|
||||
|
||||
|
|
||||
Daf 64a: Hij
spreidde een net uit om vis te vangen Kan
het redden van een leven iemand die op Sjabbat autorijdt behoeden van
overtreding? De Risjoniem verschilden van mening in onze soegia
betreffende een basis-halacha, waarvan de gevolgen zo praktisch zijn, dat
wij het niet willen nalaten om
de diverse meningen hier weer te geven. Natuurlijk zet het redden van een
leven de hele Tora opzij en het is een mitswa om Sjabbat daarvoor te
ontheiligen. In dit artikel willen wij nagaan of een handeling die in
overtreding begaan werd maar uiteindelijk leidde tot het redden van een
leven, beschouwd moet worden als een zondige handeling. In onze soegia verschillen Rava en Rabba van mening over het
volgende geval [volgens één versie]. Een Jood vis�te op
Sjabbat. Toen hij zijn net ophaalde vond hij daar, samen met de vis die hij
gevangen had tot zijn verbazing ook een kind in, dat bijna was verdronken,
en welks leven hij dus gered had. Volgens Rabba is de visser vrijgesteld van
ontheiliging van Sjabbat, omdat hij het kind gered heeft. Maar Rava is van
mening dat, aangezien de visser alleen maar de bedoeling had om te vissen,
het begeleidende resultaat niet de overtreding verandert in een red�dingshandeling.
Voor wat de halacha betreft, verschillen de Risjoniem van mening.
Rambam [Hilchot Sjabbat 2:16] beslist dat de
visser is vrijgesteld, maar de Ra�avad beslist dat hij schuldig is aan
overtreding van Sjabbat. Iemand die op Sjabbat reed, werd gevraagd om een zieke Jood naar het
ziekenhuis te brengen: Dus een Jood die Sjabbat
ontheiligt door met zijn auto te rijden en die gestopt wordt en gevraagd
wordt om iemand die het bewustijn heeft verloren naar het ziekenhuis te
brengen, is volgens de Ra�avad niettemin schuldig aan het rijden op
Sjabbat voordat er levensreddende omstandigheden waren, maar volgens de
Rambam is hij vrijgesteld, omdat dankzij het feit dat hij naar die plaats
kwam gereden, hij een leven gered heeft. Echter, de zaak is niet zo simpel
en is afhankelijk van twee factoren, als volgt. Een reddingsactie alleen wanneer daar reeds een noodzaak voor was: HaGaon
Rabbi Jehoeda Najar beweert [Limoedei Hasjem, Limoed 203, zie
daar hoe hij dit bewijst uit Tosafot op onze soegia; Imrei Bina,
Hilchot Jom Tov 3 is het er mee eens] dat het geval van onze soegia
alleen van toepassing is als de overtreding gebeurde nadat de ontheiliging
van Sjabbat nodig was om een leven te redden. Maar wanneer op het tijdstip
van de overtreding er geen noodzaak was om iemands leven te redden, zoals in
het bovengenoemde geval van de automobilist,
dan kunnen we volgens alle meningen het autorijden voordat de man de
hartaanval kreeg, niet beschouwen
als te zijn gedaan om een leven te redden. Hij is alleen vrijgesteld voor
zijn rijden op Sjabbat met de zieke, maar niet van wat hij daarvoor reed [zie Torat Hajoledet, dat men de voorkeur moet
geven aan een automobilist die Sjabbat in acht neemt en die uitsluitend
rijdt om een leven te redden]. Wie Sjabbat
moedwillig overtreedt, heeft geen rectificatie: Bovendien
verschillen de Acheroniem van mening met Rambam. HaGaon Rabbi Meïr
Auerbach zts`l [Imrei Bina, ibid] schrijft dat de beslissing
van Rambam, dat de overtreding beschouwd moet worden als een levensreddende
handeling, van toepassing is als de overtreding zowel moedwillig, als
onopzettelijk begaan werd. Echter de auteur van Tsafnat Paneach [Hilchot
Sjabbat, hfdst. 2] beweert dat Rambams beslissing alleen geldt voor
een onopzettelijke overtreding, maar geen enkele levens�reddende handeling
kan een opzettelijk gemaakte ontheiliging van Sjabbat goedmaken. Daarom,
