Meorot

        HaDaf HaJomi

          Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi

Een uitgave van Beis Hamidrash of Chassidei Sochatchov - Bnei Brak - Israël - Chatam Soferstr. 3 -Tel. 972-3-6160657

 

110 Tevet 5763                                     Sanhedrin 95-101                                   đń"ă       Nr. 186

Text Box: HOME
Oval: Archief
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

95a Hoelang zal deze misdaad verborgen blijven in uw hand?

De oude man die gedood werd op een zakenreis

Ongeveer 250 jaar geleden vroeg een oudere man een hande­laar hem in dienst te nemen om goederen te vervoeren tussen de ste­den. Zij vrouw smeekte hem zichzelf niet in gevaar te bren­gen met zulk hard en gevaarlijk werk, waarbij hij langs ge­vaarlijke open we­gen zou moeten reizen. Tot haar verdriet ne­geerde hij zijn vrouw en ging op reis, waarvan hij nimmer terug­keerde. Zijn werkgever wendde zich tot HaGaon Rav Jechezkel Landau, schrijver van Noda’ BiJehoeda [Responsa 1ste uitg. , O.Ch. 34] om hem instruc­ties te geven met een of andere vorm van boetedoening, want hij voelde zichzelf verant­woordelijk voor het ongeluk.

Naar zulke gebeurtenissen hebben de halachische autoriteiten van alle generaties gewezen. Vele poskiem maakten onderscheid tus­sen de situatie waarin de werkgever iemand [een sjaliach, afgezant, agent] aanstelt om een bepaald werk uit te voeren en wanneer de sjaliach daarom vraagt. Dit onder­scheid is gebaseerd op onze soegia, waarin verteld wordt dat Hasjem tegen Koning David zei: „Hoe­lang zul je deze misdaad verborgen houden? Nov, de stad van de pries­ters werd verwoest wegens jou, Doeg werd achterna gezeten we­gens jou en zijn drie zonen werden gedood wegens jou.”

Een nauwkeurige bestudering van I Sjmoeël [Samuel] hoofdstuk 21 toont aan dat David nimmer iemand gedood heeft. Toen hij vlucht­te voor Sjaoel [Saul] kwam hij in Nov aan en vroeg daar hulp van Achimelech.  Sjaoel verdacht Achimelech ervan tegen hem te re­belleren en gaf zijn mannen opdracht de bewoners van Nov te do­den. Sjaoel en zijn drie zonen werden gedood wegens deze mis­daad. Niettemin verwijt Hasjem de verwoesting van Nov aan David, daar het incident bij hem begon, toen Achimelech reageer­de op Davids vezoek [Mahari Weil 125; de Tsemech Tsedek (Responsa 6) zegt dat hoewel David aan Achimelech vertelde dat hij door Sjaoel gezonden werd, en wanneer Achimelech geweten had dat David voor Sjaoel op de vlucht was, het mogelijk is dat hij David niet geholpen had, de poskiem daar toch van leren over een sjaliach, die een verzoek uitvoert; zie Margaliot HaJam).

Niettemin, verweet Hasjem David niet een ander voorval en de poskiem bewijzen daaruit dat wanneer een sjaliach uit eigen vrije wil handelt, wij degene die de sjaliach heeft aangesteld niet de schuld geven wanneer de sjaliach omkomt. Avner kwam naar Chevron [Hebron] om een verbond te sluiten met David en werd daar door Joav gedood [II Sjmoeël, Hfdst. 3]. De moord werd niet David verweten, daar Avner uit vrije wil was gekomen [Noda’ BeJehoeda, ibid.].

De verzoening die door de Maharam van Lublin wordt voorgesteld voor het per ongeluk veroorzaken van iemands dood: Wanneer wij een idee willen hebben van hoe ernstig het is om de dood van een Jood te veroorzaken, dan moeten wij de boetedoening, die de Maharam van Lublin voorstaat, als men verantwoordelijk is voor de dood van iemand, nader onderzoeken [Responsa 44]. Het omvat een vasten van 40 achtereenvolgende dagen, de overledene iedere maand vergiffenis vragen op zijn graf, niet deelnemen aan feestmaaltijden en andere vergelijkbare activiteiten tijdens het rouwjaar en vele andere rectificaties [tikkoeniem].

