Meorot

         HaDaf HaJomi

                   Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi

Een uitgave van Beis Hamidrash of Chassidei Sochatchov - Bnei Brak - Israël - Chatam Soferstr. 3 -Tel. 972-3-6160657

 

16 Sjewat 5763                                     Makot 18-24                                  áñ"ã       Nr. 191

Text Box: HOME
Oval: Archief
 

 

 

 

 

 

Makot 22b Hoe dwaas

Een sefer Tora en een Tora-geleerde die waren gevallen

Rambam [Hilchot Sefer Tora, 10:2] zegt dat het een mitswa is en ook een verplichting om eer te bewijzen aan een sefer Tora en overal waar er een is, moet men zich ernstig gedragen en met respect. De Risjoniem zeggen dat dit een verplichting van Tora is [d’oraita], zoals wij hieronder zullen uitleggen [zie de Mabit in Kiriat Sefer, Hilchot Sefer Tora, hfdst. 10; Da’at Kedosjiem, J.D. 282, noot 1; Gedoelei Hekdeesj, J.D. 282:3].

Wat moet men het eerst oprapen? In Paks, Hongarije, gebeurde eens een pijnlijk voorval. De Rabbijn van de stad, HaGaon Rav Joël Ungar zts”l, schrijver van Responsa Riba, kreeg de eer om het sefer Tora uit de aron hakodesj te halen, maar struikelde en viel met de Tora, op zijn weg naar de bima. Zijn leerlingen rende op hem toe om hem op te tillen en raapten daarna het sefer Tora op [Mikzeret Paks I, hfdst. 5]. De gebeurtenis veroorzaakte een discussie tussen de poskiem  of het niet correcter zou zijn geweest om eerst de Tora op te rapen.

In onze soegia zegt Rava: „Hoe dwaas zijn de mensen die voor een sefer Tora opstaan maar niet opstaan voor een groot man, zoals de Tora zegt: ‘40’ en de geleerden hebben dat met één verminderd.” Met andere woorden, diegenen die niet staan voor Tora-geleerden handelen onlogisch, volgens de interpretatie van de geleerden. De Tora, bijvoorbeeld, zegt dat „hij zal hem 40 keer slaan” en Chazal  leggen uit dat dit „40 min één” betekent. Het blijkt dan uit onze soegia dat de eer van talmidei chachamiem voorrang heeft boven de eer van de Tora, want zij interpreteren de Tora. Maar toch, zo wijzen de Risjoniem erop, dat de Gemara in Kiddoesjien 33b de verplichting om op te staan voor een sefer Tora  leert uit een kal wachomer. „Wij staan voor zijn leiders, moeten wij daar [voor Tora dan] niet voor staan?” Met andere woorden, de Tora is groter dan degenen die haar bestuderen, daar al hun wijsheid daaruit komt. Het is dus duidelijk dat de eer van een sefer Tora prioriteit geniet.

De eer van een sefer Tora heeft voorrang: De Ran en de Meïri [Kiddoesjien, ibid] komen daarom tot de conclusie dat de eer van een sefer Tora inderdaad voorrang geniet boven die van al degenen die haar bestuderen. Rava echter wilde dat de mensen ook op zouden staan voor de geleerden die de Tora, die zij zo respecteren, verklaren. Voor wat betreft de halacha: de Derisja [J.D. 282] schrijft dat de eer van een sefer Tora voorrang geniet boven die van zijn bestudeerders [zie Tsiets Eliëzer XVII: 39]. Volgens de Achernoniem [Maharit, Pnei Jehosjoea Kiddoesjien, ibid en Sjewoet Jaäkov §11, tussen haakjes], spreken de soegiot elkaar niet tegen. Rava spreekt over de uitblinkende, vooraanstaande geleerden die de Tora interpreteren en wier eer groter is dat die van een sefer Tora, terwijl de Gemara in Kiddoesjien het heeft over andere Tora-geleerden, over wie de eer van een sefer Tora voorrang heeft.

22b die opstaan voor een sefer Tora

Mag men zitten tijdens de hakafot op Simchat Tora?

