Meorot

          HaDaf HaJomi

                    Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi

Een uitgave van Beis Hamidrash of Chassidei Sochatchov - Bnei Brak - Israël - Chatam Soferstr. 3 -Tel. 972-3-6160657

 

30 Sjewat 5763                                     Sjewoeot 9 - 15                                   ðñ"ã       Nr. 193

Text Box: HOME
Oval: Archief
 

 

 

 

 

 

8b Wanneer iemand sterft reinigt de dood hem

In hoeverre kunnen wij de zielen van overledenen helpen?

Onze soegia legt uit dat een offer [korban] van iemand die overleden is [voordat hij het kon offeren] niet meer geofferd moet worden. „Wanneer hij gestorven is, doet zijn dood verzoening voor hem” – in dezelfde graad als zijn offer en hij heeft dat offer niet meer nodig [zie Rasji]. Maar voor zijn overige zonden wordt met zijn dood geen verzoe­ning gedaan [zie Beit HaOtsar I, Klal 86].

We moeten onderscheid maken tussen verzoening en verdienste: Mensen doen een heleboel om de zielen van de overledenen te verheffen, zoals kaddisj zeggen gedurende het rouwjaar, men geeft aan liefdadigheid, zegt Jizkor en E-l malei rachamiem, enz. Hoe beïnvloedt dit allemaal de ziel van de overledene? Voegt het verdienste toe en doet dat verzoening voor zijn zonden, welke niet vergeven zijn? Wanneer wij de verheffing van de ziel bespreken, moeten wij onderscheid maken tussen verzoening en verdienste – d.w.z. tussen het verrichten van handelingen die iemand kunnen redden van de straf van Geihinom en handelingen die bedoelt zijn om verdiensten voor hem te verkrijgen en die hem zullen verheffen in de diverse gradaties van heiligheid.

Wanneer een ziel in de Wereld van de Waarheid komt, dan krijgt hij beloning naar zijn daden in deze wereld. Vele Risjoniem menen dat iemand geen goede daden kan verrichten die verdiensten toevoegen aan de overledene. Er is geen reden waarom de overledene de verdienste krijgt van die goede daad, die hijzelf niet verricht. In de Komende Wereld krijgt een ziel beloning voor zijn eigen daden, niet voor die van een ander. De Rasjba [Responsa VII, 539] schrijft: „Zelfs als alle tsaddikiem van de wereld om genade vragen en zelfs wanneer liefdadigheid gegeven wordt ten behoeve van zijn verdiensten, dan heeft hij daar niets aan. Dat is onze mening.” Toch mogen wij om genade vragen voor de overledene, dat Hasjem niet te streng zal zijn in Zijn straf, zoals de Rasjba schrijft: „Wanneer een zekere tsaddiek voor hem om genade vraagt, is het mogelijk dat Hasjem toegevend met hem zal zijn vanwege de verdiensten van die tsaddiek.” Met andere woorden, wij kunnen geen verdiensten geven aan de ziel van de overlede­ne, maar we kunnen wel zijn straf verzachten [Sefer Chassidiem, 170].

Wij kunnen niets doen dat toevoegt aan de verdiensten van de overledene. Sommigen twijfelen er zelfs aan of de goede daden van anderen de straf kunnen verzachten [een responsum door Kadmon in Chasdei ‘Olam aan het eind van Sefer Chasidiem, Mosad HaRav Kook, p. 591] daar de levenden niet kunnen verzoenen voor de doden. Beit Joseef [O.Ch. 284] citeert ook Rav Avigdor, dat de zonden van de overledenen niet verzoend kunnen worden door liefdadigheid. Niettemin beweren velen [Rav Sjneuer, geciteerd in Beit Joseef, ibid] dat voor de zielen van de overledene verzoening gedaan kan worden en dat is de reden waarom wij Jizkor en E-l malei rachamiem zeggen en mitswot doen om de zielen te verheffen. Deze mening baseert zich op de mening van de Tanaïem in Pesikta Rabati [Pesikta 20]: „Belangrijk is de liefdadigheid, want het kan iemand uit het Geihinom krijgen, zoals ons verteld wordt: ‘Doe verzoening voor je volk Israël’. Zou het mogelijk zijn dat wanneer iemand overlijdt, hij geen enkele rechtvaardi­ging meer zou kunnen krijgen door liefdadigheid? De Tora zegt: ‘Verzoen’, en leert ons daarmee dat hij daardoor verlost wordt van de straf van Geihinom” [zie ook Midrasj Tanchoema, Ha’azinoe 1].

