Hearot

        HaDaf HaJomi

          Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi

Een uitgave van ZwiGoldberg - P.O.B. 2330 - Netanya - Israël - E-mail: zwigold@netvision.net.il

 

 14-20 Adar I, 5763                                     Sjawoeot 23-29                                    ðñ"ã       Nr.  195

Text Box: HOME
Oval: Archief
 

 

 

  

23b Hij is al gezworen op de berg Sinai

De kracht van een rabbijns decreet

Onze soegia legt een belangrijke regel uit met betrekking tot de halachot voor eden: iedereen heeft bij de berg Sinai gezworen om de mitswot te houden die in Tora geschreven staan. Daarom, wanneer iemand zweert dat hij een bepaalde mitswa niet zal houden, dan is zijn eed van nul en generlei waarde en zelfs als hij zweert dat hij de mitswa wel zal uitvoeren, dan ook is zijn eed niet geldig, want het is een overbodige eed, hij heeft al gezworen. Maar wanneer hij zweert om dat hij bepaald rabbijns voorschrift niet zal nakomen, dan is zijn eed geldig en zo is de halacha [Toer, J.D. 239]. Voordat wij onze verklaring uitbreiden, moeten wij een interessante regel citeren in naam van Rasji over de „regels voor de gemeenschap” [takanot ha-kahal], welke als halacha zijn geaccepteerd [Sjoelchan Aroech, J.D.  228:33]. Takanot ha-kahal zij regels die ingesteld werden door de leiders van gemeenschappen om inbreuk op gedrag te voorkomen en om de gehoorzaming van Tora te bevorderen. Rasji bepaalde dat net zoals een eed om een mitswa van Tora niet te gehoorzamen, ongeldig is, zo is ook een eed om de takanot ha-kahal niet te accepteren, ongeldig. De Tora gebiedt in het vers [in Dewariem 27:26]: „Vervloekt is hij die de woorden van deze Tora niet nakomt” om de bepalingen en voorschriften die gemaakt zijn om de ten uitvoerbrenging van Tora te beschermen, na te komen; de eed van iemand die zweert om dergelijke voorschriften niet na te komen, is in strijd met dit Tora-gebod.

Wegen takanot hakahal zwaarder dan rabbijnse voorschriften? De Gaon van Wilna [Beoer HaGra] zet een vraagteken bij de regeling van Rasji. Zouden takanot ha-kahal zwaarder kunnen wegen dan rabbijnse voorschriften, waarvan wij weten dat de eed van iemand die zweert ze niet in acht te zullen nemen, geldig is? [Zie de Beoer Halacha ibid voor een „mogelijke” verklaring]. In de volgende paragraaf zullen wij zien hoe de Rosjei Jesjiwot daar een verklaring voor geven.

Overtreedt iemand, die een rabbijns voorshrift overtreedt, ook een Toraverbod? Er is ene verschil van mening tussen Rambam en Ramban voor wat betreft rabbijnse voorschriften. Volgens Rambam [Sefer ha-mitswot, sjoresj  1] overtreedt iemand, die een rabbijns verbod overtreedt, daarmee een Tora-verbod, daar de Tora gebiedt: „je zult niet afwijken van wat zij jou vertellen, noch naar links, noch naar rechts” [Dewariem 17:11]. Volgens Ramban overtreedt zo iemand alleen een rabbijns verbod [met Hasjems hulp zullen wij daar op terugkomen wanneer wij het traktaat Horajot bespreken]. Vele leidende autoriteiten zijn nader ingegaan op de benadering van Rambam, waaronder de Tasjbetz [in zijn Zohar Ha-rakia op de Azharot van Rav S. Ibn Gevirol], die daar een sterke vraag opstelt. Hoe zou de Rambam onze soegia uitleggen, waar staat dat de eed van iemand die zweert dat hij een rabbijns voorschrift zal negeren, geldig is. In zijn ogen is een rabbijns voorschrift tenslotte een mitswa van Tora: „Je zult niet afwijken…” [Megillat Ester op Sefer ha-mitswot, sjoresj 1].

Twee ingrediënten van rabbijnse voorschriften: HaGaon Rav Sjimon Sjkop [Sja’arei Josjer, sja’ar 1, hfdst. 7] komt met een briljante verklaring van de opinie van Rambam: Wanneer wij iemand beschouwen die iets eet dat door de rabbijnen verboden is, dan zitten daar twee kanten aan: a) hij eet het voedsel; b) hij is ongehoorzaam aan de rabbijnen. Met andere woorden, het eten van het voedsel is alleen verboden mid’rabbanan, maar de ongehoorzaamheid is verboden door Tora. Er is dus een verschil tussen een verbod mid’oraitai en een verbod mid’rabbanan. Bij de eed die wij gezworen hebben bij de Berg Sinai, om alle wetten van Tora te gehoorzamen, waren individuele verboden die de Tora oplegt op verboden voedsel en andere verboden inbegrepen, maar daarbij waren niet de latere verboden inbegre­pen die chazal hebben opgelegd, want ten tijde van de eed golden die verboden nog niet. Daarom is zelfs volgens de Rambam de eed, die iemand zweert, dat hij een mitswa d’rabbanan niet zal gehoorzamen, geldig.