zegt Tsafnat Paneach, wanneer de autorijder onopzettelijk reed [bijvoorbeeld
als hij niet wist dat het verboden is om om Sjabbat te rijden], dan hangt zijn handeling af van het meningsveschil tussen Rambam en
Ra�avad. Maar wanneer hij opzet�telijk Sjabbat overtrad, dan wordt zijn
rijden, totdat hij de zieke persoon tegenkomt, beschouwd als een pure ont�heiliging
van Sjabbat, zelfs volgens de Rambam (zie uitgebreid Torat
Joledet, hfdst. 13, opmerking 9, waar hij deze mening toeschrijft
aan de Beioer Halacha en Kovets He�arot;
Wij moeten hier vermelden wat de Sfat Emet en de Chazon
Iesj zeggen over Menachot op � 42:18, dat de soegia het heeft
over de verplichting om een chatat te brengen voor een onopzettelijke
overtreding, maar dat volgens alle meningen is men vrijgesteld van straf
wanneer dat met opzet gedaan werd [dan volgt een straf minHasjamajim]). Daf 64a: Breng eerst de vette en slacht dat! Het
verfraaien van een mitswa nadat die is uitgevoerd Een significant verschil van mening betreffende de uitvoering van mitswot
is afhankelijk van de interpretatie van deze Gemara. Het
probleem van de twee etrogiem: Een algemene vraag in de jesjiva-wereld betreft �de twee etrogiem�. Eén etrog is
uiterlijk erg mooi, maar er bestaat twijfel of hij kosjer is. De andere etrog
is volgens iedereen kosjer maar is niet mooi. Het is duidelijk dat de
eignaar het beste hen allebei kan opnemen. Maar welke moet hij eerst
opnemen? Deze vraag is van toepassing op iedereen die, nadat hij de mitswa
van de arba� miniem � de vier soorten � heeft in acht genomen,
een schitterende etrog vindt. Moet hij de loelav met de etrog
mehoedar [schitterend]
nogmaals opne�men? In dit artikel zullen wij twee tegenstrijdige meningen
nader onderzoeken. Als er geen mitswa is, waar is dan de hidoer?
HaGaon Rabbi Chaim van Brisk zts�l besliste dat men eerst de
twijfelachtige maar schitterende etrog moet opnemen. Wanneer hij
eerst de beslist kosjere etrog opneemt, heeft hij de mitswa reeds
gedaan en het heeft geen zin meer om dan de mehoedar op te nemen.
Daarom moet hij beginnen met de mehoedar. Als die kosjer is, heeft
hij verdient dat hij de mitwa met
een hidoer [extra
mooi]
heeft uitgevoerd, en zo niet, dat doet hij de mitswa alsnog met de kosjere etrog.
Deze regeling is gebaseerd op de veronderstelling dat het verfraaien van een mitswa alleen kan plaatsvinden als de mitswa
wordt uitgevoerd, maar als er geen mitswa is, waar is dan de hidoer?
[Rav Chaims
verklaring wordt aangehaald in Mikraei Kodesj van HaGaon Rav Tswi
Pesach Frank op Soekot, II, 9 en in de aanvullingen door HaGaon Rav E.
Silver aan het eind van Responsa Nefesj Chaja II].
Sommigen echter hadden twijfel over deze beslissing en onze Gemara dient als
basis voor deze mening, als volgt. Het is een positieve mitswa om een extra mooi dier als offer te brengen,
zoals ons verteld wordt [Wajjikra
22:21]:
��het
zal perfect zijn voor welgevallen� [Rambam,
Issoerei Mizbeach 1:1].
Onze soegia legt uit dat een kohen die op het punt staat om
een publiek offer te brengen op Sjabbat, en geconfronteerd wordt met twee
dieren, de een zwak en de ander vet, en hij slacht de magere eerst, dan moet
hij daarna het vette dier slachten om de mitswa met een hidoer uit te
voeren. Daar slachten op Sjabbat alleen geoorloofd is voor offers, die
dezelfde dag geofferd moe�ten worden, is het verfraaien van een mitswa,
nadat die reeds is uitgevoerd, kennelijk toegestaan, want zo niet, hoe mag
dan de kohen het vette dier alsnog slachten, nadat hij het andere
dier al geslacht heeft en daarmee de mitswa al gedaan heeft? [Dit
is de vraag van de Mikraei Kodesj, ibid]. Kiddoesj over inferieure wijn: Inderdaad, de Chida [Birkei
Joseef, O.Ch.