Kinderen kunnen verdiensten voor hun ouders verkrijgen: Ver­schil­lende werken [Chasdei ’Olam, ibid; enz.] leggen uit dat al het bovenstaande niets te maken heeft met de kinderen van de overledene, want hun goede daden kunnen wel verdiensten verkrijgen voor hun ouders, die hen heb­ben opgevoed. Ten slotte, iemand verricht goede daden dankzij de goede opvoeding die hij gekregen heeft van zijn ouders. Dus niet alleen doet een zoon verzoening voor de zonden van zijn vader, maar hij verkrijgt ook verdiensten voor hem door zijn vaders ziel te verheffen. Wanneer een zoon deelneemt aan een sji’oer, wordt dat als een verdienste van de va­der aangerekend en diens ziel wordt daarmee verheven naar een ho­ge­re sfeer van heiligheid en die daad wordt beschouwd als het geze­gende re­sultaat van de activiteiten van de vader in deze wereld [zie Divrei Sofriem, Aweloet, I, 376, p. 340, die een uitgebreide verhandeling houdt over de lief­dadig­heid van de zoon].

9b De bokken van de feestdagen verzoenen
Het verschil in tekst van moesaf voor Sjawoeot
In de moesaf  van Sjabbat, feestdagen en rosj chodesj herinneren wij aan de toegevoegde offers die destijds op die dagen gebracht werden. Op Sjabbat zeggen wij: „En op de Sjabbat-dag twee gave schapen onder het jaar, en twee tienden meelbloem als meeloffer, aangemengd met olie en het bijhorende plengoffer. Op iedere Sjabbat het Sjabbat-brandoffer, toegevoegd aan het dagelijkse offer en het bijhorende plengoffer”
[Bamidbar 28:9-10]. Maar over de gebeden voor de feestdagen verschillen de meningen. De Sefardische gewoonte is om de verzen die over de toegevoegde offers voor de feestdagen gaan, niet te noemen, volgens de regeling van rabbijn Joseef Karo in de Sjoelchan Aroech [O.Ch. 591:2]: „De eenvoudige gewoonte van alle Sefardiem is om de verzen over de toegevoegde offers in het geheel niet te noemen,” omdat de geleerden vreesden dat de mensen de woorden van de verzen zouden verwarren doordat de feestdagen relatief maar weinig voorkomen [Misjna Broera overeen­komstig de Toer, ibid.]. De Azkenaziem volgen de regel van de Rama: „De eenvoudige gewoonte in Azkenaz en deze streken is om de verzen van de toegevoegde offers wel te zeggen,” [ibid] „en in iedere moesaf van Jom Tov is men gewend de verzen die op die dag betrekking hebben te zeggen” [O.Ch. 488:3]VAN DE VERTALER

Het lezen van de offers doet verzoening voor ons, zoals ons verteld wordt in Hosea 14:3: „…en wij zullen de stieren [offers] met onze lippen betalen.” Onze soegia legt uit dat het offer van de geit als zondoffer bedoeld was om verzoening te brengen voor de verontreiniging van de Tempel en zijn heilige voorwerpen – d.w.z. voor overtredingen van geboden die in de Tempel begaan zijn, zoals het binnenbrengen van iets onreins [temeïem] of het brengen van een offer bij vergissing. Nu dat de Tempel verwoest is, moeten wij een verklaring hebben waarom wij deze offers nog moeten noemen.

Heel Israël is verantwoordelijk voor elkaar:  De Maharil [Hilchot Jom Hakippoeriem] geeft aan dat het noemen van de offergeit in moesaf dient ter verzoening voor de Joden die de Tempelberg betreden hebben terwijl zij tamé waren en daarmee een ernstige overtreding hebben begaan. Hoewel degene die dawwent zelf die overtreding niet begaan hoeft te hebben, geldt toch dat „heel Israël verantwoordelijk is voor elkaar.”

In vele siddoeriem staat een interessante variatie van de moesaf-tekst: na de zin: „we saïer lechapeer” [een offergeit ter verzoening] staat daar tussen haakjes: „(op Sjawoeot: en twee geiten ter verzoening)”. En inderdaad, HaGaon Rav Schneur Zalman uit Liadi zts”l, de auteur van de Tanja, heeft de tekst in zijn siddoer zo vastgesteld: „twee geiten” en de chasidiem van Chabad volgen die noesach.

