Meorot

          HaDaf HaJomi

                    Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi

Een uitgave van Beis Hamidrash of Chassidei Sochatchov - Bnei Brak - Israël - Chatam Soferstr. 3 -Tel. 972-3-6160657

 

23 Sjewat 5763                                     Sjewoeot 2 - 8                                   ðñ"ã       Nr. 192

Text Box: HOME
Oval: Archief
 

 

 

 

 

 

 

2b Kareet en de dood door het beit din

Het verzoek van de Maranen dat een discussie opwierp

Met bloed en tranen is de periode van de Maranen in Spanje opgetekend in de Joodse geschiedenisboeken. Vele Joden waren gedwongen hun geloof te verbergen ingevolge de decreten van Koning Ferdinand en Koningin Isabella, jismach sjemam, en Joden die de verboden van Tora daardoor overtreden hadden, wendden zich met diverse vragen tot de geleerden van die tijd.

Een zondaar vraagt gegeseld te worden:  Een groep Maranen kwam naar de Rabbijn van Safed, Mahari Beirav, met een droevig verzoek. Zij gaven toe dat zij vele overtredingen hadden begaan, waaronder ook die welke strafbaar waren met kareet, zoals het eten van chameets op Pesach en het eten op Jom Kippoer. Daar de misjna in Makot 23a uitlegt dat „iedereen die strafbaar is met kareet en die gegeseld is, vrijgesteld wordt van kareet”, vroegen zij het beit din  hen te geselen. Hun verzoek stuitte op twee halachische problemen: (a) Daar er geen officiëel aangestelde batei din meer zijn in directe opvolging van Mosjé Rabeinoe, worden lijfstraffen zoals geseling niet meer uitgevoerd, zoals alle straffen van het beit din. (b) Mag een beit din iemand straffen zonder getuigen en zonder dat hij gewaarschuwd is?

De herinstelling van de rabbijnse ordinatie: Het eerste probleem deed een bekende discussie ontstaan, toen Mahari Beirav de rabbijnse ordinatie [semicha] weer wilde instellen, want een beit din met semicha zou weer geseling kunnen toepassen.

Geseling doet verzoening wanneer iemand ze op grond van Tora schuldig is: Het tweede probleem, betreffende getuigen en een waarschuwing, deed ook een discussie ontstaan onder de leidende autoriteiten. Rabbijn Levi ben Chaviv [Ralbach] beweerde dat aangezien Tora voor dergelijke zonden geen geseling als straf stelt, geseling de persoon in kwestie daarom niet kan vrijstellen van kareet.

Geseling mag gegeven worden aan wie daar om vraagt: Aan de andere kant, Mahari Beirav was van mening dat, hoewel een beit din niet iemand laat geselen zonder getuigen of waarschuwing, het wel geseling mag geven aan wie daar om vraagt, om te worden vrijgesteld van kareet. Hij lichtte zijn redenering zelfs toe door te zeggen dat het niet mogelijk kon zijn dat iemand die brutaal gezondigd heeft na daartegen gewaarschuwd te zijn door getuigen, verzoening krijgt door geseling, terwijl een meer bescheiden mens, die in alle stilte en privé gezondigd heeft, geen verzoening kan krijgen. Ralbach antwoordde dat Hasjem alles weet en dat privé zondigen in stilte niet minder ernstig is.

Schaamte: een essentiëel onderdeel van de geseling:  Volgens de Ralbach konden de Maranen niet gegeseld worden om twee redenen: (a) Iedereen die gegeseld wordt, kan daardoor overlijden [Rambam, Hilchot Sanhedrin 5:4] en een beit din  mag zijn leven niet in gevaar brengen [zie zijn opmerking, dat zelfs als de geseling iemand niet zou doden, een beit din  ze toch niet moet opleggen, en zie Kovets Sji’oeriem II, 13, noot 4]; (b) een essentiëel onderdeel van de boetedoening  door geseling is de schaamte die iemand gedwongen wordt te ondergaan, en die is afwezig bij iemand die erom vraagt.

