|
דף לה\ב
מימר אמר
De ervaren mohel of de jonge broer: wie komt eerst?
In dit
artikel hebben degenen die onze Gemara leren een speciale gelegenheid om
te zien hoe de poskiem verschillende halachot beslissen door
soegiot van de Talmoed te leren die ogenschijnlijk niets te maken
hebben met het onderwerp dat aan hen voorgelegd wordt.
De Chacham
Zwi had grote problemen met onze gemara en kwam daardoor tot een
conclusie met verreikende gevolgen.
Onze
soegia gaat over gebreken aan een gaaf geboren eerstgeboren dier en
de verschillende mogelijkheden om te veronderstellen dat iemand, die
ervan kon profiteren, met opzet een diskwalificerende verwonding daaraan
zou aanbrengen. Een van de gevallen die besproken wordt is als een
ongeletterde kohen als schaapherder werkt voor het dier waaraan
het gebrek ontdekt wordt. De Gemara zegt dat wij hem er niet van hoeven
te verdenken dat hij de verwonding zelf heeft veroorzaakt, omdat hij
niet zal hopen het dier te zullen krijgen, omdat hij weet dat de
eigenaar er de voorkeur aan zal geven om het aan een geleerde kohen
te geven. (Als hij hoopt het wel te krijgen, dat ontstaat de verdenking
dat hij het gebrek veroorzaakt heeft, zodat, als hij het krijgt, hij het
kan slachten overal en wanneer hij wil, zonder zich de moeite te hoeven
getroosten om er helemaal mee naar het Beit Hamikdasj te gaan.)
Een
welbekende regel betreffende giften aan de kohaniem zegt dat als
iemand een kohen „geadopteerd heeft” om aan hem zijn giften te
schenken, die kohen een makirei kehoena wordt en de
eigenaar mag dan zijn giften niet aan een andere kohen geven
(zie Bawa Batra 123b).
Daarom geldt dat als de kohen-schaapherder de makirei kehoena
van de eigenaar is, hij zeker hoopt de bechor te zullen krijgen
en dus hoort hij verdacht te zijn het gebrek te hebben veroorzaakt.
Waarom voegt de Gemara er dan geen voorwaarde aan toe die de verdenking
van de kohen-schaapherder afneemt, dat hij geen makirei
kehoena is? Het kan alleen maar zijn, zo concludeert de Chacham Zwi
(Responsa 70)
dat het is toegestaan om makirei kehoena te negeren voor iemand
die een talmied chacham is en daarom is de schaapherder er
helemaal niet zo zeker van dat hem het eerstgeboren dier gegeven zal
worden, ondanks dat hij die voorheen wel kreeg
(zie ibid betreffende Tosafot, beg.w. meimar).
Wij gaan nu
verder met het geval dat aan Chacham Zwi werd voorgelegd.
Een bepaald
persoon was gewend dat al zijn zonen besneden werden door een bepaalde
mohel. Hij stierf en na zijn dood kreeg zijn vrouw nog een baby,
een zoon. Toen de brit naderde, wilde de mohel die al de
vorige zonen van de vrouw besneden had ook dit jonge weesje besnijden.
Echter een grote broer van de baby verklaarde dat hij zijn broertje zelf
wilde besnijden. De mohel beweerde dat aangezien de vader hem al
zijn zonen gegeven had om te besnijden, hem de mitswa niet ontnomen
mocht worden, zoals een makirei kehoena, dat als de mensen gewend
waren hun giften aan een bepaalde kohen te geven, zij daarmee
door moesten gaan. Echter, de zoon beweerde dat dit de persoonlijke
verplichting was van zijn vader en nu die niet meer aanwezig was, had
die verplichting zijn betekenis verloren. De Chacham Zwi was het eens
met de zoon en daar gaf hij een fijne halachische verklaring voor: de
halacha van makirei kehoena is gebaseerd op het vers: „De
overlevenden van Israël zullen geen onrechtvaardigheden begaan en zullen
geen leugens vertellen”
(Tsefanja 3:13).
Iemand moet zijn uitspraken niet veranderen en zoals hij gewoon is om
zijn giften aan een bepaalde kohen te geven, dan is dat als een
belofte die hij moet houden
(zie Tosafot, Bawa Batra, ibid, volgens de Gemara in Bawa Metsia 49a).
