Meorot

        HaDaf HaJomi

            Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi

Een uitgave van Beis Hamidrash of Chassidei Sochatchov - Bnei Brak - Israël - Chatam Soferstr. 3 -Tel. 972-3-6160657

 

17 Tevet 5763                                     Sanhedrin 102-108                                   đń"ă       Nr. 187

Text Box: HOME
Oval: Archief
 

 

 

 

 

105a Beor is Koesjan Risj’atajiem, dat is Lavan de Arameeër
Reïncarnatie (Gilgoel)
Zelfs in oude tijden fascineerde het onderwerp van reïncarnatie, voorzover dat verband houdt met Kabbala, de mensen in alle sectoren van de maatschappij. Rabbijn Levi ben Chaviv [Responsa Ralbach 8] schrijft: „…in mijn zonden heb ik deze wijsheid nog niet bereikt, want men heeft geen toestemming om dit alleen te onderzoeken. Het is echter zoals de naam zegt [Kabbala = ontvangen], dat iemand het moet ontvangen van een mentor die het zelf ook ontvangen heeft.” Hij beschrijft verder de meningen over dit onderwerp en concludeert: „Er is een zeer grote groep van chachamiem die geloven [in reïncarnatie] en allen schreven erover, want het is een waar geloof en een principe van deTora… en wij moeten allemaal luisteren… en geloven zonder enige twijfel.”

Waarom lijden tsaddikiem? Ramban suggereert [in zijn commentaart op Ijov – Job – hfd. 33] dat het antwoord op de tijdloze vraag „waarom lijdt een tsaddiek?” – het centrale thema van het boek Ijov, dat door de Tora-geleerden door alle eeuwen heen bediscussiëerd is – gelegen is in het feit dat zijn vroegere gilgoel sterke invloed heeft op zijn huidige situatie [zie Kitvei Ramban I, p. 101 en Responsa Tora Lisjma 458].

De reïncarnatie van een ziel: Van onze soegia is interessant bewijs aangetoond voor reïncarnatie. Onze Gemara zegt dat „Be’or is Koesjan Risj’atajiem, dat is Lavan de Arameeër.’ Wanneer Lavan [de schoonvader van Ja’akov], Be’or [Bil’ams vader] en Koesjan Risj’atajiem [koning van Aram, die Israël in de tijd van de Richteren tot slaven maakte] een en dezelfde persoon zijn, maar bekend onder verschillende namen, overeenkomstig de gebeurtenissen waarin zij een rol speelden, dan moet die persoon 500 jaar geleefd hebben! Ja’avets en Zikoekien Denoera [hier geciteerd door Eets Joseef in Ein Ja’akov] leggen uit dat de nesjama van Lavan terugkeerde naar deze wereld als Be’or en als Koesjan.

Een generatie gaat en een generatie komt: In zijn Tora Lisjma [ibid] onthult Rabbijn Joseef Chajiem een hint voor het principe van de reïncarnatie uit Salomo’s uitspraak: „Een generatie gaat en een generatie komt” [Kohelet 1:4]. Klaarblijkelijk had hij eerst moeten zeggen dat een generatie komt en daarna dat een generatie gaat. Maar daar de zielen van de volgende generatie geërfd zijn van de vorige, moet een generatie eerst gaan, voordat de zielen ervan in de nieuwe generatie kunnen komen.

De auteur van ’Arvei Nachal [parasjat Nitsaviem] stelt een interessante vraag Waarom regeerde Salomo over de hele wereld, zelfs over de planten- en dierenwerelden [zie Targoem Sjeini op Ester, hfdst. 1], terwijl David en Mosjé alleen over Israël regeerde? Hij antwoordt dat tot aan de periode van Salomo iedere Jood geboren werd met een nieuwe ziel. Vanaf die tijd echter begonnen hun zielen te reïncarneren in de wereld, zelfs in de lichamen van niet-Joden, in dieren, planten, enz.  Daar aan Salomo beloofd was dat hij zou regeren over heel Israël, moest hij over de hele wereld regeren, opdat ook deze gilgoeliem zijn onderdanen zouden zijn.