Onze soegia legt uit dat het een verplichting is om te staan voor een sefer Tora en zo is ook de halacha [Sjoelchan Aroech, J.D. 282:2]: „Iemand die ziet dat een sefer Tora  gedragen wordt, moet ervoor opstaan en iedereen moet blijven staan tot het op zijn plaats is en niet meer te zien is.” Daarom moet men staan wanneer de Tora wordt opgetild en getoond [hagbaha] maar er is geen verplichting dat te doen wanneer de aron hakodesj geopend wordt. Niettemin staan velen daarbij uit eerbied voor de sefer Tora [Taz, J.D. 242:13] en sommigen staan gedurende de gehele tijd dat uit de Tora gelezen wordt. In deze afdeling zullen wij bespreken of iemand mag zitten tijdens de hakafot op Simchat Tora en daartoe zullen wij de bronnen onderzoeken waarop het voorschrift van het staan voor een sefer Tora gebaseerd is.

Een sefer Tora op een verhoogde bima: De Rasjba [Responsa, III: 281] merkt op dat er geen verplichting bestaat om voor een sefer Tora  te staan wanneer het op de bima ligt, omdat het zich dan in een „ander domein” bevindt [Rama, J.D. 242:18]. De bima en zijn directe omgeving was doorgaans verhoogd boven de vloer en het sefer Tora werd beschouwd als te zijn op een andere plaats. Volgens dezelfde redenering geldt, dat wanneer er een hek van 10 tefachiem [handbreedten] hoog rondom de bima staat, het beschouwd wordt als een ander domein.

De Taz [J.D. 242:13] voegt daaraan toe dat de bima zelf een ander domein is, zelfs wanneer het niet verhoogd is [zie ibid, dat zijn hoogte 10 tefachiem moet zijn en zijn hoogte en lengte 4 amot ; Prie Megadiem op O.Ch. 141:3 zegt vier tefachiem]. Er is dus in principe geen noodzaak om te staan tijdens het lajenen [publieke voorlezing] uit Tora. De Sjoelchan Aroech [O.Ch. 146:4] beslist inderdaad dat „men niet hoeft te staan wanneer uit Tora gelezen wordt” en de Rama voegt daar ter plaatse aan toe dat „sommigen streng voor zichzelf zijn en staan”, omdat degenen die de voorlezing aanhoren zich moeten voorstellen dat zij op dat moment de Tora ontvangen op Sinai en daar stond iedereen [Misjna Broera , ibid].

Het voorlezen uit Tora vanaf een lage tafel: Klaarblijkelijk geldt, dat wanneer de Tora op een bima ligt die lager is dan 10 tefachiem , zoals een lage tafel, iedereen moet staan tijdens het lajenen. Maar de Mageen Awraham [O.Ch. 146:4] voegt daar het volgende aantoe: men is alleen verplicht te staan wanneer het sefer Tora zich niet op zijn plaats bevindt. Tijdens het lajenen echter is de juiste plaats voor het sefer Tora op de bima, zodat er geen verplichting is om te staan. In het licht van deze nieuwe gedachte, zegt de Prie Megadiem [Misjbetsot Zahav, O.Ch.  141:3] dat zelfs wanneer de Tora niet op de bima ligt, maar door de chazan wordt vastgehouden – bijvoorbeeld wanneer hij Jizkor zegt – dan hoeft men ook niet te staan, want de Tora bevindt zich dan „op haar plaats”, want op dat moment is de juiste plaats voor de Tora in de handen van de chazan.

Staan bij het openen van de aron hakodesj: Wanneer wij proberen na te gaan of wij moeten staan bij het openen van de aron hakodesj, vinden wij dat beide bovengenoemde uitspraken van toepassing zijn. Ten slotte in de aron hakodesj een ander domein dan waar de sjoelbezoekers zich bevinden en de Tora staat op haar plaats. Toch hebben de mensen de gewoonte om te staan en er wordt verteld over HaGaon Rav Moshe Feinstein zts”l, dat hij zelfs op zeer hoge leeftijd aan het eind van de vasten gedurende de gehele Neïla dienst op Jom Kippoer, wanneer de aron hakodesj open blijft, bleef staan [voorwoord voor Kuntres ‘Avodat HaTefilla voor Jom Kippoer, en zie de Responsa  Paniem Meïrot, I, 74; Responsa Chatam Sofeer, O.Ch. 73; Sjaär Chajiem op Sjaär Efraïem, Hilchot Keriat HaTora, 10, nr. 19].