272, din 1]
beslist dat iemand die kiddoesj gemaakt heeft en dan ontdekt dat de wijn
open gestaan heeft en niet mehoedar is, opnieuw kiddoesj moet maken
over andere wijin met een beracha, net zoals de Gemara de kohen
opdracht geeft opnieuw te slachten
[zie
daar, dat volgens vele poskiem, wijn die open gestaan heeft,
onbruikbaar is geworden maar dat zelfs volgens diegenen die menen dat die
wijn alleen maar niet mehoedar is, men opnieuw kiddoesj moet maken]. Echter sommigen [Hameïr Le�olam]
zijn het hier absoluut niet mee eens, omdat er geen bewijs te halen is van
onze Gemara, omdat, zoals zij benadrukken, er geschreven staat: �Hij
werd geconfronteerd met twee chataot, een vette en een magere.
Wanneer hij de magere geslacht heeft en dan de vette, is hij
vrijgesteld en niet alleen dat, maar hem wordt gezegd �als
hij de vette nog niet geslacht heeft]:
‛Breng
de vette en slacht het�.� Bedoelt de Gemara dat het magere beestje al geofferd
was op het altaar? Helemaal niet! De Gemara bedoelt dat het offerdier was
geslacht maar de mitswa, het sprenkelen van zijn bloed op het altaar, was
nog niet gedaan. Daarom heeft deze kohen de mitswa nog niet
uitgevoerd en daarom moet hij alsnog een ander dier nemen om de mitswa uit
te voeren met een hidoer. Maar iemand die de mitswa al uitgevoerd heeft �
wie het bloed van het offerdier al op het altaar gesprenkeld heeft, of wie
al een kosjere etrog heeft opgenomen � moet de mitswa niet opnieuw
met een hidoer doen. Wij moeten onderscheid maken tussen een hidoer van Tora en een hidoer miderabbanan: Sommigen voegen hieraan toe dat zelfs al vatten wij de Gemara op, alsof die het heeft over een kohen die de mitswa van het sprenkelen van het offerbloed reeds uitgevoerd heeft, dan nog kunnen wij de mitswot niet met elkaar vergelijken. Het voorschirft om een offer met een hidoer te brengen is een mitswa van Tora, maar een hidoer voor andere mitswot wordt geleerd van het vers: �Dit is mijn G-d en ik zal Hem verfraaien�, en is volgens vele Risjoniem een decreet van de rabbijnen. Daarom moet een hidoer die door Tora vereist wordt, uitgevoerd worden, ook nadat de hoofdzaak van de mitswa reeds gedaan is. De Tora heeft zelf de hidoer opgenomen in het voorschrift van de uitvoering van de mitswa. Zolang als de mitswa niet verfraaid is, is een deel van de mitswa nog niet uitgevoerd [want de verfraaing is een deel van de mitswa]. Maar een hidoer ingevolge een rabbijns decreet is geen integraal onderdeel van de mitswa en zodra de mitswa vervuld is, is er geen reden meer om hem te verfraaien, want de mitswa is er niet meer. Rav Chaim had gelijk toen hij besliste dat men de etrog mehoedar niet moet opnemen, nadat men de mitswa reeds gedaan heeft [Mikraei Kodesj, ibid. in Harerei Kosdesj, opmerking 5; wij moeten hieraan toevoegen dat sommigen een voorkeur hebben voor het tegendeel, dat zelfs al is er voor alle mitswot geen reden om ze te verfraaien nadat ze zijn gedaan, de zaak anders ligt met een loelav, omdat zelfs nadat men de hoofdzaak van de mitswa gedaan heeft, het een mitswa blijft, iedere keer als men hem opneemt)zoals Tosafot op Soekka 39a uitlegt, beg.w. �over la�asiatan, en in de Rosj, Soekka, hfdst. 3, nr. 33)].
