baart, voor alle dieren, zonder enige
uitzondering.
Zorgvuldige controle van een
trefaa:
Maar toch, hoe moeten wij reageren in een geval
waar een trefaa
zorgvuldig in de gaten werd gehouden en iedereen gezien heeft dat het een
jong gebaard heeft of dat het langer dan 12 maanden geleefd heeft? De
Rasjba zegt dat zulk een gebeurtenis ons dwingt toe te geven dat er een
wonder gebeurd is, want een
trefaa
baart van nature niet
[en zie Sjach,
J.D.
57:48; Prie Chadasj,
ibid, n. 50 en zie het volgende artikel].
Wij weten nu, dat volgens alle
meningen, als een dier twijfelachtig trefaa
was en een jong baart, dat het dan de definitie van
trefaa ontsnapt. Wij
moeten nu nog verklaren of de geboorte alleen bewijst dat het niet
trefaa was of dat de
conceptie en
de geboorte samen dit bewijzen. Het verschil zou betenis krijgen wanneer
er twijfel was over een dier of het trefaa
is, dat reeds zwanger is. Is de geboorte het bewijs dat het niet
trefaa is?
Waarom kan een
trefaa geen jongen
baren? Om bovenstaande vraag te
beantwoorden, moeten wij de reden verklaren waarom een
trefaa niet kan baren.
Is dat omdat het niet bevrucht kan worden of omdat het baren te zwaar is
of om beide redenen samen? Wanneer een
trefaa niet kan baren omdat het niet
zwanger kan worden, dan is het feit dat een dier, dat al zwanger was
voordat de twijfel ontstond, baart, geen bewijs dat het niet
treife is. Echter,
wanneer een treife
niet kan baren omdat het baren zelf te zwaar is, dan ontsnapt het dier de
definitie van treife
als het toch baart. [zie Meïri, Choelin 57b;
Prie Meĝadiem, inleiding
tot Hilchot Trefot,
e.a. en Sjoelchan Aroech,
J.D. 57:18 dat
alleen zwangerschap en geboorte tekenen zijn in geval van twijfel].
Daf 116a
Dit klopt volgens degene die zegt dat een
trefaa
niet kan baren
Dieren genieten G-ddelijke
voorzienigheid
Zoals in het vorige artikel
uitgebreid besproken, kan een
treife
dier volgens de Rasjba geen jongen baren [Responsa I, 98].
Hij is zo vast overtuigd van zijn mening dat hij schrijft dat als iemand
een trefaa
zorgvuldig heeft gevolgd en gezien heeft dat het een jong gebaart heeft,
dan moet hij weten dat hij een wonder heeft waargenomen. Zijn uitlating
over wonderen bij dieren werd uitgebreid bediscusëerd door de
Acheroniem en dat
hernieuwde het oude strijdpunt of dieren onderhevig zijn aan
individuele G-ddelijke
voorzienigheid of aan een
algemene
voorzienigheid voor de soort, of het zal overleven
of uitsterven [zie
Rambam in Moree
Nevoechiem;
Sjomrei Emoeniem Hakadmon,
II, 81 en zijn voorwoord [ibid], waar hij de verschillende meningen
uitvoerig bespreekt; en
Ja’arot Devasj,
II, deroesj
6].
Rabbi Awraham ben Mordechai Halevi [die vierhonderd jaar geleden
Opperrabbijn was van Egypte] dat het kennelijk de mening van de Rasjba
was dat dieren ook een individuele voorzienigheid genieten, want als dat
niet zo zou zijn, hoe zou er dan een wonder kunnen gebeuren met een
trefaa?
Werden de dieren gestraft in
de Zondvloed? De auteur van Ginat
Weradiem steunt ook op onze soegia als basis voor zijn mening.
De Gemara verhaalt dat de Ark van Noach alleen maar die dieren toeliet
die niet gezondigd hadden, terwijl de overige dieren ter dood veroordeeld
werden in de Zondvloed. We zien dus dat er een individuele voorzienigheid
is voor dieren, die bepaalt welk zal leven en welk zal omkomen [wij moeten er hier de nadruk
opleggen dat wij bedachtzaam moeten zijn op de zorgvuldigheid van de
tekst van onze soegia en, zoals de Maharsja schreef, deze versie
wordt niet begrepen; in ieder geval wordt het onderwerp genoemd in
Sanhedrin 108b en het blijkt duidelijk uit onze Gemara dat zondige dieren
in het geheel de Ark niet binnenmochten, of zij rein waren of niet].
Het begrip van dieren is
verdwenen: Aan de andere kant wijdt de
auteur van Chikrei Lev [J.D. § 26] een lange discussie aan
een meningsverschil over dit idee en verklaart onze Gemara dat er een
extreme verandering is opgetreden bij de dieren. Het is mogelijk,
schrijft hij, dat de dieren in de tijd van Noach dicht bij de perfecte
staat waren, waarin zij tijdens de zes dagen van de Schepping geschapen
waren: zij hadden enig onderscheidingsvermogen [tussen goed en kwaad] en
konden daarom gestraft worden, in tegenstelling tot de dieren in onze
tijd [zie Abarbanel op Bereisjiet 9:5 en Siftei Chajim door HaGaon
Rav Chaim Friedlander zts”l, Emoena Wehasjgacha I, voor een
verklaring van individuele voorzienigheid bij dieren].