Berouw verschoont de zonde; geseling vermindert de smart: Echter Rabbijn Levi ben Chaviv liet de Joden, die gebroken waren door angst voor kareet niet in de steek. Hij legde uit dat een deel van de Komende Wereld verzekerd is voor iedereen die tot zijn schepper terugkeert in volledig berouw, maar zijn zonden moeten in deze wereld gereinigd worden door kwellingen [Joma 86a]; iemand die gegeseld wordt zou niet onderhevig zijn aan deze kwellingen. Iemand die volledig en oprecht berouw voelt verdient zijn deel in de Komende Wereld, zelfs wanneer hij niet gegeseld wordt, zoals hij zegt: „Ondanks alles hoeft een boeteling zich geen zorgen te maken en hoeft niet te wanhopen dat zijn zonden hem niet worden vergeven. Zijn zonde zal verzoend worden zelfs zonder geseling door het beit din en hij zal door tesjoewa zelfs een hoger niveau bereiken dan de volledig rechtvaardigen, wanneer hij zich probeert te houden aan al de basisprincipes [zie het eind van sefer Ralbach, aan het begin van een lange discussie over semicha  en zijn implicaties).

 

2b Onreinheid van het Mikdasj en zijn heilige voorwerpen

Het Tempelplein binnengaan

In onze misjna zegt Rabbi Meïer: „Alle geiten dienen tot verzoening voor de verontreiniging van de Tempel en zijn heilige voorwerpen.” Met andere woorden, al de geiten van de toegevoegde offers [moesafiem] dienen als verzoening voor overtredingen van verontreiniging van de Tempel door het eten van kodesjiem [vlees van offerdieren] terwijl zij tamé [onrein] zijn, of door de Tempel of het binnenste Tempelplein binnen te gaan terwijl men tamé is.

Hangt de heiligheid van het Tempelplein af van het bestaan van de Tempel? Iemand die tamé – onrein – is en het Tempelplein betreedt,overtreedt een verbod van Tora en wordt gestraft met kareet. Volgens de Rambam [Hilchot Beit HaBechira 6:16] en vele andere Risjoniem [Tosafot Jewamot 82b, beg.w. Jeroesja; Rasj op Sjewiïet 6:1; Semag, ‘asin 163; Jeraïem Hasjaleem 277; e.a.] is het verbod en de daaruit voortkomende kareet nog steeds van kracht , ook na de verwoesting van de Tempel, daar „de eerste heiliging de plaats voor zijn eigen tijd en voor de toekomst heiligde.” Met andere woorden, het Tempelplein was voor altijd heilig verklaard met een onvoorwaardelijke heiligheid, onafhankelijk van het bestaan van de Tempel. Ra’avad [ibid] is het er niet mee eens en meent dat nadat de Tempel verwoest werd en de niet-Joden het Tempelplein in bezit genomen hebben, de de heiligheid werd opgeheven.

Sommigen menen dat volgens de Ra’avad alleen de straf van kareet opgeheven werd, maar dat het Toraverbod om het Tempelplein te betreden van kracht bleef [zie Responsa Binjan Tsion 2 en Responsa Misjpat Kohen 96]. Zelfs wanneer dat niet zo is, dat zijn allen het ermee eens dat de geleerden bepaald hebben dat wij het Tempelplein niet moeten betreden na de verwoesting, om twee redenen: (a) zodat wanneer de Tempel wordt herbouwd, iedereen zich zal herinneren dat een tamé iemand het Tempelplein niet mag betreden; (b) om het respect voor de Tempel te behouden. En inderdaad, leidinggevende autoriteiten hebben getuigd hoe Joden ook na de verwoesting van de Tempel altijd zorgvuldig waren om het Tempelplein te vermijden, omdat het verbod van Tora [d’oraita] om het te betreden ook in onze tijd nog steeds geldt en degenen die het toch betreden worden gestraft met kareet [Rabeinoe Ovadja Bartenoera in zijn brief uit Erets Jisraël van 5248; en zie Binjan Tsioni dat dit de beslissing is van alle poskiem].