 

97b En als hij talmt, wacht op hem, want hij zal zeker komen, hij zal niet te laat zijn.

Hoewel hij talmt, verwacht ik hem

Rambam schrijft in zijn commentaar op de Misjna [einde van Berachot]: „Volgens mij is het onderwijzen van een van de beginselen van ons geloof en vertrouwen belangrijker dan al het andere dat ik kon onderwijzen.” Met andere woorden, hij vond het belangrijker om ons de geloofsprincipes te leren dan zijn hele Jad Hachazaka… Wij zullen nu aandacht besteden aan het twaalfde principe van de Dertien Beginselen van het Geloof, die velen na sjacharit zeggen – het geloof in de komst van de Masjiach.

Het geloof in de komst van de Masjiach houdt in dat men naar hem verlangt: De formulering van het twaalfde pricipe verschilt van die van de overige. In alle andere zeggen wij het principe feitelijk, zoals: „Ik geloof in vol vertrouwen dat alle woorden van de profeten waar zijn.” Aan de andere kant houdt het twaalfde principe – „Ik geloof in vol vertrouwen in de komst van de Masjiach” – een korte discussie in: „en ondanks dat hij talmt, verwacht ik toch dat hij iedere dag kan komen.” Rambam verklaart [Hilchot Melachiem, 11:1 en in zijn commentaar op de Misjna in ons hoofdstuk, beg.w. Hajesod hasjeneem ’asar] dat het vertrouwen in de komst van de Masjiach inhoudt dat men naar zijn komst verlangt: „…om te geloven en te bevestigen dat hij zal komen en niet te denken dat hij zal talmen; wanneer hij talmt, dan moet men op hem wachten en niet denken dat hij alleen maar op een bepaalde tijd had kunnen komen, en men moet ook niet uit de Tanach [Bijbel] proberen uit te pluizen wat het tijdstip van zijn komst zal zijn” [commentaar op de misjna, ibid]. „En ieder die niet in hem gelooft of ieder die hem niet verwacht, ontkent niet alleen de andere profeten maar ontkent de Tora en Mosjé” [Hilchot Melachiem, ibid].

Dit is de verklaring van het twaalde principe. Er is geen vraag of antwoord maar een definitie van het geloof: hoewel hij talmt, verwacht ik hem iedere dag te zullen komen.

Hem iedere dag te zullen komen: Het is duidelijk dat de Masjiach niet op iedere dag kan komen, zoals onze soegia zegt: er zijn vele beperkingen die zijn komst tot bepaalde dagen en situaties beperkt, zoals „na een Sjabbat-jaar”, „wanneer de mensen geen geld meer hebben” en dergelijke. Andere bronnen zeggen dat hij zal komen nadat de profeet Eliahoe [Elia]  zijn komst heeft aange­kon­digd en dat Eliahoe niet komt op de dag voor Sjabbat of voor een feestdag [zie Eroevien 43b, Pesachiem 13a]. Wanneer dat zo is, moeten wij hem dan werkelijk iedere dag verwachten?

Volgens sommige poskiem gelden de bovengenoemde beperkingen, of althans sommige ervan, voor de uiteindelijke Verlossing, wanneer die „op zijn [vastgestelde] tijd” komt. Maar wanneer wij een spoedige Verlossing verdienen, dan komt het „gesprongen over de heuvels en de bergen” zonder enige beperkingen [zie Peles 110, eind Koentres Beit HaSafeek, en zie ook verder in de Responsa van Chatam Sofeer VI:98; Klie Chemda, parasjat Sjemini, p. 67 en Encyclopaedia Talmoedica, het artikel over Jemot HaMasjiach).

Een rijk iemand ontmoette eens HaGaon Rav Y. Blazer z”l, en vroeg hem over de uitspraak dat de Verlossing zal komen wanneer er „geen proeta meer over is in de geldbuidel” [een proeta was vroeger de kleinste munteenheid]. De mensen hebben nog allemaal geld, vroeg hij, dus hoe kunnen wij dan iedere dag de komst van de Masjiach verwachten? Rav Blazer antwoordde dat Awraham verteld was dat de Egyptische ballingschap 400 jaar zou duren, maar het duurde slechts 210 jaar en de geleerden namen de moeite om de getallen met elkaar in overeenstemming te brengen. Op dezelfde manier zullen de geleerden de uitspraken over de Masjiach met elkaar in overeenstemming brengen, maar „jij, ga door met een volledig geloof  dat hij iedere dag kan komen” [HaMeorot Hagedoliem; zie deze vraag ook in de Rasjasj op onze soegia, die een tegengestelde verklaring geeft: er zal geen peroeta meer zijn, zelfs niet in de buidels van de liefdadigheidsinstellingen, omdat iedereen zoveel geld zal hebben, dat men alleen maar grote bedragen geeft…] [Of misschien wanneer iedereen alleen nog met een creditcard of chip betaalt? (Zwi)]