Het is duidelijk dat er geen discussie is over het aantal geiten dat geofferd wordt op Sjawoeot. Wanneer wij de Tora nagaan, vinden wij dat er twee geiten geofferd werden op Sjawoeot. Waarom staat er dan in de meeste siddoe­riem „een geit”? HaGaon Rav Moshe Feinstein zts”l [Responsa Igrot Moshe, J.D. III, 129] legt uit dat de extra geit op Sjawoeot één van de speciale offers was, wegens het offer van de twee broden dat de offers van het nieuwe graan mogelijk maakte [zie Wajjikra 23:16-20]. Deze offers deden niet dienst als verzoening maar als dankoffers voor de producten van het land. Daarom worden zij niet genoemd in parasjat Pinchas waar de toegevoegde offers voor de feestdagen genoemd worden en daarom worden zij niet genoemd tijdens het moesaf-gebed op Sjawoeot, hoewel die geit wel tot verzoening diende. [Een talmied chacham opperde een toepasselijke verklaring: Waarom hebben wij twee geiten nodig? Heeft de eerste niet aan zijn functie voldaan? De Tosefta legt uit, dat de tweede geit verzoening deed voor zonden die begaan werden nadat het eerste offer gebracht was. Nu wij alle offers bijelkaar opnoemen, is er geen reden om de twee offers te noemen… Een lid van ons beit midrasj merkte op dat iedereen het er mee eens is dat wij op Rosj Hasjana wel beide geiten tegelijk noemen, zoals verklaard wordt door de Rama (in O.Ch. 591:2)].

11a Het  hart van het beit din zorgt ervoor

Het leggen van heilige boeken op de bima

Voorwerpen in een synagoge, die gebruikt worden voor heilige doeleinden, zoals een aron hakodesj, een parochet of een bima worden tasjmisjei kedoesja genoemd en moeten niet voor profane doeleinden gebruikt worden [Sjoelchan Aroech,  O.Ch. 154], tenzij dat zo van te voren bij de ingebruikneming bepaald werd. De auteur Troemat HaDesjen [Responsa I, 273] schrijft dat ook een bima alleen gebruikt mag worden voor een sefer Tora en niet voor andere heilige boeken.

Verlenging van de tijd voor het gebed:  Hoe komt het dan dat wij gewend zijn om siddoeriem en choemasjiem op de bima te leggen? Troemat HaDesjen heeft er „wat moeite mee”, en zegt dat wij het nu bijna niet meer kunnen vermijden om de tasjmisjei kedoesja te gebruiken: In tegenstelling tot in het verleden hebben wij nu vele siddoe­riem in sjoel en wij brengen daar meer tijd door wegens de vele pioetiem en zemirot die wij toevoegen, met als resultaat, dat het nauwelijks te vermijden is dat wij gebruik maken van de tasjmisjei kedoesja. Het is echter duidelijk dat dit nog niet een reden is om toestemming te geven een overtreding te begaan. Van kinds af aan is een Jood gewend de geboden van Hasjem te gehoorzamen, of ze nu makkelijke of moeilijk zijn. Troemat HaDesjen voegt daar de ha­lachische regel aan toe van onze soegia: „Het hart van het beit din zorgt er voor,” zoals wij nader zullen uitleggen.

Onze soegia legt uit dat de offerdieren van het publiek, die om de een of andere redenen niet waren geofferd, gelost mogen worden van hun heiligheid en gebruikt mogen worden voor wereldse doelen want „het hart van het beit din maakt een voorziening voor hen”. Met andere woorden, die offerdieren waren gewijd om te worden geofferd, maar indien zij niet werden geofferd, dan waren zij niet heilig [met kedoesja hagoef, hetgeen niet gelost kan worden] en dan mochten zij gelost worden en gebruikt worden voor wereldse zaken [Rasji]. Het nieuwe aan deze regeling is dat zulk een conditie niet expliciet op het moment van de bestemming van het offerdier werd uitgesproken, het was voldoende dat „het hart van het beit din daarin voorziet.” Hetzelfde geldt voor de tasjmisjei kedoesja in een synagoge, hoewel het aanvankelijk niet de bedoeling was dat ze voor een wereldlijk doel zouden gebruikt worden, „heeft het hart van het beit din erin voorzien” en dan is het alsof die voorwaarde toch van te voren gesteld is [Rama, O.Ch. 154:8].