De brief van de Rambam die een sensatie veroorzaakte: Een brief die door de Rambam verzonden werd tijdens zijn bezoek aan Erets Jisraël [afgedrukt in Sefer Charediem 65] veroorzaakte een grote opschudding toen hij schreef dat bij zijn aankomst in Jeroesjalajim hij in het „grote en heilge huis” gedawwend [gebeden] had. Sommigen begrepen hieruit dat het een synagoge was op het Tempelplein – iets wat in strijd was met zijn beslissing dat men in onze tijd het gebied van het Templein niet mag betreden. Maar poskiem verwierpen de poging om de brief voor te stellen als een bewijs dat Rambam van mening veranderd was en bewezen dat hij een grote synagoge bedoeld had, die Midrasj Sjlomo genoemd werd, en die die bevond vlak bij het Tempelplein, en waarvan de ramen uitkeken over het hele Tempelplein [zie Responsa Minchat Jitschak V, 1 en Responsa Tsiets Eliëzer X, 1 en XI, in naam van HaGaon Rav J. Chai Zarihan).

Het bezoek van Montefiori aan de Tempelberg: 136 jaar geleden, in het jaar 5627 [1867] bezocht Sir Moses Montefiori Erets Jisraël, begeleid door zijn privé-secretaris, Dr. Levi. Tot grote verrassing van de gemeenschap van Jeruzelem gingen de twee het Tempelplein op met een speciale vergunning van de Sultan uit Istanboel, voor hem verkregen door bemiddeling van de Pasja van Jeruzalem, die daarvoor goed door Montefiori betaald was. De inwoners van Jeruzalem waren geschokt en HaGaon Rav Joseef Mosjé uit Lissa, de zoon van de schrijver van Netivot HaMisjpat en Chavot Da’at, blies zelfs op de sjofar in de straten en sprak de ban uit over Montefiori. Daar hij zeer religieus was, haastte Montefiori zich naar de rabbijnen en geleerden van Jeruzalem en verontschuldigde zich met de bewering dat hij oprecht gehandeld had, maar misleid was door een zekere rabbijn die meende dat de opinie van de Ra’avad de geaccepteerde halacha was. Hij accepteerde vervolgens een aantal opdrachten als tesjoewa en de opschudding bedaarde [Responsa Tsiets Eliëzer XI, 15:5].

2b Onreinheid van het Mikdasj en zijn heilige voorwerpen

Mogen niet-Joden de Tempelberg betreden?

Nu wij weten dat het verbod van Tora om het Tempelplein te betreden en de straf van kareet daarop, nog van kracht zijn in onze tijd, moeten wij nagaan of deze halacha ook geldt voor niet-Joden. De misjna in Keliem 1:8 zegt dat niet-Joden het plein niet verder mogen betreden dat de cheil [de omheining rond de Tempel] d.w.z. het gebied van de Tempelberg [behalve vier amot die grensen aan de omringende muur] en Rambam [Hilchot Biat HaMikdasj 3:5] beslist overeenkomstig, dat „bij de cheil niet-Joden terug gestuurd moeten worden.”

De halacha voor verontreiniging geldt alleen voor Joden: De Tora past de halachot  voor verontreiniging [toema]  niet toe op niet-Joden [Nazier 61b; Rambam Hilchot Toemat Hameet 1:13]. Het resultaat hiervan is, dat het Tora-verbod, dat men niet tamé het Tempelplein mag betreden, alleen voor Joden geldt. Niettemin hebben onze geleerden beslist dat ook niet-Joden tamé kunnen zijn en de misjna legt daarom uit dat zij niet verder mogen komen dan de cheil.

Mag een niet-Jood op het Tempelplein komen? Sommigen zeggen [Magid Meireisjiet in Koentres Derech HaKodesj], dat hoewel niet-Joden het Tempelplein mogen betreden, chazal ons geboden hebben hen de toegang te weigeren. Ramab schrijft: „Niet-Joden moet men wegzenden.” Maar de Maharit [geciteerd in Derech HaKodesj door Rav C.A. Alfandari] wijst erop dat chazal het feitelijk de toegang tot het Tempelplein verbood [Chazon Nachoem op Keliem 1:6].