Van de Redactie van Meorot

Wie mitswot in acht neemt, lijdt geen schade

Wij hebben hier al eerder geschreven dat wij in de wereld van Hasjem zijn en dat wij niets kunnen verliezen door Zijn wil te doen. De volgende twee verhalen illustreren Koning Salomo’s gezegde dat „Wie een mitswa doet, die lijdt geen schade,” [Kohelet 8:5].

„Aan het eind van de Tweede Wereld­oor­log,” zo begint A.N., een van onze lezers, „bleven er enkele Joodse overlevenden achter in Polen. Het communistische regime gaf hen geen toestem­ming om het van bloed en tranen doordrenkte land te verlaten en naar het land van hun voorvaderen te komen. Na vier jaar van verlangen opende zich in 5710 [1949/50] een nauwe opening, en vele overlevenden, waaronder Rav Awraham Jisraël Erenberg – die mij het volgende verhaal vertelde – haastten zich om te emigreren naar het Heilige land.

„Op reis naar Erets Jisraël kwamen wij vrij­dag aan in Venetië. Op Sjabbat-ochtend gons­de de plaats van Italiaanse kooplieden die uit het niets schenen op te doemen met hun kleurrijke waren. De kooplieden werkten hard en hadden koopwaar die in Polen niet te verkrijgen was, maar die wel in Israël ver­kocht kon worden.

De handel begon te bloeien. Ik kan mensen die zo bitter hebben geleden, en die zich nu haastten om alles wat er was te kopen, niet veroordelen. Ik stond daar in stilte. Het is Sjabbat vandaag! Sjabbat!  De commotie ging door terwijl de reizigers hun „koopjes” opstapelden. Appels waren het meest ge­vraagd.  Zij werden verkocht in kratten van 5  kg en menig reiziger kocht er een aantal, om ze in Israël, waar we in enkele dagen hoop­ten aan te komen, te verkopen. Een aantal van hen benaderden mij en boden mij royaal geld te leen aan, om appels te kopen. Ik be­dankte beleefd voor hun edelmoedigheid en legde vriendelijk uit dat ik de Sjabbat wijdde aan de Schepper. Zij knikten vol sympathie en gingen verder.

’s Avonds kregen wij instructies om onze eigendommen naar de Galilah te brengen die in de haven gedokt lag en ons naar Erets Jisraël zou brengen. Met groot enthousias­me pakte ik mijn bezittingen en terwijl mijn medereizigers hun appels met behulp van trolleys en Italiaanse kruiers oplaadden, von­den mijn vrouw en ik en onze twee kinderen een plaats op de Galilah.

Binnen drie uur was het schip geladen met mannen, vrouwen en kinderen en een mas­sa bagage. De kapitein commandeerde ons vervolgens om al onze koffers, kratten en tas­sen naar het ruim te brengen, met uit­zondering van onze persoonlijke bezittingen. Met de energieke hulp van de zeelui en officieren werden alle hutten snel geledigd, ondanks de felle protesten van de reizigers.

Wij gingen naar bed in het prettige voor­uitzicht dat wij uiteindelijk naar huis zouden gaan, naar het land van onze hoop. De vol­gende ochtend realiseerden wij ons dat wij nog steeds in Venetië waren. Wij kregen te horen dat ten gevolge van een of andere ver­traging het schip pas in de loop van de ochtend zou vertrekken. Ik deed mijn tallit en tefillin om en, staande op het dek, dankte ik de Schepper voor alles wat Hij voor mij ge­du­rende mijn hele leven gedaan had tot die dag, waarop wij zouden vertrekken naar het land waar mijn voorouders altijd naar ver­langd hadden maar nimmer bereikt hadden.