Vermijden van hagomel uitspreken voor een mogelijke reïncarnatie: Het is interessant dat er een halacha is, die het gevolg is van het principe van reïncarnatie. Maharam Mintz [Responsa 14] bepaalt dat een vader de beracha hagomel lechajawiem towot – Wie goedheid verleent aan de schuldigen – nadat zijn jong kind herstelt van een ziekte. Hoewel de vader schuldig kan zijn, daar kinderen lijden onder hun vaders zonden [en daarom zeggen wij Baroech sjeptarani – Die mij heeft vrijgesteld van de straf van (het lijden van) deze – bij de barmitswa van een zoon, is het mogelijk dat het kind geleden heeft ten gevolge van gebeurtenissen in zijn vroegere gilgoel, zodat de vader onschuldig is].

Het kind dat Sjema Jisraël riep: Wij besluiten met een verhaal dat verteld werd door de Stiepler zts’l: Maharj’a van Modena geloofde niet in reïncarnatie totdat hij een zesmaanden oude baby zag die ziek werd. Toen het kind stierf huilde het: Sjema Jisraël en zijn ziel verliet zijn lichaam met het woord echad op zijn lippen [Chajei ’Olam hfdst. 12].

105a Het is Bil’am die niet in de Komende Wereld komt, maar de andere niet-Joden komen er wel
Hebben niet-Joden een deel in de Komende Wereld?

In onze soegia verschillen de geleerden over de vraag of niet-Joden een deel hebben in de Komende Wereld. Rabbi Eliëzer meent dat zij geen deel hebben, terwijl R. Jehoesjoea meent dat zij wel een deel hebben; de halacha is vastgesteld volgens R. Jehosjoea.

Wanneer een niet-Jood tot het Jodendom wil overgaan – wil „uitkomen” – dan zal het beit din hem op de hoogte brengen van al de verboden die gelden voor een Jood aan de ene kant, maar de grote beloning die daar tegenover staat aan de andere kant. Zij vertellen hem: „Weet dat de Komende Wereld alleen gereserveerd is voor de rechtvaardigen, dat is Israël [Sjoelchan Aroech, J.D. 268:2] en de Rambam schrijft iets soortgelijks Hilchot Issoerei Bia 14:4]. Hieruit leren wij dus dat alleen Joden de Komende Wereld verdienen. Maar Rambam schrijft in Hilchot Melachiem 8:11, dat „iedereen die de zeven Noachidische wetten accepteert en die in acht neemt, een rechtvaardige niet-Jood is en die heeft een aandeel in de Komende Wereld. Hebben niet-Joden nu wel of geen aandeel in de Komende Wereld?

Rechtvaardige niet-Joden: Velen hebben over dit onderwerp geschreven, waaronder de Tifèret Jisraël [begin hfdst. 11], die uitlegt dat Joden anders zijn dan niet-Joden, in zoverre, dat iedere Jood, rechtvaardig of niet, een aandeel heeft in de Komende Wereld, terwijl niet-Joden van nature daar geen aandeel in hebben, alleen de rechtvaardigen onder hen [zie Chidoesjei Rabeinoe David op Sanhedrin 91b; Sefer Ha’Iekariem, Ma’amar 4, hfdst. 31; Be’eer Sjewa op Sanhedrin 90a; Radbaz, in het manuscript dat gedrukt werd in de Frenkel-uitgave van Rambam, Hilchot Melachiem, ibid. Rabbijn Joseef Rozin zts”l, bekend als de Rogatchover Gaon (Tsafnat Paneach op Sanhedrin 90a] verklaart het verschil tussen Joden en niet-Joden middels pilpoel en introduceert het onderwerp met de volgende halacha: wanneer iemand iets wil verkrijgen, moet hij daarvoor een handeling van verkrijging verrichten. Wanneer hij bijvoorbeeld een stuk land wil hebben, kan hij dat verkrijgen met geld, door middel van een document of door middel van chazaka, een fysieke handeling waarmee hij demonstreert dat hij de eigenaar is. Een dergelijke handeling moet substantiëel zijn, bijvoorbeeld het maken van een omheining om het land, het sluiten van de toegangspoorten tot het stuk land en dergelijke. Maar om het stuk grond heen wandelen is geen voldoende substantiële handeling om beschouwd te kunnen worden als een handeling van verkrijging [Bawa Batra 100a]. Aan de andere kant, wanneer twee partners hun gemeenschappelijk stuk land willen verdelen, is het voldoende voor hen wanneer ieder langs de door hun onderling overeengekomen grenzen loopt om zo ieders eigendom vast te stellen. Ten slotte was het land al hun eigendom en zij hoeven slechts ieders deel daarin vast te stellen (Rambam’s commentaar op de Misjna, Bawa Batra, begin hfdst. 1). Hetzelfde geldt voor de Komende Wereld. De Komende Wereld behoort toe aan alle Joden in een soort partnerschap. Een Jood die een goede daad verricht, stelt daarmee de grenzen van zijn deel in de Komende Wereld vast. Hij hoeft geen handeling van verkrijgen uit te voeren, want hij was al een partner. Een niet-Jood echter moet een „handeling van verkijging” doen om te bewijzen dat het deel in de Komende Wereld van hem is.]