Een tafelkleed bestemmen voor de Tora-voorlezing: Al het bovenstaande wijst erop, dat wij in principe [lechatechila] moeten vermijden om tasjmisjei kedoesja voor wereldse doelen te gebruiken. En inderdaad, in sommige synagogen – zoals de synagoge van de Sloniem Chasidiem en de Lederman Synagoge in Bnei Brak – zorgt de gemeenschap ervoor om  een speciaal tafelkleed te bestemmen voor de Tora-lezing. Om verkeerd gebruik en twijfel te voorkomen hebben halachische autoriteiten [Misjna Broera, 154:37, in naam van de Mageen Awraham; etc.] de idee verdedigd dat wanneer men een tasjmisj kedoesja inwijdt, de donor daarbij een voorwaarde moet stellen dat het voorwerp gebruikt mag worden voor wereldse doeleinden. In ieder geval, wanneer een dergelijke voorwaarde vergeten is te maken, dan schrijft de Prie Megadiem [Esjel Awraham, O.Ch. 154:9] dat als men het kan vermijden om het voor een werelds doel te gebruiken, men zich niet moet verlaten op de toestemming van „het hart van het beit din dat erin voorziet.”

Een bank in een synagoge is een tasjmisj kedoesja: De Jeroesjalmi [Megilla 3:1] legt uit dat de banken in een synagoge ook beschouwd moeten worden als tasjmisjei kedoesja, want alle voorwerpen in een synagoge zijn heilig. Apropos, de Aroch HaSjoelchan [O.Ch. ibid, 12] heeft het over het gebruik van zulke banken voor wereldse doelen, zoals voor een feestmaal, en schrijft dat wanneer de mensen dit als geoorloofd beschouwen, „het hart van het beit din hierin voorziet.” Sommigen twijfelen er zelfs aan of de gewoonte om de ‘aravot op Hosja’na Raba op de aron hakodesj  te gooien [Darchei Chajiem Wesjalom, p. 292], omdat daarmee de aron hakodesj voor een werelds doel gebruikt wordt. Maar de Maharsjam [Responsa IV, 57] merkt op dat aangezien de mensen nu eenmaal deze gewoonte hebben, „het hart van het beit din erin voorziet.” Natuurlijk voorziet deze toestemming er niet in dat de voorwerpen van een synagoge nu voor ieder doel gebruikt kunnen worden, zoals de Misjna Broera schrijft: „…en alleen voor gevallen waar het duidelijk is dat het de gewoonte is om er soepel in te zijn, maar wanneer er geen gewoont is, dan moeten wij niet soepel zijn, want misschien hebben zij daar niet in voorzien.”

15a Echter, hebben grote soorten een speciale betekenis voor de hemel?

De bouw van een schitterend huis om een mezoeza te verfraaien

Het is algemeen bekend [Bawa Kama 9b] dat het een mitswa is om geld uit te geven, om een mitswa zo mooi mogelijk te doen, zoals ons verteld wordt: „Dit is mijn G-d en ik zal Hem in schoonheid dienen” [Sjemot 15:2; Rasji, beg.w. Behidoer]. Laat ons eens een typisch geval bespreken: Reoeween, een arme man, heeft gedurende vele maanden geld gespaard om een buitengewoon mooie etrog voor Soekot te kunnen kopen. Daarentegen kan Sjim’on, die rijk is, hetzelfde bedrag met gemak uitgeven en hij koopt net zo’n mooie etrog als die van Reoeween. Is de wijze waarop zij de mitswa verfraaien [hidoer mitswa] gelijk?

Wat is „verfraaing van een mitswa”? Om deze vraag te beantwoorden, moeten wij de definitie van hidoer mitswa  nader uitleggen. Daaraan zitten twee aspecten: (a) Wanneer wij de mitswa met een mooi voorwerp uitvoeren, dan is de mitswa belangrijker en verfraaid; (b) het is niet de hidoer die de  mitswa verfraait, maar alleen de persoon die die de mitswa uitvoert verfraait hem. Met andere woorden, degene die de mitswa uitvoert, moet zich inspannen wegens het belang ervan en bewijzen dat het voor hemzelf belangrijkrijk is door het voorwerp, waarmee de mits­wa wordt uitgevoerd, te verfraaien [HaGaon Rav Velvel Chechik zts”l, geciteerd in Misjmar HaLevi, Chagiga p. 149].