Na enige tijd bereikte de haven weer zijn vi­brerende activiteit. Dezelfde kooplieden, die gehoord hadden van de vertraging van de boot, haastten zich weer om hun waren aan te bieden. Ik rende met mijn paar dollars naar de haastig in elkaar gezette kraampjes, waar ik een prettige verrassing had. Er wa­ren weinig klanten, want de meeste reizigers hadden hun fondsen de vorige dag uitgeput, en de prijzen van de appels waren danig gezakt. Ik kocht een groot aantal kratten en had de tijd om de beste  uit te zoeken. Nie­mand oefende druk op mij uit, en elke paar minuten bracht  ik een andere krat naar mijn hut. Op de boot dekte ik ze af uit vrees voor ajin raä [jaloerse blikken]. Om 11 uur die och­tend vertrok het schip. Ik kon mijn appels in mijn hut houden, daar niemand daartegen protesteerde en gedurende de hele reis kon ik ze luchten en ze in goede conditie houden.

Met G-ds hulp kwamen wij vrijdag middag aan Haifa in en daar werden wij verwezen naar de immigratiepoort. Kooplieden die al­les wat zij konden kopen van de immi­gran­ten kwamen op zondagochtend naar ons toe. De lading werd uitgeladen en de ogen van de immigranten verduisterden toen zij hun appels zagen. Sommige waren rot, andere leken gebakken, maar geen van al­len waren ze nog eetbaar. Zij waren alleen nog maar geschikt voor de afvalhoop. Aan de andere kant, mijn appels waren nog goed, vers en smakelijk. Ik kon ze natuurlijk voor een goede prijs verkopen en een mooi winstje hielp ons te vestigen in Israël.

Voor wat betreft de verplichting om te staan tijdens de hakafot op Simchat Tora vinden wij dat geen van de twee bovengenoemde overwegingen van toepassing zijn. Het sefer Tora bevindt zich niet in een ander domein, maar te midden van de gemeente, en het bevindt zich ook niet op zijn plaats, daar het rond gedragen wordt door de synagoge. En inderdaad zegt de Sjoelchan Aroech [J.D. 282:5] dat men moet staan tijdens de hakafot, maar dat men daar tussen in mag zitten, wanneer het sefer zich weer op zijn plaats bevindt. Wanneer de Chazon Iesj wilde zitten tijdens de hakafot, hield hij een sefer Tora  vast, zodat hij niet hoefde te staan voor andere sifrei Tora [Diniem WeHanhagot, 20:28]. De auter van Sjemirat Sjabbat Kehilchata [hfdst. 24, noot 118] schrijft dat men in „tijd van nood” mag zitten wanneer het sefer Tora omringd wordt door mensen, die zich op een onderlinge afstand van minder dan drie tefachiem bevinden, zodat zij een afscheiding vormen tussen het sefer Tora en degene die zit.

Terwille van de pilpoel noemen wij nog een interessant idee dat wij hoorden van een prominent geleerde om soepel te zijn over het zitten tijdens de hakafot. Volgens hem mag men het sefer Tora beschouwen als te zijn op de plaats waar het hoort tijdens de hakafot, want het wordt niet zomaar verplaatst van de ene plaats naar de andere, maar het wordt op dat moment gebruikt op die manier.

De bron voor het eren van een sefer Tora: Nu dat wij alle regels en details hebben bepaald die betrekking hebben tot de eerbied voor een sefer Tora, moeten wij nog de bronnen van de poskiem nagaan. Prie Megadiem [ibid] legt uit dat de eerbied voor een sefer Tora geleerd kan worden van de halacha voor de eerbied van een Tora-geleerde en wanneer wij die halachot onderzoeken, ontdekken wij dat wij voor hem moeten staan wanneer hij loopt. De poskiem concluderen daarom dat er geen verplichting is om te staan voor een sefer Tora waarvan niet gezegd kan worden dat het „gaat”.