Hoe de Grieken de olie van de Tempel verontreinigden: Ieder jaar met Chanoeka prijzen wij Hasjem voor het wonder van dat ene verzegelde oliekruikje met reine olie dat tussen al de door de Grieken verontreinigde olie gevonden werd. Aangezien niet-Joden nimmer tamé kunnen zijn, moeten wij verklaren hoe zij dan in staat waren om de olie te verontreinigen.

Tosafot [Sjabbat 21b, beg.w. Sjehaja  en zie ook Maharsja, ibid] suggereert dat de rabbijnse bepaling dat toema ook voor niet-Joden geldt, kan dateren van vóór de tijd van de Misjna, en de Reëem [op de Semag aan het begin van Hilchot Chanoeka] opmerkt dat de Grieken de olie vervuild konden hebben toen zij de Tempel binnenkwamen met hun kleren die tamé waren.

Het kopen van water uit een bron op de Tempelberg: Sdé Chemed …[Ma’arechet Wav, Klal 26, ot 33] stelt deze vraag, of de inwoners van Jeruzalem water mogen kopen van Arabieren, dat zij uit een bron op de Tempelberg gehaald hebben, want zij vreesden dat hun vraag naar water de Arabieren zou aansporen de Tempelberg op te gaan. Hij antwoordde dat wanneer de waterdragers toch reeds de hele dag op de Tempelberg bleven, dan was er geen verbod om het water van hen te kopen. In tegendeel, de vraag naar water doet hen de Tempelberg verlaten wanneer zij het water naar de Joden brengen.

Vingers in de Westelijke Muur steken: Drie jaar geleden werd in dit blad [niet vertaald (zwi)] het probleem besproken van het in de Westelijke Muur steken van iemands vingers. In dat artikel citeerden wij de Aderet [Misjkenot L’Abier Ja’akov, II] die dat verbiedt uit vrees dat men daarmee het Tempelgebied binnengaat terwijl men tamé is. Aan de andere kant menen anderen [Maharil Diskin] dat de Muur om de Tempelberg nimmer geheiligd werd en dat er dus geen verbod op bestaat [zie sefer Meorot HaDaf Hayomi, deel II, p. 249].

Toestemming van de Avnei Nezer: Maar het is interessant dat de Sochatchover Rebbe zts”l, schrijver van Avnei Nezer [Responsa Avnei Nezer, J.D., II, 450-51], schrijft dat zelfs wanneer de muur wel geheiligd zou zijn, er geen verbod bestaat om zijn vingers daar in te steken op grond van twee halachot: (a) Het verbod om binnen te gaan betreft een normale entree, terwijl een abnormale entree is toegestaan; (b) het verbod om binnen te gaan geldt alleen voor de toegangswegen tot de Tempel. Wanneer men zijn vingers in de muur steekt kan dat niet beschouwd worden als een normale manier waarop men het Tempelplein binnengaat en daarom is het geoorloofd. En zelfs al zouden wij zeggen dat het een vorm van binnengaan is, kan die plaats niet vanuit de kant van de Tempel bereikt worden en het wordt dus niet beschouwd alsof met een heilgige plaats betreedt.

6a Een Kohen die daar niet in gespecialiseerd is en in hun namen, mag de aandoening niet bekijken

Tsara’at na de verwoesting van de Tempel

Onze soegia behandelt tsara’at, waarvan de halachot zo moeilijk zijn, dat toen Rabbi Elazar ben Azarja wilde dat Rabbi Akiwa toegewijd en grondig Tora zou leren, hij zei: „stop met je kansel-gepraat en verdiep je in de halachot van huidziekten en tentziekten [nègaïem waohalot][Sanhedrin 67b].