Laten wij nu terugkeren naar de scherpe opmerking van de Gaon van Wilna over de takanot hakahal die schijnbare zwaarder wegen dan rabbijnse verordeningen. Het kan toch niet mogelijk zijn, zo vraagt hij zich verwonderd af, dat de eed van iemand die zweert dat hij een rabbijns decreet niet zal gehoorzamen, geldig is, terwijl de eed van iemand die zweert dat hij de takanot ha-kahal niet zal gehoorzamen ongeldig is. HaGaon Rav Elchanan Wasserman merkte op dat deze kwestie ook duidelijker wordt in het licht van het bovenstaande, want wij kunnen makkelijk ondescheid maken tussen iemand die zweert dat hij iets wil eten dat mid’rabbanan verboden is en iemand die zweert dat hij de Chachamiem niet zal gehoorzamen: het voed­sel zelfs is alleen maar mid’rabbanan verboden en is niet inbegrepen in de eed op de berg Sinai, maar Tora gebiedt ons de Chachamiem te gehoor­zamen en dat is wel inbegrepen in de eed die op de Berg Sinai werd afge­legd en de eed om de chachamiem niet te gehoorzamen is dus ongel­dig.

In overeenstemming met het bovenstaande is het verschil tussen Rasji’s regeling en onze soegia duidelijk. Onze soegia heeft het over iemand die zweert dat hij een verbod mid’rabbanan zal overtreden. Zijn eed is geldig want daarover heeft hij op Sinai niet gezworen. Maar aan de andere kant heeft Rasji het over iemand die zweert „dat hij niet inbegrepen is in de takanot ha-kahal”. Met andere woorden, hij weigert de autoriteit de accepteren van diegenen die de takanot  hebben ingesteld. Dat is een eed die ingaat tegen dat wat hij op Sinai gezworen heeft: „Vervloekt is diegene die zich niet houdt…” [Kovets He’arot 16, ot 9 en zie ibid, volgens HaGaon Rav Chaim van Brisk, dat Ramban toegeeft dat de voornaamste verplichting om de chachamiem te gehoorzamen van Tora afkomstig is, zoals de Ramban uitlegt in zijn commentaar op de Tora en zie ook daar dat, waar verklaard wordt wat het verschil is in de meningen tussen Rambam en Ramban; in ieder geval schrijft hij het bovenstaande overeenkomstig de Ramban].

24a Wie nevela eet op Jom Kippoer is vrijgesteld

Jom Kippoer zonder vasten!

Het was de avond voor Jom Kippoer. Vele Joden hadden cholera, dat levens eisten over de hele stad en met de nadering van Jom Kippoer wer­den zij geplaagd door de gedachte dat een groot gedeelte van de gemeen­schap gedwongen zou zijn het Tora-verbod om niet te eten op deze heilige dag, te overtreden. Zelfs de suggestie om slechts een chatsi sji’oer [„halve vastgestelde hoeveelheid,” d.w.z. minder dan de door de halacha vast­ge­stel­de hoeveelheid voedsel, waarvoor men strafbaar is] te nuttigen van tijd tot tijd, kon hun niet geruststellen: het eten van chatsi sji’oer is weliswaar niet strafbaar, maar het is tenslotte toch verboden door Tora. Bestond er een halachische oplossing? In naam van Rabbijn Jisraël Salanter werd de volgende ingenieuze oplossing gevonden. En deze oplossing is nog steeds populair onder de leden van ons beit midrasj.

 

Parels

26a Ten goede of ten kwade

Chachamiem die slecht doen
De Chozé van Lublin werd eens ver
-teld dat een zekere tsaddiek zou vas-ten en zichzelf zou pijnigen. De Chozé zei:  „Chazal heeft in onze soe­gia ge-zegd „om slecht te doen of om goed te doen – bij voorbeeld als ie­mand zegt: ‘ik  zal eten’ of  ‘ik zal niet eten.’” Er zijn twee manieren om Hasjem te dienen, een slechte manier (door niet te eten) en een goede ma­nier (door te eten), maar er is geen twijfel aan dat de goede manieer te prefereren is en Jeremiahoe klaagt: „Zij zijn te wijs om slecht te doen, maar hoe zij goed moeten doen, we­ten zij niet.” Met andere woorden, zij kiezen de „slechte” weg om Hasjem te dienen in plaats van dat zij de manier „om goed te doen” kiezen…

26a Opdat hij zijn woorden niet ontwijdt

De heiligheid van de spraak
De Tora zegt: „Hij zal zijn woorden niet ontwijden; hij zal alles doen wat uit zijn mond komt” [Bamidbar 30:3]. De Magid van Kozhnitz zei dat iemand die oplet dat zijn woorden niet ontwijd worden, die zuivert de kracht van zijn uitspraken tot het punt waar zijn woor
-den Boven gehoord worden [hij zal al-les doen dat uit zijn mond komt…] in de betekenis van „een tsad­diek maakt een decreet en Hasjem zorgt dat het wordt uitge­voerd” [Avodat Jisraël].