23b In het beit din van Sjlomo

De rechtsspraak van Sjlomo zoals die gezien wordt door Chosjen Misjpat

Onze Gemara bespreekt de rechtsspraak van Sjlomo. Een vrouw, wier baby overleden was, nam de baby van haar huisgenoot en beide vrouwen kwamen naar Sjlomo met dezelfde claim: „Jouw zoon is dood en de mijne leeft.” In zijn grote wijsheid wees hij de echte moeder van het levende kind aan, toen hij opdracht gaf om het kind in tweeën te snijden en onder hen te verdelen. De ware moeder riep toen uit dat zij haar rechten op het kind opgaf: „Als u hem maar niet dood!”

Waarom wilde de moeder van het dode kind een baby van een ander? Sjlomo’s rechtsspraak dient als basis voor verscheidene grondslagen van halacha, zoals wij zullen uitleggen. Maar voor wij in details gaan treden, laten wij ons eerst concentreren op de feiten. Wat gebeurde er? Waarom wilde de moeder van de dode baby een andermans kind?

Volgens de Midrasj [Jalkoet, Melachiem 175] waren zij beiden weduwen zonder andere kinderen.De moeder van het dode kind wilde daarom een ander kind om te worden vrij gesteld van jiboem [zwagerhuwelijk] of chalitsa [de afwijzing door de zwager]. Volgens de Meïri [Beit Habechira op Jewamot 17b] waren de beide vrouwen schoonmoeder en schoondochter en het was de schoondochter die haar kind verloor. Zij wilde niet wachten tot het andere kind [de zoon van haar schoonmoeder], haar zwager zou opgroeien en haar jiboem of chalitsa zou geven en daarom beweerde zij dat het haar eigen zoon was. Daarom stemde zij er ook mee in dat het kind in tweeën gehakt zou worden, want daarmee zouden ook al haar problemen zijn opgelost [immers, dan had zij geen zwager meer en was zij vrij om met een ander te trouwen] [zie voor een gelijkwaardige interpretatie in de Chida’s  Tzavei Sjalal, haftarat Mikeets, en in de commentaren op de midrasj].

Volgens Rabbijn Jehoeda HeChasid waren de vrouwen weduwen van een rijke man. In die tijd was het de ge­woonte om de weduwe aan te stellen als de bewaker van de bezittingen van de minderjarige wezen, tot­dat zij volwassen zijn en zij zou ook inkomen van die bezittingen hebben. De moeder van het dode kind wilde het andere kind stelen om controle te krijgen over een omvangrijk inkomen [Peroesj Rabbi Jehoeda HeChasid  op de Tora].

Sjomo’s rechtsspraak als bron voor algemene regels: Sjlomo’s rechtsspraak leert ons een aantal halachische basisregels: een dajan moet de verklaringen van ieder van de strijdende partijen herhalen, zoals Sjlomo zei: „Deze zegt mijn zoon leeft…” zodat de eisen volkomen duidelijk zijn [Jeroesjalmi Sanhedrin 3:8] en de halacha is overeenkomstig in de Sjoelcha Aroech, Ch.M.  17:7.

Het uitspreken van een vonnis zonder getuigen:  De Rosj bewees een andere halacha uit Sjlomo’s rechtsspraak. Iedere din Tora wordt uitgesproken overeenkomstig een getuigenis welke uitgesproken is voor de dajaniem. Maar wanneer het duidelijk is, dat een bepaalde partij gelijk heeft, dan mag de dajan een uitspraak doen zonder getuigenverklaringen, zoals Sjlomo die zijn uitspraak deed, gebaseerd op zijn grote wijsheid. De Rosj herhaalt deze regel drie maal [Responsa Rosj, Klal 78:3 en Klal 107:6; zie ibid voor zijn bewijs uit de Gemara], en zo is de halacha vastgesteld [Toer, Ch.M. 65, en zie Béoer HaGra op de Sjoelchan Aroech, Ch.M. 15:5 en Netivot HaMisjpat, ibid, noot 2].

De Tora over de voogdij van kinderen: De poskiem en de commentatoren hebben Sjlomo’s rechtsspraak dus opgevat als een dinTora voor alle doeleinden en dat heeft betekenisvolle halachische gevolgen. Soms moet een beit din beslissen welke van de gescheiden ouders een kind mag opvoeden. De Gemara [Ketoebot 102b] en halachische autoriteiten [Sjoelchan Aroech E.H. 82:7] leggen uit dat de regels voor de opvoeding van kinderen uitsluitend bepaald worden voor één doel – het welzijn van het kind – zonder rekening te houden met de wensen vsan de ouders [zie Rama en Pitchei Tesjoewa, ibid, in naam van de Responsa Radbaz].