Daf 69a: Tarwekorrels [die gevonden worden] in de uitwerpselen van
rundvee en gerstenkorrels in de uitwerpselen van vee, wat is [daarvan de
wet]? Een kip die verboden voedsel gegeten had Meer dan 100 jaar geleden wendde een Joodse
ganzenfokker zich tot de Maharsjam met een vraag. De boer wist dat
paardenvlees goed was om ganzen mee vet te mesten en hij maakte een
overeenkomst met paardenhandelaren om hem de zwakke paarden te geven, die
niet meer konden werken, als voedsel voor zijn ganzen. Op een dag vermoedde
hij dat hij niet geheel juist handelde en dat het ganzenvlees verboden was,
daar het hoofdzakelijk gevormd werd uit het paardenvlees. De Maharsjam [Da�at
Tora, J.D. 60:4-5] verwierp de vraag niet onmiddellijk en
besliste zelfs dat de boer gelijk had! Ter ondersteuning van zijn beslis�sing
vertelde hij een verhaal over HaGaon Rav Sjlomo Kluger zts�l, aan
wie, toen hij als Rabbijn diende in Brodi, een gans gebracht werd waaraan
een vraag kleefde. Toen het hem opviel dat het beest extreem vet was,
ondervroeg hij de eigenaar en toen hij ontdekte dat het dier was vetgemest
met varkensvlees, besliste hij dat de gans verboden was om te eten. Wij
zullen nu de ideeën bespreken die dienden als basis voor deze
beslissing en de afwijkende meningen. Graan door een dier ingeslikt en heel weer
uitgescheiden: Onze Gemara behandelt de definitie van voorwerpen,
zoals graan, gebruiksvoorwerpen of dieren die door dieren zijn opgegeten en
vervolgens weer werden uitgescheiden. Eén van de gevallen betreft
graan dat door een dier is gegeten en of het geschikt is voor minchat
ha�omer, of, nadat het eenmaal is ingeslikt, het niet langer meer
beschouwd kan worden als graan. De Gemara komt tot de conclusie dat zolang
als het ingeslikte voorwerp heel blijft, het zijn originele naam en aard
behoudt. Echter voedsel dat is begonnen te verteren, verliest zijn naam en
wordt beschouwd als een onafscheidelijk deel van het dier dat het heeft
ingeslikt. Houdt voedsel dat begonnen is te verteren, zijn
naam? Volgens de Rema [J.D. 60:1, zie responsa Igrot Moshe, O.Ch.
I, 147], is er een groot verschil van mening onder de
Risjoniem over deze Gemara. Tosafot in Temoera [31a]
begreep uit wat onze Gemara zegt, n.l. dat voedsel dat is begonnen te
verteren, zijn onafhan�k�elijke status verliest en deel wordt van het
dier, alleen maar betrekking heeft op halachot van onreinheid. Met andere
woorden, een levend dier wordt nimmer onrein. Daarom, zegt de Gemara, wordt
een voorwerp dat is ingeslikt en is begonnen te verteren, niet onrein. Maar
het heeft nog steeds zijn eigen karakteristieke samenstelling, hetgeen het
verboden maakt om te eten. Desalniettemin houden Tosafot op onze
soegia
[s.v.
Debala�] en andere Risjoniem vol [de
Rasj en de Rosj op Ohalot 11:7 en de Ram van Pontoise in de Rosj op Bechorot
7 en Rabbeinoe Tam in Tosafot, Bechorot, ibid., beg.woord. Dag] dat voedsel dat
begonnen is te verteren, in ieder opzicht zijn eigen karakter verloren
heeft. Voed�sel dat met de hand geproduceerd werd uit verboden voedsel, is verboden om te
eten. Maar wanneer het proces gebeurt door natuurlijke spijsvertering, dan
wordt het beschouwd als een wezenlijke verandering, die het voedsel losmaakt
van zijn oorspronkelijke identiteit en dat geeft het een nieuwe naam [Responsa
Minchat Jitschak V:5]. Verboden voedsel dat deel werd van een dier: De
Rema [ibid]
concludeert uit een halacha van Tosafot in Teroema dat een dier
dat altijd gevoed werd met verboden voedsel, niet gegeten mag worden,
net zoals ieder voedsel dat zijn oorsprong vindt in verboden voedsel,
verboden is [Tora verbiedt alles dat afkomstig is van iets dat
verboden is; Bechorot 6b; Igrot Moshe ibid].