Daarom moet de vader, die de belofte gedaan heeft, zijn belofte houden.
Maar anderen, die niets beloofd hebben, hoeven zich daaraan niet te
houden.
De Chacham
Zwi voegt daaraan toe dat er nog een ander idee is dat de broer steunt.
Iemand die geld beschikbaar heeft voor liefdadigheid en die
geconfronteerd wordt met twee armen, de één een familielid en de ander
een talmied chacham, aan wie moet hij de voorkeur geven?
Rambam meent
(Hilchot Matnot ‘Aniïem 7:13): „Een familielid heeft voorrang
boven ieder ander.” De Chacham Zwi zegt dat Rambam bedoelde dat
een familielid ook voorrang heeft boven een talmied chacham.
Laten we de feiten eens op een rijtje zetten. Indien, zoals wij leren,
het is toegestaan om makirei kehoena te negeren ten gunste van
een talmied chacham, dan geldt zeker hetzelfde voor een
familielid, dat voorrang geniet boven een talmied chacham. Als in
geval van liefdadigheid een familielid voorrang heeft boven iedereen, zo
concludeert Chacham Zwi, dan geldt dat zeker voor mitswot, want er is
geen grotere liefdadigheid dan iemand een mitswa te gunnen en dus moet
men daar ook de voorkeur geven aan familie… Het blijkt dus dat zelfs al
had de vader nog geleefd, dan had hij zijn zoon als mohel mogen
aanwijzen en hij zou dan niet beschouwd mogen worden als iemand die zijn
belofte niet houdt en onrecht doet (zie Sjoelchan Aroech J.D.
264:1 en Taz n. 5).
Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 269 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei
Brak
דף לז\א השוחט את הבכור ונודע שלא הראהו
Een verkeerde aankoop maar de koper had er toch wat aan
Een
interessant geval werd onlangs gehoord in een zeker beit din. De
eiser en de verdediger hadden tegengestelde standpunten die het gevolg
bleken te zijn van een verschil van mening waarover de Risjoniem
en de Acheroniem reeds discussiëerden.
Geef je
tatoeage terug en ik geef je je geld terug:
Iemand kreeg in een door Joden beheerde schoonheidskliniek een
behandeling die niet was terug te draaien en het bleek dat die
behandeling verboden was, zoiets als het verbod van tatoeage. Noch de
klant, noch de schoonheidsspecialist waren op de hoogte van het verbod
maar een paar dagen na de behandeling hoorde de cliënt over het verbod
en eiste zijn geld terug, waarop de schoonheidsspecialist reageerde met:
„Geef mij terug wat je gekregen hebt en dan geef ik je je geld terug.”
Aan de basis van een dergelijk din Tora staat de claim dat zolang
als de koper profijt heeft van het gekochte artikel, kan hij niet
klagen.
Wie heeft
gelijk en wat besliste het beit din? Laat ons eerst beginnen met
onze soegia.
Wanneer
iemand iets koopt, weten hij en de verkoper dat als blijkt dat er zich
een gebrek aan bevindt, de koop ongeldig is. De koper brengt het
gekochte voorwerp terug naar de verkoper en die geeft het geld terug.
Aan de andere kant, als de koper het voorwerp gebruikt heeft en er
profijt van gehad heeft, moet hij de waarde van zijn gebruik aftrekken
van het te restituëren bedrag, net als iemand die een vrucht gegeten
heeft omdat hij dacht dat de vrucht van hem was: hij moet de eigenaar de
waarde betalen van het profijt dat hij ervan gehad heeft
(zelfs als dit geen diefstal betreft; zie Ketoebot 32b en Tosafot
en Bawa Kama 112a).
De verkoop
van vlees van een eerstgeboren dier dat niet gecontroleerd was op
gebreken:
Onze misjna
behandelt het geval van iemand die ongehoorzaam was aan de Geleerden en
die het vlees van een eerstgeboren dier verkocht, zonder dat hij dat
eerst door een expert had laten onderzoeken op gebreken. Het
eerstgeboren dier wordt als een twijfelgeval beschouwd, daar wij niet
weten of wij de eigenaar mogen geloven als hij zegt dat het dier een
[voor het altaar diskwalificerend] gebrek heeft en dan moet zijn vlees
verbrand worden. De misjna zegt dat de verkoper het geld aan de koper
moet terugbetalen, of de koper het vlees gegeten heeft of niet.