Dit
onderwerp omvat de hele wereld van Tora. Wij concluderen met wat er in de
Jeroesjalmi staat [Sjewiïet, hfdst. 9, geciteerd in Tosafot ‘Avoda Zara
16b, s.v. Dimoet] over Rabbi Sjim’on die een jager zag die een
vogel ving. Een hemelse stem [bat kol] kondigde aan welke vogel
zou worden gered van zijn pijlen, en welke zou worden gevangen. Dit
vehaal wordt aangehaald door de schrijver van de Tanja, met een
paar andere voorbeelden, om te bewijizen dat er wel degelijk individuele
voorzienigheid is voor dieren. Wij moeten opmerken dat het onderwerp zich
concentreert op de individuele voorzienigheid van Hasjem voor dieren maar
het is duidelijk dat alles in onze wereld geschiedt overeenkomstig Zijn
wil, zoals ons verteld wordt [Nechamja
9:6]:
„…en U gaf hen allen het leven”. |
Een uiteengespatte droom
Rosj
Hasjana: Nog even en de rode zon van 5763 is ondergegaan. De geluiden van
de sjofar, die het angstig kloppen van onze harten uitdrukt, heeft ons
tot Rosj Hasjana gebracht, de Dag van de Rechtspraak. Op deze dag
onderzoekt iedereen zichzelf, accepteert de heerschappij van de Koning
van de wereld, buigt zijn hoofd voor Hem en onderzoekt nogmaals waar hij
gedwaald heeft en welke dingen hij beter had kunnen doen. Wanneer iemand
tot de conclusie komt dat, als hem de gelegenheid gegeven was, hij
bepaalde dingen anders zou doen, dan wordt hij uitgenodigd aan te tonen
hoe serieus hij is in een nieuw leven, dat hem voor het komende jaar
geschonken wordt.
Sinds een
paar weken ligt er een brief op het bureau van de redactie, ontvangen van
een kind, dat ergens in het centrum van Israël woont, en dat door zijn
vader geholpen werd de geschiedenis van zijn grootvader op te schrijven.
Dit is simpele taal van een gewoon mens, zonder enig drama of grote
verassingen. Maar juist de eenvoud ervan grijpt onze harten, en laat een
diepe indruk na op ons leven:
„Ik
ben zo gelukkig om de fijnste
grootvader te hebben, die altijd klaar staat om mij een boeiend
verhaal te vertellen en om met zijn
kleinkinderen naar een andere wereld
‘te
vliegen’. Een paar maanden geleden
vroeg ik hem iets over hemzelf te vertellen. Hij werd ernstig,
keek in de verte, leunde achterover in zijn leunstoel en bracht een
‘bezoek’
aan zijn jeugd.
„Ik
herinner mij 60 jaar geleden, toen ik een kind van jouw leeftijd was, dat
ik mijn vader smeekte om voor mij rolschaatsen te kopen. Hij kocht ze
voor mij en ik reed er voortdurend op tot ik er moe van werd en ik ze in
de kast liet staan, als een nutteloos voorwerp. De volgende dag wilde ik
een fiets. Mijn vader haalde zijn fiets uit de kelder en gaf hem mij. Het
was een grote fiets waarop ik gereden heb totdat ik opgroeide en ik een
motorfiets wilde hebben – niets meer maar ook niets minder. Maar die
droom ging niet zo snel in vervulling als de andere, maar tenslotte had
ik mijn motorfiets. Mijn trots en vreugde kende geen grenzen. Een paar
maal ontsnapte ik op wonderbaarlijke wijze zonder verwondingen aan een
valpartijen. Mijn ouders en mijn vrouw waren altijd bezorgd als ik om
mijn motorfiets reed en toen hij werd gestolen verklaarde mijn vader dat
hij bloemen zou sturen naar de dief.
„‘De
droom van een motorfiets was verdwenen en werd vervangen door die van een
auto. Ik begon met een Susita, stapte toen over op een Transit, een Opel,
een Susuki en andere modellen, totdat ik de trotse eigenaar werd van een
GMC. Wat zal ik zeggen, mijn lieve jongen? In al die jaren was ik een
slaaf van de auto geworden. De gezondheidstoestand van mijn hart kwam
overeen met die van de motor van mij auto, tot… de textielcrisis. Die
crisis ‘bevrijdde’
mij van mijn bedrijf, mijn auto en van praktisch alles. Ik had geen
ambities meer over – behalve voor nog een daf Gemara en nog een
Daf HaJomi sji’oer. Begrijp je?’ vertelde hij mij met vochtige
ogen. ‘Waarom
moest ik die hele weg afleggen? Ik had van het begin over Gemara kunnen
dromen en de weg verkorten…’”
Tijdens
zijn leven heeft een mens vele dromen, maar wij moeten ons herinneren dat
het leven zelf de grote droom is waaruit wij uiteindelijk ontwaken.