Wanneer de uitvoering van een mitswa met een speciaal voorwerp de mitswa verbetert, dan is er geen verschil tussen Reoeween en Sjim’on, daar beiden een mooie mitswa doen. Maar als de hidoer mitswa iemands inspanning uitdrukt om de geboden van Hasjem uit te voeren, dan kunnen ze niet met elkaar worden vergeleken.

Onze soegia heeft het over een mitswa, waarvan de hidoer volgens iedereen door Tora is voorgeschreven [d’oraita]. Over alle mitswot is er verschil van mening of de hidoer ervan d’oraita is [Ra’avad in zijn opmerkingen op de Maor, Soeka 7a in de bladzijden van de Rif, en zie Rasji, Soeka 11b] of een rabbijnse verordening [derabanan – Tosafot, Menachot 41b; Ritva, Soeka 11b]. Niettemin is iedereen het erover eens dat als iemand een fijn vet offer brengt, hij een hidoer mitswa d’oraita uitvoert [zie Megilla 28a en Rambam, Hilchot Isoerei Mizbeach 1:1]. Echter, onze soegia legt uit dat het voor Hasjem geen verschil maakt of iemand een vet offer of een mager offer brengt. De Risjoniem vragen zich af, hoe dat kan, want men moet een hidoer mitswa doen met het fijnste offer. Alle Risjoniem komen met hetzelfde antwoord: wanneer iemand de bedoeling heeft om de mitswa te doen, dan is de mitswa in beide gevallen hetzelfde [Tosafot, beg.w. Lelamedcha]. De Ritva verklaart deze basisregel uitvoerig en zegt dat wanneer een individu geboden wordt een offer te brengen, hij het beste dier moet offeren, zodat het offer iets belangrijks voor hem betekent. Echter, de Gemara heeft het over de mitswa zelf, waarvan het belang niet verandert met de omvang van het offer. Rambam [Hilchot Isoerei Hamizbeach 7:11] voegt daaraan toe dat een hidoer mitswa bedoeld is voor iemand „om zijn slechte neigingen te overwinnen en royaal te zijn en het best mogelijke offer te brengen.”

Dus een hidoer mitswa is bedoeld voor degene die de mitswa uitvoert [Peniem Weïgrot,  Misjmar HaLevi I:70] maar de mitswa zelf wordt niet beschouwd beter te worden uitgevoerd met een mooier voorwerp. [Er is een andere halacha, dat men geen inferieur offer mag brengen en dat is een halacha die betrekking heeft op het offer zelf; zie Rambam, Hilchot Ma’asé HaKorbanot, 16:4 en Ma’asé Rokeach, ibid]. HaGaon Rav M.S. Sjapira [Koentres Habéoeriem, Bawa Kama §26] komt met een bewijs hiervoor in naam van de leerlingen van de Mir Jesjiva van voor de Tweede Wereldoorlog. De Risjoniem leggen uit  dat een hidoer mitswa met tsietsiet wordt uitgevoerd met een „mooie talliet en fijne tsietsiet”. Kennelijk wordt de mitswa alleen uitgevoerd met de franje van de tsietsiet en niet met het kledingstuk en daarom is er geen noodzaak voor de hidoer mitswa  met het talliet. Maar toch, wanneer het de bedoeling van de hidoer mitswa is om te bewijzen hoe belangrijk de mitswa is voor de persoon die hem doet, dan is de hidoer van het voorwerp dat het begeleidt en de mitswa mogelijk maakt ook een bewijs van zijn liefde voor de mitswa. De Brisker Rav zts’l reageerde scherp op dit bewijs, want als dit zo is, zou iemand een schitterend huis moeten bouwen ter wille van de hidoer mitswa met zijn mezoezot…

De speciale status van een gebedssjaal: Blijven wij zitten met de vraag waarom iemand een „fijn talliet moet hebben. Rav Moshe Feinstein [Responsa Igrot Moshe, O.Ch. I, 187] legt uit dat de Gemara [Sjabbat 133b] het niet heeft over ieder willekeurig vierhoekig kledingstuk maar over het talliet gadol dat gebruikt wordt bij de gebeden, want dat doet iemand ter ere van Hasjem.