Het laatste verzoek van een Jood  voordat de Nazi’s hem vermoordden

Vorige week vertelden wij het verhaal van iemand die zijn vader bedacht in de Meorot Sjas en als gevolg daarvan een Daf HaJomi sjioer ging volgen, waarmee hij zowel zijn eigen ziel verhief als tijd opzij zette voor Tora. Deze week zullen wij on­ze aandacht vestigen op een roerende his­torisch docu­ment, geschreven door een Jood tijdens de Holocaust, enige ogen­blikken voordat hij vermoord werd.

De brief drukt het verlangen uit van een Jood naar het eeuwige leven. In zijn woor­den, geschreven terwijl de soldaten op zijn deur klopten, legde hij een ander heilig en onsterfelijk hoofdstuk neer uit onze lange ge­schie­denis. Hij drukte het ware en eeuw­ige verlangen uit, dat in het hart van iede­re jood leeft, wiens voorvader bij de Berg Sinai stond.

De Holocaust bracht een ver­schrik­kelijke geestelijke catastrofe over ons volk van­we­ge het enorme plotse­linge verlies. Niet­temin moe­ten wij de roe­ren­de getui­genissen van de over­levenden absorbe­ren die de zelf-op­offering in herinnering brengen die door de vermoorden getoond werd.

Deze praktijk werd ook gevolgd door de Bluzhover Rebbe, Rabbi Jisraël Sjapira zts”l, een over­levende van de Holocaust, die was uitgenodigd om te spreken bij een voltooiing van de Sjas in het Daf HaJomi programma. De sijoem [afsluiting] was opgedragen ter nage­dachtenis aan diegenen die tijdens de Holocaust vermoord wer­den. Zijn toespraak combineerde de zorg en het verdriet die hij had gezien met de hoop en vreugde van de vernieuwing van de wereld van Tora. Hij getuigde van de Joden die nooit aarzelden en weigerden hun kinde­ren  over te geven aan de zorgen van de kerken of kloosters maar hen liever met zich meenamen in de do­den­treinen, opdat zij zouden sterven als Joden.

„Ik kan getuigen,” vertelde hij, „dat gedurende die lange jaren van el­len­de ik nauwelijks ooit een Jood hoor­de vragen naar het motief van Hasjem. Zij accepteerden hun ellen­de met liefde! Maar ik hoorde hen zuchten: ‘O, wie zal er Kaddisj voor mij zeggen; wie zal er een hoofd­stuk Misjna voor mij leren?’ Wij had­den er niet beter aan kun­nen doen dan de Daf Jomi aan hen op te dragen, zodat de verdiensten van ons leren een monument zal zijn voor hun na­gedachtenis en een verheffing van hun zielen.”

Tijdens zijn toespraak haalde de Rebbe een stuk papier tevoorschijn en zei: „Nu wil ik u een korte brief voorlezen die ik van iemand kreeg in het dodenkamp, welke hij een paar maanden voordat hij vermoord werd, aan mij toezond.” De brief was in het Jiddisj en wij hebben hem hier voor u vertaald:

Geliefde Rabbi Jisraël Sjapira, Sjlita,

De Duitsers hebben zojuist 800 Joden uit de fabriek gehaald om ons te vermoorden. Zij weten nog niet of ze ons zullen doodschieten of verbranden. Ik vraag u, Rebbe, dat wanneer u het overleeft en in Erets Jisraël komt, doe dan alles wat u kunt om te voorkomen dat onze namen zullen worden vergeten. Schrijft u alstublieft een letter in een Sefer Tora ter aandenken van mijn naam en die van mijn vrouw.  Ik sluit hierbij $50 in. Ik heb grote haast want de Duitsters manen ons aan ons uit te kleden voordat zij ons vermoorden. Ik denk aan u en bidt voor uw lang leven.