Kaddisj voor een niet-Joodse vader: Het vraagstuk of niet-Joden een aandeel hebben in de Komende Wereld levert een aantal interessante halachische problemen op. Eén daarvan is de vraag of iemand die Joods geworden is, kaddisch mag zeggen voor zijn niet-Joodse vader. De auteur van Zekan Aharon [J.D. 87] legt uit dat door Kaddisj te zeggen, de bekeerling de ziel van zijn vader verheft, daar ook niet-Joden een aandeel hebben in de Komende Wereld.

106a Het riet heeft het verdient dat er schrijfpennen van hem gemaakt worden
Het schrijven van chiddoesjiem met een balpen.

Wanneer wij ons iemand voorstellen die honderden jaren geleden iets schreef, dan moeten wij onmiddellijk denken aan meren van inkt en ganzeveren. Maar het is misschien verbazingwekken te ontdekken dat er vroeger reeds soorten verschillende pennen waren om mee te schrijven. In het boek Jeremiejahoe
[17:1] vinden wij een ijzeren pen die gebruikt werd voor graveren, zoals ons verteld wordt: „De zonde van Jehoeda is geschreven met een ijzeren pen.” In een latere tijd wordt de dadel een kotèvet  [schrijver] genoemd voor de hoeveelheid voedsel dat, wanneer men dat eet op Jom Kippoer, tot resultaat heeft dat men schuldig is voor eten op Jom Kippoer [Joma 73b]. Sommigen veronderstellen dat de dadel kotèvet genoemd werd omdat de mensen een dadelpit gebruikten om ermee te schrijven, omdat die makkelijk te scherpen was, makkelijk was vast te houden en de inkt goed vasthield in zijn gleuf [Rabbijn Jitschak Ratzabi in Beit Hilleel in naam van een oud manuscript]. Ander schrijfgerei werd gemaakt van voorwerpen die gebruikt waren voor een mitswa: De Beit Joseef [664] merkt op dat Rabbi Jehoeda ben Klonimos [een leerling van Rabbijn Jehoeda HeChassied en mentor van Rabbi Elazar Rokeach] zijn pennen maakte van de wilgen die op Hosjana Raba gebruikt waren.

Het schrijven van tefillien  en mezoezot: Volgens de strikte halacha heeft een sofeer [schrijver van heilge teksten] geen schrijfgerei nodig en mag hij zelfs zijn vinger in de inkt dopen om de letters en hun kroontjes [tagien] te schrijven met zijn vingernagels – wanneer hij dat tenminste met succes kan doen [Mikdasj Me’at 271:44]. Niettemin, zoals onze soegia zegt, hadden sofriem de gewoonte om met een riet [kané] te schrijven. Sommigen denken dat de uitdrukking sjevet sofeer [de staf van een schrijver, Sjoftiem 5:14] zijn oorsprong vindt in het riet, omdat een staf van hout gemaakt wordt [Sjoelchan Aroech Hamekoetsar J.D. 161;  Einei Jitschak nr. 20, beg.w. Wezè].