Niemand kan altijd blijven dromen, en wij moeten ons voorbereiden op wat
wij nodig zullen hebben wanneer wij ontwaken.
En wie
is als Uw volk Israël?
Aan het eind van het jaar, wanneer wij allen bidden dat het volgende jaar
beter zal zijn, zouden wij een indrukwekkend
feit moeten vermelden. Bij de terroristen aanslag in Emek Refaimstraat
in Jeroesjalajim werd een vader met zijn dochter gedood, Dr. David
Appelbaum en zijn dochter Nava – een
dag voor haar huwelijk. Ieders hart was geroerd en iedereen
rouwde mee om deze dubbele tragedie. De aanslag vond laat op de avond
plaats. In de ochtend, enkel uren na dit afschuwlijke drama, verliet de
grootvader van de bruidegom zijn huis met zijn broer, die uit het
buitenland was gekomen voor het huwelijk. Zij gingen naar een Daf Jomi
sji’oer, gegeven door Rav S.M., een lid van ons beit midrasj.
* * * * * * * * * * *
Een jaar met zijn vloeken is geëindigd
Moge een
nieuw jaar met zegeningen komen.
Parels van de Gemara
Daf 112b:
Toen zij in Sjilo kwamen
De Gaon
van Ostrovtsa zts”l schrijft
dat het inderdaad een wonder is dat de plaats van de Tempel
nergens in Tora genoemd wordt. Er is echter een aanwijzing te vinden in
het vers „op
de plaats die Hasjem zal uitkiezen
[jivchar]”
[Dewariem
12: 14].
Het woord
יבחר
[jivchar]
is samengesteld uit de letters
יוד
בית
חית
ריש
[joed,
beit, chet, reesj].
De verborgen delen van deze letters, d.w.z. de delen die niet te zien
zijn in het woord, zijn
וד ית ית יש,
waarvan de nummerieke waarde
1.130 is. De woorden
שילה, נוב, גבעון, ירושלים
[Sjilo, Nov, Giv’on,
Jeroesjalajim] hebben
dezelfde nummerieke waarde! De Tora gaf in het woord jivchar een
aanwijzing, welke plaatsen Hasjem zou uitkiezen om te wonen.
Een Tsaddiek valt zeven keer en staat weer op
De Gerer
Rebbe Zts”l zei dat zijn vader zts”l, de auteur van
Imrei Emet, verklaarde de Torat Kohaniem
(Tsav)
dat Mosjé al de zeven heiligdommen die werden opgericht en afgebroken,
zelf oprichtte en ontmantelde, en dat daarmee bedoeld werden het
misjkan in de woestijn, in Gilgal, in Nov, in Givon, in Sjilo en de
twee Tempels. „En ik zeg dat Mosjé er voor zorgde dat zelfs als in latere
generaties mensen zullen vallen en zwak worden
in de dienst van Hasjem, zij opnieuw
en opnieuw zullen opstaan: ’Een tsaddiek valt zeven maal en staat
weer op’ – wanhoop nimmer!”
[Peëer
Jisraël, III, 97].
Daf 115a
Rasji: s.v. Jachol sjeani motsi
Aan de Pesach van de Ohel Mo’eed
Er komen
vele drukfouten voor in de diverse uitgaven van de Talmoed. Een bepaalde
fout komt nog steeds veel voor in de meest edities, in Rasji, s.v.
Jachol sjeani motsi: het vers „aan de ingang (פתח
– petach) van de
Ohel Mo’eed wordt daar geciteerd als
פסח
– pesach, dat wil
zeggen het feest Pesach. Deze malle fout kon ontstaan doordat beide
woorden in de Asjkenazische uitspraak op dezelfde manier worden
uitgesproken. Een soortgelijk voorbeeld is te vinden in Beit Joseef
[E.H.
77, s.v. Katav HaMordechai],
dat een vrouw niet gelijk [שוה
– sjawa] is aan haar echtgenoot, terwijl er natuurlijk moet staan dat zij
„niet terugkeert [שבה]
naar haar echtgenoot” [He’akov
Lemisjor 11].
Daf 116a:
Zij die uit zichzelf kwamen
Voedsel komt niet uit zichzelf
HaGaon
Rav Jitschak Zeev uit Brisk schreef: Deze Gemara, die zegt dat de dieren
uit zichzelf naar de Ark kwamen, verklaart mij een woord in Tora. Nadat
aan Noach gezegd was dat hij de dieren naar de Ark moest brengen, zegt de
Tora: …en jij, neem voor jezelf al het voedsel dat gegeten kan worden
[Bereisjiet
6:21].
Waarom schrijft Tora en jij? Daar de dieren als een wonder uit
zichzelf kwamen, benadrukt Hasjem aan Noach dat hijzelf het voedsel
moest brengen…
[Chidoesjei
Maran HaRiz HaLevi ‘al HaTora,
Noach]. |