Het tekenen van een verklaring om de regels te gehoorzamen: Batei din  zijn gewend om de strij­dende partijen een verklaring te laten tekenen dat zij de regels zullen gehoorzamen. Klaarblijkelijk, daar deenige overweging het welzijn van het kind is, worden de ouders niet beschouwd als rechtspartijen maar als toeschouwers. Met andere woorden, wij beschouwen een ouder niet als iemand die „zijn” kind opeist, maar als een goed persoon die het welzijn verlangt van iemand die hem het liefst is. Het resultaat is dat zijn verklaring om de regels te gehoorzamen geen waarde heeft wanneer hij als een outsider beschouwd wordt die een verklaring betreffende een din Tora tekent, welke niets met hem te maken heeft.

Wanneer deze veronderstelling juist is, dan was Sjlomo’s rechtsspraak in het geheel geen din Tora, want er waren geen rechtspartijen, want de ouders zijn  geen tegenstanders. Maar toch, daar de poskiem en de com­­mentatoren de rechtsspraak van Sjlomo als een din Tora beschouwen, waarin de vrouwen de rechts­partijen waren en waarin iedere vrouw beweerde dat het „haar” kind was, moeten wij zeggen dat iedere ouder het recht heeft zijn kind op te voeden. De regeling van onze geleerden zorgt voor deze rechten, maar wij moeten daaruit niet concluderen dat een ouder geen recht heeft op zijn kind [HaGaon Rav Ts. Gertner in Jesjoeroen, deel VII, p. 505 e.v.].

24b Toen zij op de Scopusberg kwamen verscheurden zij hun kleren

Het inscheuren van kleren wegens de verwoesting van Jeroesjalajim en de Tempel

Onze Gemara beschrijft het grote verdriet van Rabban Gamliël, Rabbi Elazar ben Azarja, Rabbi Jehosjoea en Rabbi Akiwa, toen zij bij de Scopusberg op hun weg naar Jeruzalem kwamen en hun kleren verscheur­den wegens de verwoesting van de heilige stad en de Tempel. Vele paragrafen in de Sjoelchan Aroech bespreken wanneer men deze veplichtinge heeft, hoe men moet inscheuren, of vrouwen en minderjarigen die verplichting hebben, enz., bij het zien van de steden van Jehoeda, Jeroesjalajim en de Tempel in hun verwoeste staat. In dit nummer zullen wij ons op twee punten concentreren: of de verplichting vandaag nog bestaat en in hoeverre die van toepassing is voor de bewoners van Jeruzalem.

De verplichting om zijn kleren in te scheuren wanneer men de verwoesting van Jeroesjalajim en de ver­woeste Tempel ziet, komt uit de Gemara in Moëed Katan 26a: „Zodra men de Scopusberg bereikt moet men inscheuren.” Met andere woorden, iemand die het Tempelplein van veraf ziet, moet zijn kleren inscheuren. De halacha is overeenkomstig vastgesteld [Rambam, Hilchot Evel 9:2 en  Toer Sjoelchan Aroech, O.Ch. 561], dat iemand die Jeroesjalajim ziet of de plaats waar de Tempel gestaan heeft, die moet zijn kleren inscheuren wanneer hij dat niet de afgelopen 30 dagen gezien heeft.

[Sommigen hebben beweerd dat de inscheuring is bedoeld om bij de mensen verdriet op te wekken voor de verwoesting van de Tempel (zie Ier Hakodesj Wehamikdasj, III, 17:1:4). Niettemin merkt HaGaon Rav Moshe Feinstein op (Responsa Igrot Moshe, O.Ch., V, 37) dat wij niet naar redenen moeten zoeken voor halachot die wij leren uit Tanach. Het is duidelijk dat als het scheuren bedoeld is om verdriet op te wekken, men niet op vrijdagmiddag zijn kleren moet inscheu­ren, om verdriet op Sjabbat te vermijden. Maar toch, als sommigen de gewoonte hebben om hun kleren niet op vrijdagmiddag in te scheuren, dan kunnen wij dat verklaren zonder bovengenoemde reden, daar inscheuren verdriet veroorzaakt en men moet Sjabbat niet beginnen met verdriet. Zie ibid and Ererts Jisraël 22:11].