De chalal  van de Jemanitische Joden: De Rama [J.D. 271:7] citeert de Mordechai, dat een sefer Tora geschreven moet worden met een riet en niet met een veer. En inderdaad, tot de laatste generatie schreven de jemenitische Joden met een riet, die zij chalal noemden, omdat het hol was [chaloel].

Het gebruik van een ijzeren pen: Aan de andere kant hebben de Europese Joden het gebruik van een riet opgegeven en dat geruild voor veren, zoals Rav Mordechai Jafé getuigt in zijn Levoesj ’Ateret Zahav [Sjach, ibid, noot 13]. Plaatselijk rieten waren onbetrouwbaar, daar zij vaak braken op het nogal ruwe perkament [Bnei Jona, eind §271; ‘Aroech HaSjoelchan 271:38; Responsa Mahari Pozna 61]. Tegenwoordig gebruiken sofriem veren. Die zijn ook makkelijk te scherpen, maar sommigen gebruiken ijzeren pennen [Bnei Jona ibid]. Niettemin mijden de meeste sofriem ijzeren pennen om verschillende redenen, waaronder de reden dat ijzer [een zwaard] het leven verkort, terwijl Tora het leven verlengt.

Het schrijven van chiddoesjiem met een metalen pen: Het is interessant  te leren dat de ‘Aroch HaSjoelchan [ibid], die schrijft dat men om deze reden ook geen metalen pen moet gebruiken voor het schrijven van chiddoesjiem, omdat metaal het leven verkort. [De gewoonte om met een veer te schrijven is zo sterk, dat Responsa Sjèvet HaLevi (II:136) alleen maar toestaat om met een gouden pen te schrijven voor iemand die het moeilijk vindt om met een veer te schrijven en alleen wanneer het schrijven met een gouden pen nauwkeuriger is. Volgens de Chatam Sofeer (in zijn aantekeningen op Lisjkat HaSofeer 3) geldt de lof die in onze soegia wordt uitgesproken over een riet ook voor een veer, die lang is en niet makkelijk breekt, en een veer heeft ook de voorkeur boven een riet, omdat hij afkomstig is van iets dat gegeten mag worden].

106b Laat hem in het leerhuis een lering citeren uit zijn naam
Wanneer wij de bron van een citaat niet hoeven te noemen

Onze Gemara leert ons, dat het een grote verdienste van een geleerde is wanneer zijn Tora-woorden in zijn naam geciteerd worden. De misjna in Avot 6:6 zegt ook dat  „iedereen die iets zegt in naam van een ander, die het oorspronkelijk gezegd heeft, die brengt de verlossing van de wereld naderbij, zoals ons verteld wordt: ‘En Esther zei tegen de koning in naam van Mordechai’
[Esther 2:22].”

De verandering bij de uitvinding van de boekdrukkunst: In zijn Sjeem ‘Olam [Peticha, eind hfdst. 3] schrijft HaGaon Rav R. Margaliot dat wij soms chidoesjiem gecopiëerd zien door Risjoniem, zonder dat hun oorsprong genoemd wordt. Dit komt door de gewoonte om tegenwoordig uit boeken te leren, waardoor de oorsprong van de chiddoesj wel bekend was en er dus geen gevaar bestond dat het zou worden vergeten.

Een chiddoesj die al eens eerder gezegd is: Vaak gebeurt het dat men gezamelijk een soegia bestudeert en men besteedt er al zijn aandacht aan, wanneer plotseling iemand een verklaring aanbiedt die alle problemen oplost. Na een tijdje blijkt dat de chiddoesj al eens ergens in een of ander werk gepubliceerd was. Moet de student de chiddoesj vermelden op naam van het vroegere werk of mag hij het voor zijn eigen rekening nemen?

