|
דף
סא/א: וכשהוא חולץ חולץ של שמאל
Daf 61a: En
wanneer hij zijn schoenen uitdoet, doet hij eerst de linker uit
Hoe doet
men zijn schoenen uit?
De Gemara geeft hier een halacha, die
ogenschijnlijk zo duidelijk en ongecompliceerd is als wat dan ook:
„Wanneer men zijn schoenen uit doet, doet men eerst de linker schoen uit
en dan de rechter.” Maar zelfs deze halacha is het onderwerp van
discussie van de poskiem, die trachten deze halacha in al zijn
bijzonderheden te definiëren.
Voordat wij deze discussies beginnen
te onderzoeken, zullen wij eerst nader ingaan op het antwoord dat HaGaon
Rav Sjlomo Zalman Auerbach zt”l gaf aan iemand die een nadere
verklaring vroeg van de uitspraak van chazal: „Hasjem wilde
Israël verdiensten geven en daarom gaf Hij hen een overvloed aan Tora en
mitswot.” Rav Sjlomo Zalman Auerbach legde uit dat de bedoeling van
chazal is dat ook eenvoudige handelingen, wanneer zij met de juiste
intentie gedaan worden, als mitswot worden aangerekend en meetellen als
verdienste van Israël. Bijvoorbeeld: ieder mens moet dagelijks aan het
eind van de dag zijn schoenen uitdoen. De halacha bepaalt hoe men dat
moet doen en zo kan men verdienste krijgen zonder extra moeite of
inspanning (Hilchot
Sjlomo II, p. 75). Hiermee kunnen we terugkeren
naar de halachische discussie.
Welke schoen moet men eerst
uittrekken? De Gemara vertelt ons dat wanneer
wij onze schoenen aantrekken, wij eerst de rechterschoen aantrekken
(zonder de veters dicht te maken), dan de linkerschoen aantrekken, dan
de veters van de linker schoen dichtstrikken en pas dan de veters van de
rechterschoen dichtknopen. Dan gaat de gemara verder en zegt dat wij bij
het uitdoen van de schoenen andersom te werk moeten gaan, eerst de
linkerschoen uit en dan de rechterschoen uit. Maar de Gemara zegt niets
over het losmaken van de veters bij het uitdoen van de schoenen. Moeten
wij bij het uitdoen van de schoenen eerst de veters van de rechterschoen
losmaken, dan die van de linkerschoen, vervolgens de linker schoen
uitdoen en ten slotte de rehterschoen uitdoen? Dat is inderdaad de
mening van de Maharlach
(Hagahot HaToer 2), van de Sjoelchan Sjlomo
(ib.)
en Pitchei Olam (ib. n.
6 en zie ook Mekor Chaïm ib. n. 2).
Anderen echter (Beit Baroech I,
appendix op klal 1, n.39; Tesjoewot Az Nidberoe II, 25:3) beweren
dat nu de vroege Geleerden geen bijzonderheden hierover gegeven hebben,
dit kennelijk niet waar is, maar men maakt de veters van de linkerschoen
eerst los, doet die schoen uit en gaat daarna naar de rechterschoen. Zij
menen, dat, hoewel bij het aandoen van de schoenen men eerst de linker
veters moet dichtbinden omdat men de arm-tefillien op de linkerarm
bindt, het losmaken van de veters geen zelfstandige betekenis heeft maar
onderdeel van de handeling van het uitdoen van de schoenen is. Daarom
hoeft men geen speciale eerbied te tonen voor de linkerschoen door de
veters daarvan pas op het laatst los te maken.
Hebben overige kleren dezelfde
din als schoenen?
De poskiem discussiëren nog verder
over deze halacha van de volgorde van het aantrekken van schoenen. Rasji
zegt in zijn commentaar, dat men wegens de eer aan rechts eerst de
linkerkant uittrekt. Wegens deze reden geldt deze din ook voor de
overige kleren, waarvan men ook de linkerkant eerst moet uittrekken
[dus men moet dan eerst
de linker mouw van een jas enz. uittrekken, zodat de rechter arm enz.
het langst gekleed is].
Echter de Rabbaniem van Beit Midrasj
Meorot HaDaf wijzen erop dat de Meïri verklaart dat de reden dat men de
linkerschoen eerst uitdoet, is wegens de eer die men wil bewijzen aan de
rechtervoet, opdat die niet bloot zal zijn [het lopen op blote voeten is
traditioneel een teken van vernedering of armoede of rouw, daarom laten
we de rechtervoet zo lang mogelijk geschoeid]. Uit zijn woorden kan men
opmaken dat ook bij het uittrekken van een kledingstuk, waarvan het
uitdoen iets vernederends heeft, men zo moet handelen maar bij het
uittrekken van een jas, waarna men nog netjes gekleed blijft in zijn
overige kleren, hoeft men niet zo precies te zijn.