VAN DE VERTALER

Inleiding tot hoofdstuk 2

Voordat de Misjna terugkeert tot het onderwerp aan het begin van het hoofd­stuk – de wetten van de sjewoeat bitoei – een vrijwillig uitgesproken eed – rondt het eerst de discussie af over de voorschriften betreffende het binnengaan van de Tempel of het eten van heilig voedsel terwijl men tamé is.

Zoals wij geleerd hebben in het eerste hoofdstuk, verbiedt de Tora iemand  die tamé is de Tempel binnen te gaan of heilig voed­sel te eten [zie Bamidbar 5:2-3] (d.w.z. de delen van de offers die aan de Koha­niem gegeven worden of aan de eigenaars van de offerdieren om op te eten). Een be­wuste overreding van dit verbod wordt ge­straft met kareet [Bamidbar 19:20]; onopzet­telijke overtreders moeten een korban ‘olé wejoreed – een variabel offer – brengen, dat wil zeggen, een offer, waarvan de om­vang afhankelijk is van de middelen van de overtreder. Wie daartoe in staat is, brengt het normale zondoffer: een vrouwelijk lam of geitje. Wie zich dat niet kan permiteren brengt een paar tortelduiden of een paar jonge duiven of een meel offer als chataat  [zondoffer], al naar gelang zijn middelen.

De verplichting tot dit offer staat vermeld in de Tora [Wajjikra 5:2-3, 5-6]:

Wanneer iemand iets aanraakt dat tamé is, hetzij het lijk van een beest dat tamé is, of het lijk van een huisdier dat tamé is, … en het was hem onbekend en hij was tamé en hij werd schuldig. Of hij raakte een menselijke toema aan… en het was hem onbekend, en daaarna wist hij het en hij werd schul­dig … Wanneer hij door één van deze schuldig wordt, dan zal hij bekennen wat hij gezondigd heeft. En hij zal zijn schuldoffer aan Hasjem brengen voor de zonde die hij gezondigd heeft.

De „schuld” die in dit vers genoemd wordt, gaat over het binnengaan van de Tempel of het eten van heilig voedsel, terwijl hij tamé is. De rest van vers 6 en de verzen die volgen weiden uit over de verschillende offers die mensen met verschillende inko­mens moeten brengen om verzoening te doen voor hun zonden.

Een onopzettelijke overtreding betekent dat de persoon op het moment van zijn overtreding niet wist dat hij de Tempel binnenging terwijl hij tamé was of dat hij heilig voedsel at in een toestand van toema. Dit kan op twee manieren gebeu­ren: Hij wist niet dat hij tamé was toen hij de Tempel binnenging of toen hij het heilige voedsel at, of hij wist dat hij tamé was maar hij wist op het moment dat hij de Tempel binnenging niet dat hij een heilige plaats binnenging of op het moment dat hij at realiseerde hij zich niet dat hij iets hei­ligs at. De bovengenoemde Tora-verzen spreken expliciet alleen over de eerst ge­noemde  mogelijkheden (d.w.z. hij wist niet dat hij tamé was). De Misjna citeert ver­schillende meningen over de vraag of het offeren ook van toepassing is op de twee­de soort  (waar hij zich niet realiseerde dat de plaats waar hij binnenging of het voed­sel dat hij at, heilig was).

Een ander onderwerp dat centraal staat in de discussie in dit hoofdstuk is de regel die vele Tannaïem aanhangen, dat de ver­plich­ting tot een offer wegens het binnen­gaan van de Tempel of het eten van heilig voedsel in een toestand van toema  alleen geldt wanneer de persoon in kwestie oor­spronkelijk op de hoogte was van zijn toe­stand, maar het vervolgens vergeten was, en het zich weer herinnerde nadat hij de overtreding begaan heeft. Wie nimmer wist dat hij tamé was brengt geen offer voor zijn overtreding, zoals afgeleid wordt van een Baraita, geciteerd op bladzijde 4a-b. De regeling over het binnengaan van de Tempel of het eten van heilig voedsel in een toestand van toema is dus niet gelijk aan de voorschriften voor alle andere over­tredingen, die onderhevig zijn aan een chataat, waar bekendheid met de omstan­digheden vooraf niet noodzakelijk is.