Tot het einde van het Britse mandaat kon men mensen zien die de plaats van de Tempel met verwondering en pijn aanschouwden en hun kleren inscheurden. In de laatste decenia is de gewoonte enigszins verwaar­loosd en aan halachische autoriteiten is gevraagd hun mening daarover te geven. Wij zullen eerst de ver­plichting zelf, om zijn kleren in te scheuren bij het zien van Jeruzelem, bespreken.

Rav Moshe Feinstein [Responsa Igrot Moshe, O.Ch. IV, 70] zegt dat het zien van Jeruzalem niet langer verplicht om in te scheuren, daar de stad herbouwd is en er niet meer vreemde volken over regeren. Hij zegt dat de verplichting wel blijft bestaan voor die delen van het land die nog steeds door vreemden worden bestuurd. Maar HaGaon Rav Sjlomo Zalman Auerbach schreef in zijn responsa Minchat Sjlom [I, 73] dat een regime alleen autonoom kan worden genoemd, wanneer zijn leiders kunnen doen wat zij willen. De halacha is [Rambam, Hilchot Avoda Kochaviem, 7:1] dat „het een positief gebod is om afgoderij te vernietigen … en in Israël is het een mitswa om het na te jagen totdat het uitgeroeid is uit het hele land.” De huidige regering kan plaatsen van afgoderij niet weguimen en daarom bestaat er een verplichting om ook bij het zien van Jeruzalem zijn kleren in te scheuren.

Moeten bewoners van Jeruzalem hun kleren inscheuren? Alle poskiem zijn het eens over de verplichting om zijn kleren in te scheuren wanneer men Jeruzalem ziet en het Tempelplein. Maar zij verschillen van mening  over de bewoners van Jeruzalem [wij zullen hier niet de vraag bespreken wie als bewoner van Jeruzalem gerekend wordt]. Volgens de Radbaz [Responsa 646] en de Chida [Birkei Joseef 661] is een inwoner van Jeruzalem ook verplicht zijn kleren in te scheuren wanneer hij de Westelijke Muur [de „Klaagmuur”] 30 dagen niet gezien heeft. Elia Raba [661, noot 8] is het er niet mee eens en meent dat een inwoner van Jeruzalem alleen die verplichting heeft wanneer hij dertig dagen uit te stad afwezig was. Responsa Divrei Jatsiev [89] schrijft dat de leidende autoriteiten van Jeruzalem gepaskend hebben overeenkomstig Elia Raba wegens de armoede van de bewoners van Jeruzalem: wanneer zij iedere keer dat zij de Westelijke Muur zien hun kleren zouden moeten inscheuren, zouden zij geen kleren meer over hebben.
HaGaon Rav Y.S. Elyashiv heeft beslist dat Jeruzalemmers ook verplicht zijn hun kleren in te scheuren. Hij zorgt ervoor om regelmatig  naar het dak van de Breslav Jesjiva te gaan, welke vlak bij zijn huis is, om van daar het Tempelplein te zien, en hij zorgt ervoor dat hij nimmer 30 dagen overslaat. Zijn kleinzoon, Rav A.Z. voegt daaraan toe dat, toen men tegen zijn grootvader zei dat men van daar alleen de koepel van de moskee kon zien die op het Tempelplein gebouwd is, hij antwoordde dat er geen grotere aanblik van de verwoesting kon zijn dan het zien van de moskee op de plaats van onze heilige Tempel
[zie verdere discussie in Rav M. Tikochinski’s Erets Jisrael, 22; Peat HaSjoelchan, 3; Orchot Rabeinoe, II, p. 149; Nit’ei Gavrei, hfdst. 100].