Dit geval
bestaat uit twee delen. Iedereen is het er over eens dat de verkoper de
koper moet terugbetalen voor vlees dat hij nog niet gegeten heeft, daar
hij het moet verbranden en er dus geen enkel nut van heeft. Dit
verschilt niet van iedere andere deal dat ongeldig wordt wanneer een
gekocht voorwerp onbruikbaar blijkt te zijn. Maar hoe zit het met het
vlees dat de koper reeds heeft opgegeten? Waarom moet de verkoper hem
daarvoor de volle prijs terug betalen? Hij kan toch zeker de waarde van
het nut dat de koper van het vlees heeft gehad, aftrekken?
Er zijn twee
verschillende benaderingen van dit probleem.
Een boete
als een Rabbijns decreet:
Rasji zegt
(beg.w. Wejachazir lahem hadamiem)
dat Chazal hem verplicht heeft het geld terug te betalen als een
boete. Met andere woorden, Chazal legden aan de verkoper een
boete op om de volle prijs terug te betalen, zonder dat hij het recht
heeft om het nut dat de koper ervan heeft gehad te mogen aftrekken, als
een afschrikwekkende maatregel wegens zijn minachting voor Tora.
Voordeel
hebben van iets dat verboden is, is geen voordeel:
Aan de andere kant geeft de Sjema’ (J.D. 119, n. 25) een
andere reden. Volgens hem kunnen wij niet zeggen dat de koper profijt
heeft gehad van het vlees, want hij is een oprechte Jood en hij zou meer
plezier gehad hebben als hij dit verboden vlees niet gegeten had… Zijn
profijt is helemaal geen profijt en daarom wordt hij niet beschouwd als
iemand die het artikel gebruikt heeft en er is helemaal geen noodzaak om
de terugbetaling door de verkoper als een boete op te vatten.
Een
onopzettelijke verkoop van verboden artikelen:
De halachische gevolgen van de twee meningen komt tot uidrukking als
iemand onbewust iets verkoopt dat verboden is. In dat geval is er geen
reden om de verkoper te straffen en het geval hoeft dan alleen beschouwd
te worden vanuit een financiëel standpunt. Volgens de eerste mening
heeft degene die het gekochte voedsel gegeten heeft of het voorwerp
gebruikt heeft er volledig profijt van gehad en die waarde moet dus
worden afgetrokken van de restitutie
(Sjach J.D. 119, n. 25).
Maar volgens de Sjema’ had de koper er helemaal geen profijt van
en hij mag zijn geld terugeisen.
Laat ons
terugkeren tot het geval van de „tatoeage”.
Hier komen
wij het verschil tegen tussen de twee hiervoor genoemde meningen.
Volgens de eerste mening legden Chazal de verkoper een boete op
omdat hij met opzet het vlees van een eerstgeborene verkocht had, zonder
dat eerst door een chacham te laten controleren. In ons geval
deed schoonheidsspecialist niet met opzet iets dat verboden is, hij
dacht dat het mocht en Chazal leggen alleen een boete op aan wie
met opzet een overtreding begaat. Aan de andere kant maakt het volgens
de Sjema’ geen verschil uit of de verkoper met opzet een
overtreding beging of niet: de eiser had geen plezier van de verboden
tatoeage, het was een verkeerde aankoop en het geld moet worden
terugbetaald.
דף לח\א כל שאין לו תוך בכלי חרס
De lucht in een aardewerken vat
Tussen de
onderwerpen die wij deze week in de Daj HaJomi leren, vinden wij
ook de speciale halacha van aardewerk, dat niet op dezelfde manier
onrein wordt als voorwerpen van ander materiaal. Ieder voorwerp dat
wordt aangeraakt door een onrein voorwerp wordt onrein, maar aardewerk
is iets „speciaals”. Als een onrein voorwerp de buitenkant ervan
aanraakt, heeft dat er geen effect op, maar als een onrein voorwerp een
aardewerken vat, pot of pan binnengaat, dan wordt dat vat, enz.
onrein, zelfs al raakt het onreine voorwerp het niet aan!
In dit
artikel zullen wij aandacht besteden aan een chakira (onderzoek)
naar de essentie van de halacha van onreinheid voor zover het aardewerk
betreft.
De
onreinheid van aardewerk kan op twee manieren gedefiniëerd worden. |