Uw dienaar Arjé ben Lea

Dit was het laatste vezoek van één van de vele Joden, die de ware wens van iedere Jood uitdrukte, om voor altijd te worden herdacht in de gees­telijke activiteit van onze eeuw­ige Tora. Het is natuurlijk een grote ver­dienste om de dierbare en geliefde zielen te gedenken en te verheffen en hen voldoening te schen­ken. Wij moeten er bovendien aandacht aan besteden dat wij onze eigen namen in onze eeuwige Tora kunnen grave­ren, door tijd voor studie opzij te zet­ten.

De Sar Sjalom van Belz was gewoon om de mensen voor Pesach te wensen: „Moge het onze verdienste zijn om een kezajit ­[de minimaal vereiste hoeveelheid matsa die men op de Seder-avond verplicht is te eten] matsa te eten vanavond met de Masjiach samen.” Wanneer men hem vroeg over de uitspraak dat Eliahoe niet komt op de dag voor Pesach, antwoordde hij dat Eliahoe alle vragen  zou oplos­sen, ook deze. HaGaon Rav Jitschak Ze’ev van Brisk negeerde alle vragen over dit onderwerp en antwoordde kortweg dat de halacha is zoals in de siddoer staat. „Wacht op hem iedere dag dat hij komt” [Torat Ze’ev 51, en zie een uitgebreide discussie in de andere delen van Misjmar HaLevi).

Concluderend willen wij een gedicht citeren van Rabbijn Awraham Ibn Ezra: Mijn Vader, levende G-d is Uw naam. Waarom komt Koning Masjiach niet? Weet van Uw Vader dat ik niet talmen zal. Ik zal naar jou terugkeren wanneer de tijd komt.

Wanneer men de Hebreeuwse versregels bekijkt, dan ziet men dat de vraag en het antwoord vooruit en achteruit gelezen kunnen worden.

 

99a Alle profeten hebben alleen geprofeteerd over de Messiaanse tijd, maar van de Komende Wereld heeft geen oog nog iets gezien, O G-d, behalve U.

De Komende Wereld, de wereld der zielen en de wederopstanding

Ons hoofdstuk besteedt veel aandacht aan de toekomst van de wereld en het Joodse volk. Wij moeten hier twee van de belangrijkste opinies van de Risjoniem vermelden over de Komende Wereld en de wederopstanding.

Op een zeker moment was  Rambam genoodzaakt zijn beroemde brief te schrijven: Een verklaring omtrent de wederopstanding, omdat er geruchten de ronden deden dat de wederopstanding volgens hem alleen maar een parabel is. Hij verklaart zijn mening uitgebreid. De vergissing over zijn mening komt voort uit zijn scherpe afwijzing van de idee die onder vele Risjoniem in zijn tijd en daarna gold, waaronder de Ramban. De hoofdzaak van dit meningsverschil was de definitie van de Komende Wereld.

Ramban: De Komende Wereld is bij de wederopstanding: Volgens de Ramban [eind Sja’ar HaGemoel], vinden de zielen hun uiteindelijke bestemming bij de wederopstanding. De doden die zullen opstaan, zullen gelijk zijn aan Eliahoe, die geen eten of drinken nodig heeft en, zoals de Raävad zegt [Hilchot Tesjoewa 8:2]: „De Schepper zal hun lichamen sterk maken en gezond als die van de engelen en als Eliahoe.”

Volgens deze mening komt de ziel van een Jood wanneer hij deze wereld verlaat, in de Wereld der Zielen, in Gan Eden  – het Paradijs – of in Geihinom – de hel – terwijl de Komende Wereld zal zijn bij de wederopstanding, wanneer de mensen voor eeuwig zullen leven en wanneer de aarde vol zal zijn van de kennis van Hasjem [zie Bartenora op onze Misjna].

Rambam: De Komende Wereld is de wereld van de zielen: Rambam is het er niet mee eens. Volgens hem is de Komende Wereld de wereld waar de zielen terecht komen nadat zij gescheiden zijn van hun lichamen. Met andere woorden, de Komende Wereld bestaat al en de doden die zullen herrijzen bij de wederopstanding zullen geen wonderlijke lichamen hebben die geen eten of drinken nodig hebben: zij zullen stervelingen zijn en uiteindelijk doodgaan.