Tsara’at is geen ziekte: HaGaon Rav Jehonatan Eibeschitz zst”l benadrukt dat de tsara’at die in de parasjiot van Tazria en Metsora behandeld worden, geen ziekten zijn, zoals de lepra die wij kennen, hetgeen een huidaan­doening is [niet precies (Zwi)]. De tsara’at van Tora is een kenmerk van iets dat niet iemands gezondheid aantast, maar dat een staat van reinheid [tahara] of onreinheid [toema] weergeeft, en waaraan men kan herkennen of iemand buiten de gemeenschap moet blijven tot hij weer tahor is [Ahavat Jehonatan, haftara Metsora].

Waarom is er geen tsara’at in onze tijd? De halachot van tsara’at hangen niet af van de Tempel maar zijn altijd van toepassing [Sefer HaChinoech, mitswa 169 en zie  Rambam, Hilchot Tsara’at 11:6]. Toch weten wij dat zij in onze tijd niet worden toegepast. Waarom? Tiferet Jisraël [aan het eind van Maré Kohen, zijn voorwoord tot Negaïem] vertelt hoe hij als kind deze vraag gesteld had aan HaGaon Rabbijn Akiwa Eiger zts”l, die zei dat hij daar geen passend antwoord op had.

De afwezigheid van bevoegde kohaniem verhindert het verklaren van toema: Volgens de meeste Acharoniem is de reden hiervan dat wij geen bevoegde kohaniem [mejoechasiem] meer hebben en zij zijn de enigen die mogen verklaren dat iemand tamé is [Radbaz, Hilchot Teroemot, 7:9; Tiferet Jisraël, ibid; Toledot Adam, I, hfdst. 6; etc.].

Wij zijn geen experts in de vier gradaties van witheid: Andere Acharoniem verklaren dat deze halachot niet toegepast worden in onze tijd omdat wij niet meer deskundig zijn in de verschillende schakeringen van wit, zoals vereist is om vast te stellen of een bepaald kenmerk tsara’at is. Perot Teëna op Sjewoe’ot citeert de midrasj Lèkach Tov. „Rabbi Jochanan heeft gezegd: ‘Sedert de verwoesting van de Tempel is er geen toema of tsara’at meer, want niemand kan het ons leren.’”

De kleur van de pleisterkalk van de Tempel als maatstaf voor witheid: Chochmat Sjlomo legt uit dat de midrasj is gebaseerd op de misjna in Negaïem 1:1, waar de vier gradaties van witheid van tsara’at worden genoemd, waarvan er één wordt vergeleken met de kleur van de pleisterkalk van de heichal [de hal van de Tempel]. Nu de Tempel is verwoest, kunnen wij de kleur van de pleisterkalk  niet meer vaststellen om de graad van witheid te bepalen…

Rabbijn Ja’akov Emden: iemand die getroffen is door tsara’at kan niet meer tahor worden: Aan de andere kant zegt Rabbijn Ja’akov Emden [Responsa Sjeëlat Ja’avets, I, 138) dat, hoewel men wel tamé kan worden met tsara’at, men niet meer tahor kan worden. Wij kunnen tenslotte de eerste graad van witheid vaststellen, want die is gedefiniëerd als „zo helder als sneeuw”. Iemand met een sneeuwwit merkteken is dus tamé en, volgens hem, is er geen kohen  nodig om iemand in zo een duidelijke situatie tamé  te verklaren. Maar een kohen is wel nodig om een metsora weer tahor te verklaren, en daar wij geen kohaniem mejoechasiem hebben, blijft zo iemand dus voor altijd tamé en mag hij Jeroesjalajim, en misschien ook andere plaatsen, niet binnenkomen [zie Minchat Chinoech, mitswa 169:20 en de begeleidende opmerkingen]. Dat is de mening van Rabbijn Ja’akov Emden. Echter volgens de meeste poskiem kan iemand niet meer tamé worden zonder dat een kohen hem als zodanig verklaart [zie Sefer Mafteach ibid en de bovengenoemde poskiem].

¯ ¯ ¯ ¯ ¯

N.B. De bedoeling van deze serie is uitsluitend om de behandelde problemen nader toe te lichten en niet om een halachische beslissing te geven. Voor een psak halacha moet men een bevoegde halachische autoriteit raadplegen.