Volgens vele autoriteiten mag de student de vroegere bron van zijn chiddoesj negeren. Wij vinden hetzelfde in Even HaAzel, geschreven door HaGaon Rav I.Z. Meltzer zts”l. Van tijd tot tijd ontdekte hij dat Acharoniem voor hem, zoals de Mirkèvet HaMisjné, reeds vele van zijn chiddoesjien had genoemd, maar hij vermeldde dat niet, want het waren ook „zijn” chiddoesjiem.

De av beit din van Kraz, schrijver van Responsa Tiferet Zvi [in het voorwoord en in §20] bewijst zelfs van de Gemara in Choelien 75b dat men de vroegere oorsprong van een chiddoesj niet hoeft te noemen. Rav Chisda zei een bepaalde halacha in het beit hamidrasj en noemde desgevraagd een beraita die hetzelfde zei als zijn chiddoesj. Waarom noemde hij de beraita niet eerst? Kennelijk had hij geen verplichting om „iets te zeggen in naam van iemand die het al voor hem gezegd had” [zie Sdei Chemed, Peat HaSadé, Ma’arechet Alef, Kelaliem 143].

Ter afsluiting citeren wij Sdei Chemed [ibid] dat het onder studerenden de gewoonte is dat iemand die een chieddoesj brengt en dan vervolgens ontdekt dat iemand dat al vóór hem geschreven heeft, die schrijft: „Later heb ik hetzelfde gevonden in dat-en-dat boek.” Hij schrijft de chiddoesj op deze manier aan zichzelf èn aan de vroegere schrijver toe.

102a Ieder die van iets in deze wereld geniet zonder beracha is als een dief
Wat is „de soepele regeling” wanneer men in twijfel verkeert over een beracha

Rav Chinena bar Papa heeft gezegd: „Ieder die geniet van deze wereld zonder daar eerst een beracha voor gezegd te hebben is alsof hij gestolen heeft van Hasjem en van de Knesset Jisraël – de Vergadering van Israël.” Wat heeft de Knesset Jisraël te maken met eten zonder beracha? Rabeinoe Bechajei
[Dewariem 8:10] legt uit dat Hasjem de bron van alle zegeningen is, onze berachot zijn er niet voor „Zijn genoegen” maar voor ons eigen welzijn. Wanneer iemand een beracha zegt voordat hij iets eet, getuigt hij ervan dat Hasjem het voedsel bereid voor al Zijn schepselen opdat zij zullen leven en dankzij de beracha wordt het product gezegend. Iemand echter, die ervan geniet zonder beracha, veroorzaakt een vermindering van de zegen van Hasjem en het product wordt dan ook minder in waarde. Daarom „steelt hij van Hasjem en van de Vergadering van Israël.”

Soepelheid in geval van twijfel over een beracha: Er bestaat een regel betrefende berachot, kortweg bekend als sabal, of safeek berachot lehakeel –wanneer er twijfel bestaat over een beracha, dan moet men soepel zijn. Voordat wij de detailes van deze regel bespreken, moeten wij opmerken dat hij niet in de Talmoed staat, maar voor het eerst opduikt bij de Risjoniem.

Hoewel safeek berachot lehakeel dus lijkt te betekenen dat wij soepel moeten zijn, zijn de Risjoniem het hiermee niet eens. Volgens de Rambam [Hilchot Berachot 4:2] mag iemand die twijfelt of hij Hamotsi gezegd heeft, doorgaan met eten, zonder het alsnog of nog eens te zeggen, omdat deze beracha niet voorkomt in Tora en twijfel over een Rabbijns voorschrift wordt altijd soepel beoordeeld.