Volgens de Rambam is de wederopstanding niet afhankelijk van de komst van de Masjiach en kan zelfs reeds plaatsvinden vóór diens komst. Zijn mening dat de Komende Wereld niet de wereld na de wederopstanding is veroorzaakte de ernstige vergissing dat hij de wederopstanding compleet ontkende.

De Sjela [Maämar Beit David I] zegt dat de woorden in het ochtendgebed voor Sjabbat „Hacol Jodoecha” kennelijk de mening van Rambam bewijzen. In dat gebed zeggen wij: „Er is niemand als U … in deze wereld en er is niemand naast U, onze Koning, in het leven van de Komende Wereld. Er is niemand behalve U, onze Verlosser, in de dagen van de Masjiach en niemand is gelijk aan U, onze Redder, bij de wederopstanding.” Volgens de mening van de Rambam, dat de Komende Wereld de wereld van de zielen is, die reeds bestaat, klopt dit gebed perfect. Wij hebben het in dit gebed eerst over deze wereld, dan de Komende Wereld en dan de dagen van de Masjiach en de wederopstanding.  Volgens de mening van Ramban echter, komt de Komende Wereld pas na de wederopstanding, die hier pas later genoemd wordt. De Sjela concludeert dat de Kabbalisten geloven zoals Ramban, dat de doden die bij de wederopstanding zullen herrijzen, eeuwig zullen leven.

99a De wereld zal zesduizend jaar blijven bestaan

Wat zal het zevende millenium voor een wereld zijn?

In onze soegia zegt Rav Katina: „De wereld zal zesduizend jaar blijven bestaan en het zal één [-duizend jaar] verlaten liggen, zoals ons verteld wordt [in Jesajahoe II:11]: ‘En Hasjem alleen zal verheven zijn in die dagen’.” De eenvoudige interpretatie hiervan is, dat onze wereld 6.000 jaar zal blijven bestaan en gedurende duizend jaar braak zal liggen [zie Rasji, beg.w. Wechad charoev]. Deze verklaringen over het einde van het zesde millenium sinds de schepping en wat daarna zal gebeuren zijn duister en gaan ons begrip te boven. In deze afdeling hebben wij een aantal meningen van onze geleerden over dit onderwerp verzameld.

Vele Risjoniem verklaren onze Gemara volgens zijn eenvoudige betekenis, dat na zesduizend jaar onze wereld opnieuw leeg zal zijn [tohoe wavohoe – woest en leeg] en dat er na duizend jaar een nieuwe wereld zal zijn [Raävad, Hilchot Tesjoewa 8:8; Rav Saädja Gaon in Emoenot WeDeot, hfdst. 1; Kitvei Ramban I, p. 188]. De Gemara legt zelfs uit dat het  Lied voor Sjabbat voor het zevende millenium, geldt, wanneer „Hasjem alleen verheven is op die dag” [Jesjajahoe 2:11]. Met andere woorden, alleen Hasjem zal dan bestaan in die periode. Het is interessant dat volgens de Midrasj [Otiot de Rabbi Akiwa], de wereld pas na 6.093 jaar na de Schepping zal worden vernietigd.

Sommige Risjoniem verklaren dat de geschiedenis van de wereld niet zal eindigen met het zeven­de millenium: In het zevende millenium zal onze wereld naar zijn vroegere staat terugkeren voor nog eens 7.000 jaar en zovoorts, net als de Sjemita jaren zich iedere zeven jaren herhalen. Deze cyclus zal 49.000 jaar duren, totdat in het 50.000ste jaar de wereld tohoe wavohoe wordt voor de laatste keer [zie Recanati, parasja Behar 1; Machzor Vitri, 134; Rabeinoe Bechajei, parasjat Beha’alotecha, etc.].