Zelfs als de vorm en de smaak van het voedsel chemisch zijn veranderd, dan
nog is het verboden. Volgens Tosafot in Teroema is het karakter van voedsel
dat is begon�nen te verteren, niet veranderd. Een dier bestaat dankzij het
voedsel dat het verteert en trekt er vitale ingre�diënten
uit en het scheidt de rest uit. Dus een dier dat altijd verboden
voedsel eet is verboden voedsel, waar�van de vorm en de smaak
veranderd zijn, maar dat verboden blijft [zie Igrot Moshe, ibid].
Echter, wanneer het dier behalve het verboden voedsel ook geoorloofd voedsel
te eten kreeg, is het toegestaan, daar wij niet ondubbel�zinnig kunnen
vaststellen dat zijn vlees afkomstig is van verboden voedsel. De halacha: er is geen verbod voor voedsel dat door
het lichaam van een dier is geabsorbeerd: Echter
de Sjach [ibid,
n. 5] en andere Acheroniem zijn het niet met de Rema eens en staan het toe om
een dier te eten dat altijd gevoerd werd met verboden voedsel. Volgens hun
was het niet de bedoeling van de Risjoniem om het vlees van een dier te
verbieden, maar alleen het voedsel dat in hun ingewanden verteerd is. Maar
nadat het een deel is geworden van zijn lichaam, verdwijnt het verbod, en zo
werd de halacha vastgesteld [echter een dier dat isoerei hanaä gegeten heeft � voedsel waarvan het verboden is voordeel te hebben �
is verboden; zie Igrot Moshe die het hier niet mee eens is]. Het verschil tussen het eten van verboden voedsel en
het eten van verboden vlees: Wij keren nu terug naar de vetgemeste gans
en zullen een nieuw idee zien van de Maharsjam. In de praktijk verbieden wij
het niet om een dier te eten dat met verboden voedsel gevoed werd. Niettemin
verboden Rabbi Sjlomo Kluger en de Maharsjam de ganzen te eten, die
hoofdzakelijk met paarden-of varkensvlees waren gevoed. De reden is dat de poskiem
het alleen maar hebben over verboden voedsel, dat geen vlees is. Wanneer een
dier verboden vruchten eet � zoals teroema, tevel of iets
dergelijks � dan is het makkelijk in te zien dat de aard en de identiteit
van het voedsel veranderd is. Het was eerst fruit en nu is het vlees
geworden. Echter, wanneer een gans paardenvlees eet, treedt er geen essentiële
verandering op: het was vlees en het bleef vlees! Daarom verdwijnt het
verbod niet. Echter HaGaon Rav Moshe Feinstein zts�l
[ibid], die uitvoerig op dit onderwerp ingaat, verzet zich sterk tegen deze chidoesj,
omdat naar zijn mening, het proces van spijsvertering de aard van alle
voedsel zodanig verandert, dat men dit verbod kan negeren. Daf
72a: Kom en zie hoe geliefd een mitswa is die op zijn tijd gedaan wordt Een
passend offer Tijdens het moesaf-gebed van Sjabbat zeggen wij: �En U gebood ons� een passend Sjabbat moesaf offer te brengen�. HaGaon Rav M.D. Soloveitchik, rosj jesjiva van Brisk, werd gevraagd wat zijn mening was oven het woord �passend�. Wij kunnen zeggen, antwoordde hij, dat, hoewel men met het offeren van het vet en de organen kan wachten tot na Sjabbat, de mitswa is om het te doen zoals het hoort en ze te offeren op Sjabbat, zoals er staat in onze soegia, want een �mitswa is geliefd op zijn tijd�. Dat is daarom �passend� [Sjai LaTora, Rosj Hasjana-Jom Kippoer, 103]. N.B. Halachische discussies die hier gepresenteerd worden, zijn uitsluiten bedoeld om de gedachten en het leren te stimuleren en om achtergrondinformatie te verstrekken en zij moeten niet beschouwd worden als psak halacha. Halachot moet men leren onderleiding van een bevoegde Rav, dat is een Rabbijn die ook bevoegd is om een psak halacha te geven.
Bovenstaande teksten zijn woordelijke vertalingen van resp. Meorot Hadaf HaYomi en Weekly DAF Footnotes. De toelichtende en verklarende teksten tussen rechte haken [ ] (niet de bron� vermeldingen) zijn afkomstig
van de
vertaler. |