Aan de andere kant moet iemand volgens Rabbi Jitschak [Tossefot Berachot 12a, beg.w. Lo la’asoejei] die twijfelt of hij Hamotsi gezegd heeft eerst de beracha zeggen voordat hij verder eet. Bestrijdt hij de bovengenoemde regel? In zijn aantekeningen op de Sjas [ibid] vestigt Rabbi Akiwa Eiger onze aandacht op de Maharsja, die verklaart dat Rabbi Jitschak de regel niet bestrijdt. Maar wij moeten onderscheid maken tussen berachot voor een mitswa en berachot over voedsel e.d. Wanneer men twijfelt over een beracha voor een mitswa, dan moet men de mitswa doen zonder beracha. Maar, zoals uitgelegd wordt in onze soegia en op andere plaatsen in Sjas, mogen wij niet genieten van deze wereld zonder beracha. Als dat zo is, moet iemand die twijfelt of hij een beracha gemaakt heeft over voedsel dat hij wil nuttigen, dat niet opeten zonder beracha, want dat zou op diefstal lijken. Zijn berach wordt niet beschouwd als overbodig, want hij heeft het nodig om te eten. Niettemin is de halacha overeenkomstig de Risjoniem, die beslisten dat safeek berachot lehakeel ook geldt voor berachot voor voedsel [Sjoelchan ‘Aroech O.Ch.  167:9 en 209:3]. Rabbi Jitschaks mening is hiermee niet helemaal verworpen, maar dient als basis voor de volgende halacha.

De Halacha zegt [zie Sjoelchan ‘Aroech O.Ch.  174:4 en 7] dat als iemand twijfelt of hij een bepaalde beracha gezegd heeft, dan moet hij zich in een toestand brengen waar hij zeker de beracha moet zeggen. Als iemand bijvoorbeeld twijfelt of hij een beracha gezegd heeft voor een glas water, dan moet hij zijn huis uitgaan, waarmee hij een onderbreking forceert, en dan moet hij zeker de beracha zeggen wanneer hij daarna drinkt. Het lijkt erop dat hij een overbodige beracha zegt, maar daar hij zich bevond in een situatie waarin hij op een twijfelachtige wijze genoot van deze wereld zonder beracha, wordt zijn verlaten van het huis beschouwd als de oorzaak van het maken van een beracha, om de twijfel weg te nemen. [Deze halacha is ook van toepassing op mitswot, want het is beter een mitswa te doen met een beracha dan zonder [zie WeZot HaBeracha, Béoer Halacha 29]. Wanneer iemand de beracha waarover hij in twijfel verkeert van een ander kan horen, die hem daarmee vrijmaakt, dan moet hij dat natuurlijk doen, zonder zich te verlaten op de regel van safeek berachot lehakeel [Misjna Broera 167:49].

Concluderend willen wij er nog eens de nadruk op leggen dat safeek berachot lehakeel alleen geldt voor iemand die in twijfel verkeert. Lechatchila [als eerste keus] moet iemand zich niet in een dergelijke situatie manoevreren. Wanneer iemand bijvoorbeeld een hoeveelheid water wil drinken waarvan het twijfelachtig is of hij daarvoor een naberacha moet zeggen [borei negfasjot], dan moet hij wat water toevoegen, zodat het duidelijk is dat hij beslist een naberacha moet zeggen [Sjoelchan ‘Aroech 210:1; zie WeZot HaBeracha ibid, 30].

Zoals gezegd, iemand die iets eet zonder beracha overtreedt een verbod. De Misjna Broera [62:9] beslist daarom dat iemand niet in een badhuis moet drinken, waar het verboden is een beracha te zeggen. Hetzelfde geldt voor een toilet of badkamer in huis of enige andere plaats waar het verboden is een beracha te zeggen, daar moet men niets eten of drinken.

Vorige week schreven wij over het gedicht van Rabbijn Awraham Ibn Ezra dat van voor naar achteren en van acht naar voren gelezen kan worden. Om dat te kunnen waarderen, laten wij hier het Hebreeuws daarvan volgen:


 

Mijn Vader, levende G-d is Uw naam. Waarom komt Koning Masjiach niet?
Weet van jullie Vader dat ik niet talmen zal. Ik zal naar jullie terugkeren wanneer de tijd komt.


Beide Hebreeuwse regels zijn ieder apart leesbaar van rechts naar links en van links naar rechts.