Zullen alle schepselen sterven in die perioden? In Magid Mésjariem [parasjat Behar, p. 111], hetgeen geschreven zou zijn door Rabbijn Joseef Karo, de samensteller van de Sjoelchan Aroech, schrijft hij dat een Hemelse Magid [engel] hem verteld heeft dat in het zevende millenium de wereld niet volledig verwoest zal worden; de kracht van de natuur zal afnemen en die toestand zal verwoesting genoemd worden. De Sjela [Maämar Beit David] beweert dat de verwoesting tot uitdrukking zal komen door het feit dat er geen nieuwe zielen meer naar de wereld zullen afdalen, maar uitsluitend de zielen van diegenen die in de afgelopen 6.000 jaar geleefd hebben. Radbaz [Responsa II:839] schrijft dat er geen tohoe wavohoe zal zijn maar dat de wereld leeg zal zijn van leven. Ramban [Kitvei Ramban I, p. 169, etc.] citeert de Midrasj dat het vers „En Hasjem zegende de zevende dag” [Bereisjiet 2:3] verklaart en legt uit dat de bedoeling van Hasjem was om de Komende Wereld te zegenen, welke begint met het zevende millenium. Met andere woorden, wat op deze wereld betrekking heeft, zal geen betrekking hebben op het zevende millenium en dan zal de Komende Wereld beginnen.

De Meïri biedt een originele interpretatie: De Gemara bedoelt niet dat de wereld na 6.000 jaar verwoest zal worden, maar dat in één van de zes millenia er zoveel rampspoed en ellende zal zijn, dat het zal lijken alsof de wereld verwoest is – namelijk in het zesde millenium!

Apart van het bovenstaande moeten wij Rambams mening noemen [Moré Newoechiem, II:29 en zie Hilchot Tesjoewa 8:8, zo ook  Sforno op Dewariem 10:14 en Responsa Rasjba 3] dat de wereld zal blijven bestaan en niet bestemd is om vernietigd te worden, zoals ons verteld wordt: „En de wereld bestaat voor altijd” [Kohelet 1:4]. Rav Katina’s uitlating is dan slechts één mening.

101b Hij legde zijn tefillien af terwijl hij voor hem stond

Waarom dragen meisjes geen kipa?

Onze soegia vertelt dat de rebellie van Jarav’am tegen Sjlomo begon toen hij zijn tefillien aflegde terwijl hij voor koning Sjlomo stond. Hij stond dus blootshoofds voor de koning en drukte daarmee zijn minachting uit voor diens eer en autoriteit. In het verleden droegen de mannen en grote doek over hun hoofd en als zij hun tefillien aflegden moesten zij ook die doek afleggen. De Sjoelchan Aroech [O.Ch. 38:11] bepaalt daarom dat een leerling zijn tefillien niet af mag leggen in aanwezigheid van zijn leraar. Tegenwoordig echter dragen wij kipot [meerv. van kipa] die men niet af hoeft te nemen wanneer men zijn tefillien afdoet en volgens de Birchei Joseef kan het zijn dat een leerling zijn tefillien nu wel mag afleggen voor zijn leraar. De Misjna Broera [38:36] beslist dat men soepel mag zijn „wanneer men zich wat naar opzij wendt en zorgvuldig is dat men niet zijn hoofd ontbloot” [zie Toer, Beit Joseef, Darchei Mosjé en perisja voor een andere reden dat men zijn tefillien niet af mag doen in aanwezigheid van zijn leraar].

De discussie over het bedekken van het hoofd doet de vraag opkomen waarom mannen, zelfs als jongetje, hun hoofd bedekken en vrouwen pas wanneer zij trouwen. De vraag wordt nog sterken wanneer wij kijken naar de bronnen, die verklaren dat een hoofdbedekking een uitdrukking is van de acceptatie van het juk van de Hemel. Wat is dan het verschil tussen jongens en meisjes?

De poskiem geven aan dat aangezien de niet-Joden hun hoofd ontbloten tijdens het gebed, zoals Christenen doen, men beslist heeft dat men zijn hoofd moet bedekken wanneer men iets heiligs zegt [Sjoelchan Aroech O.Ch. 91:3] en dat men nimmer blootshoofds moet gaan [Sjoelchan Aroech O.Ch. 2:6]. De gewoonte van Christenen en andere niet-Joden om hun hoofd te ontbloten tijdens het gebed geldt alleen voor mannen terwijl vrouwen juist hun haar bedekken. Nu begrijpen wij waarom alleen Joodse mannen hun hoofd bedekken en Joodse meisjes niet, om te voorkomen dat zij op niet-Joden zullen lijken [Taz, O.Ch. 8:3; Chidoesjei Chatam Sofeer op Nedariem 30b en Tsiets Eliëzer XII:13].