Het uitdoen van schoenen erev
Jom Kippoer: In zijn commentaar op de Joodse
kalender schrijft HaGaon Rav Jechiël Michal Tukitsinski
(in naam van HaGaon Rav Awraham
Jitschak Kook) dat wanneer men zijn schoenen
uitdoet voor Jom Kippoer, men eerst de rechterschoen uitdoet, omdat men
daarmee een mitswa doet ter ere van deze heilige dag, waarop het
verboden is leren schoenen te dragen, en als men een mitswa doet, heeft
rechts voorrang (Hilchot
Sjlomo, ib. n. 70).
Echter, sommigen zijn het daar niet
mee eens (Responsa Dwar Jehosjoea III:75), omdat dit niet genoemd wordt
door chazal. En bovendien is het uittrekken van de schoenen op
zich geen mitswa, het is alleen maar een verbod om leren schoeisel te
dragen op Jom Kippoer.
Daf 63a: Een
man mag niet met een zwaard uitgaan דף סג/א לא יצא האיש לא בסייף
Het
dragen van een decoratief zwaard op Sjabbat
Volgens de voorschriften van het
Zwitserse leger moeten alle soldaten hun volledige militaire uniform
dragen, ook wanneer zij tijdens verlof naar huis gaan. Daar er bij dat
uniform ook een zwaard hoorde, dat aan hun riem hing, benaderden de
Joodse soldaten de Chelkat Ja’akov, Rav van Zürich, om hem te vragen of
zij hun zwaarden op Sjabbat over straat mochten dragen, in plaatsen waar
er geen eroev was.
De Chelkat Ja’akov
(Tesjoewot 67)
begint zijn responsum met het aanhalen van onze Misjna: „Een man gaat
niet met een zwaard of boog uit… en als hij dat toch doet is hij een
chataat schuldig. Rabbi Eliëzer staat het hen toe dat te dragen,
want ze zijn als versiering. De Geleerden zeggen dat het alleen maar
iets beschamends is, zoals de passoek zegt: „Het ene volk zal geen
zwaard meer opheffen tegen een ander volk, zij zullen niet meer leren
oorlog te voeren.” De mening van de
Chachamiem is als halacha geaccepteerd in de Sjoelchan Aroech
(O.Ch. 301:7).
Hieruit lijkt men te kunnen
concluderen dat het de Zwitserse soldaten verboden is om met hun zwaard
over straat te gaan op Sjabbat. Maar de Chelkat Ja’akov schrijft dat dit
betekent dat zij dan de hele Sjabbat thuis moeten blijven en niet in
sjoel kunnen dawwenen en geen Tora kunnen horen lezen. Daarom moet men
niet te haastig zijn met een dergelijk streng oordeel. Wanneer er een
acceptabele reden is om soepel te kunnen zijn, moet die gevonden worden
en worden toegepast.
Het gebruik van een wandelstok om
een bevroren rivier over te steken: De
Chelkat Ja’akov haalt de Taz
(301:12)
aan, die het toestaat om een wandelstok te dragen om een bevroren rivier
over te steken op Sjabbat. De Taz legt uit dat aangezien het gevaarlijk
is om zonder stok een bevroren rivier over te steken, de stok
vergelijkbaar wordt als iemands schoen en dat het daarom is toegestaan.
Het is ook gevaarlijk voor soldaten om zonder zwaard gezien te worden,
want dan kunnen zij gepakt en gestraft worden. De zwaarden worden daarom
als een kledingstuk. Voorts is het zelfs nog meer redelijk om de
zwaarden te vergelijken met kleding, daar zij vastzitten aan de riemen
van de soldaten.
De Chelkat Ja’akov verwerpt
vervolgens deze redenering. Een stok is voor iemand een hulpmiddel bij
het lopen, daarom is het te vergelijken als een hulpmiddel voor de voet.
Dat geldt niet voor een zwaard. Het feit dat de soldaten verplicht zijn
om een zwaard te dragen, maakt de zwaarden niet een deel van hun
kleding.
De Chelkat Ja’akov stelt dan een
andere mogelijke soepelheid voor. Rabbi Eliëzer en de Geleerden
verschillen van mening over de vraag of een zwaard een sieraad is.
Misschien verwerpen de Chachamiem deze idee alleen maar voor een zwaard
dat gedragen wordt als een wapen. Dan is het een schande en geen
sieraad. Maar het zwaard dat de Zwitserse soldaten dragen is niet hun
wapen, maar alleen maar een decoratief onderdeel van het uniform. Daarom
zouden de Chachamiem het misschien eens zijn met Rabbi Eliëzer, dat
zulke zwaarden als decoratie gedragen mogen worden op Sjabbat.
Tot slot brengt de Chelkat Ja’akov
het meest overtuigende argument van alles. Vorige week hebben wij
geleerd dat een slaaf uit mag gaan met een kleitablet met een zegel
erop, dat hem identificeert als het eigendom van zijn meester (58a).
Hoewel het zegel niet echt een kledingstuk is, want hij moet het altijd
dragen als symbool van zijn dienstbaarheid, wordt het toch als een deel
van zijn kleding beschouwd. Hetzelfde geldt voor de zwaarden van de
Zwitserse soldaten, die een symbool zijn voor hun verbondenheid met het
Zwitserse leger.
Men zou kunnen denken dat men
onderscheid mag maken tussen beide gevallen. Een slaaf is het materiële
eigendom van zijn meester. Daarom wordt het symbool van zijn
dienstbaarheid, dat zijn meester van hem verlangt te dragen, een
onderdeel van zijn kleding. Maar soldaten zijn niet het eigendom van het
leger. Hoewel hun meerderen van hen kunnen eisen dat zij de zwaarden
moeten dragen, maakt dat de zwaarden nog niet automatisch tot een
onderdeel van hun kleding. Echter een van de vroegste poskiem, de Or
Zaroea (II, 84:3)
heeft reeds vele generaties terug een precedent geschapen toen hij het
toestond dat Joden „groene cirkels” mochten dragen die hen als Jood
identificeerden, zoals de burgelijke overheid toen eiste. Hij citeerde
het geval van een slaaf met zijn kleitablet als bewijs voor deze
regeling. Wij zien hieraan dat hij dat onderscheid niet maakte. Net
zoals hij het geval met de klei-zegels toepaste op het dragen van de
groene circels op Sjabbat, zo mogen wij het toepassen om het dragen van
de decoratieve zwaarden, zoals het leger eist, toe te staan. De
beslissing van de Or Zaroea is de geaccepteerde halacha in de
Sjoelchan Aroech
(301:223).
Identificatieplaatjes:
Tegenwoordig eisen vele legers dat de soldaten een metalen
identificatieplaatje dragen, in geval dat zij sneuvelen, G-d verhoede.
Aan de poskiem werd gevraag of men zulke plaatjes mag dragen op Sjabbat
op plaatsen waar geen eroev is. Zij antwoordden dat aangezien het
leger strikt eist dat de soldaten deze plaatjes altijd dragen, zij
kunnen beschouwd worden als een deel van hun kleding, zoals de
kleizegels en de Zwitserse zwaarden (zie Sjemirat Sjabbat Kehilchata
18:22 in naam van Rav Sjlomo Zalman Auerbach zt”l. Zie ook
Sjoelchan Sjlomo 301:4 en voetnoot).
Daf 66b:
Alle bezweringsformules met de naam van de moeder דף סו/ב כל מייני בשמא
דאימא
Zegent
men iemand met zijn vaders naam of met zijn moeders naam?
In een discussie over een groot
gevariëerd aantal bovennatuurlijke geneeswijzen, zegt de Gemara dat
formules die gezegd worden voor iemands genezing, de naam van de zieke
en diens moeder genoemd moeten worden
(zie Gittien 69b, Awoda Zara
12b). De Zohar
(parasjat Lech Lecha 64)
leert het belang van het noemen van de naam van de moeder in onze
gebeden, uit de passoek: „Redt de zoon van Uw dienstmaagd”
(Tehilliem 86:16).
Sommigen veronderstellen dat de naam van de moeder gebruikt wordt, in
plaats van die van de vader, omdat het altijd absoluut zeker is wie de
moeder is van een kind, maar het is niet altijd duidelijk wie zijn vader
is (zie Maharsjal hier;
Prie Chadasj en Sja’arei Tesjoewam, begin van Sjoelchan Aroech 119).
De psoekiem van Tora schijnen
deze gewoonte ook te steunen. Jitschak Awinoe zegende Ja’akov: „De zonen
van je moeder zullen voor je buigen”
(Bereisjiet27:29).
Jitschak zegend hem, en noemde daarbij zijn moeder, niet zijn vader.
Toen Ja’akov op zijn beurt Jehoeda zegende, zei hij: „De zonen van de
vader zullen voor je buigen.” Maar dat was alleen omdat Ja’akov
zonen van vele vrouwen had, en hij wilde dat zij allen ondergeschikt
zouden zijnaanJehoeda. Daarom noemde hij hen allen als de zonen van zijn
vader.
De verdienste van een moeder is
groter: De Ben Jehoyada schrijft dat
aangezien vrouwen minder mitswot hebben dan mannen, hebben zij ook
minder kans om ze te overtreden. Voorts kan hen geen laksheid in
Tora-studie verweten worden, want het is niet opgedragen zich met Tora
bezig te houden. Daarom bidden wij voor mensen in naam van hun moeders,
om de Aanklager minder gelegenheid te geven om onze gebeden uit te
dagen.
Dit alles geldt voor gebeden voor de
levenden. Zoals bekend is het de Asjkenazische gewoonte om voor
overledenen te dawwenen en daarbij de naam van hun vader te gebruiken.
Deze gewoonte is gebaseerd op het Sefer Chassidiem
(242),
en dat wordt ook genoemd door de Hafla’a in zijn werk Pniem Jafot
(parasjat Beha’alotecha). |