26b Houd je aan wat uit je mond komt

Wees zorgvuldig met eden

Toen één van de dochters van HaGaon Rav S.Z. Auerbach 11 jaar werd, leerde hij haar de belangrijkste punten van de halachot van teroemot, ma’aserot en eden en hij legde haar uit hoe zorgvuldig zij zou moeten zijn met het uitspreken daarvan [Halichot Sjlomo].

27a Als men zweert een mitswa te doen

Geen excuses meer
Zoals er staat in onze soegia, is de eed van iemand die zweert dat hij een mitswa zal doen, ongeldig. Aan de andere kant zegt de Gemara in Neda
-riem 8a: „Hoe weten wij dat iemand kan zweren dat hij een mitswa zal doen? Ons wordt verteld: ‘Ik heb ge-zworen en ik zal uw rechtvaardige verordeningen ophouden’. Maar had hij niet al gezworen op de Berg Sinai? Echter, dit komt ons vertellen dat het iemand is toegestaan om zichzelf aan te sporen.” Met andere woorden: iemand mag zweren om een bepaal-de mitswa van Tora uit te voeren, om zichzelf aan te sporen.

De Stiepler Gaon gaf daarvoor de vol­gende verklaring: Wanneer men-sen wat lui zijn met een bepaalde mitswa, dan zijn zij geneigd een ex-cuus te vinden, dat onder bepaalde omstan­digheden zij vrijgesteld zijn om zich aan die mitswa te houden. Maar wan­neer iemand zweert om zichzelf aan te sporen om er zich er-aan te hou­den, dan herinnert zijn eed hem eraan: „Wat is er met je aan de hand?  Wan­neer je denkt dat je bent vrijge­steld van de mitswa, dan ben je er nog steeds aan geboden door je eed.” [Kehillot Ja’akov, Neda-riem §10].

29a Goden van zilver en goden van goud

Verkiezingen voor Dayan
Een aantal dajaniem soliciteerden voor de positie van dajan in Brody. Eén van hen was bereid voor de post te betalen en de leiders van de ge
-meente hadden de neiging om aan hem de voorkeur te geven, waarbij zij erop wezen dat het geld gebruikt kon worden voor heilige zaken, zoals de bouw van een synagoge of mikwe. De Rabbijn van de stad, Rabbijn Sjlomo Kluger vertelde hen: „Het vers zegt: ‘Maak met Mij geen goden van zilkver of goden van goud’ [Sjemot 20:20]. Stel niet iemand aan die on-geschikt is voor het zilver of goud dat je daarmee verdient, zelfs als je denkt dat hetgeen wat je doet voor Mij is, zo gezegd – met Mij – dat Ik er een syna-goge of mikwe bij zou winnen…”
(Pardes Joseef)

 

De verbazingwekkende eed: Rabbijn Jisraël Salanter zei dat men aan de vooravond van Jom Kippoer moest afkondigen dat iedere zieke moest zweren dat hij geen halachische hoeveelheid [sji’oer] zou eten gedurende de hele Jom Kippoer. Dan zou het makkelijker voor hem zijn om wel te eten op Jom Kippoer. Vreemd? Wij zullen spoedig zien hoe ingenieus zijn idee in werkelijkheid was.

Een verbod heeft geen effect bovenop een bestaand verbod: Wij beginnen met onze soegia, dat uitlegt, zoals Rambam schrijft [Hilchot Isoerei Bia 17:8]: „Er is een belangrijke regel die geldt voor alle verboden in Tora, n.l. dat een verbod geen effect heeft op een andere [reeds bestaand] verbod.” Met andere woorden, wanneer een bepaald artikel, bijvoorbeld voedsel, verboden is en nieuwe omstandigheden doen zich voor, die een nieuw verbod op dat voedsel opleggen, gelijk aan het huidige bestaande verbod, dan heeft dat nieuwe verbod daar geen effect op. [Om wat meer exact te zijn, als het extra verbod een „toegevoegd” verbod is [isoer mosief] of een „inclusief” verbod [isoer koleel], dan heeft het nieuwe verbod effect. Isoer mosief betekent bijvoorbeeld als het eerste verbod verbiedt om het voedsel te eten en het tweede verbod verbiedt om het te eten of enige profijt van het hebben; een isoer koleel is als het tweede verbod ook ander voedsel verbiedt dat tot nu toe was toegestaan, dan heeft het tweede verbod betrekking op het eerste.]

Chatsi sji’oer is verboden door Tora: Zoals wij al gezegd hebben is de halacha vastgesteld overeenkomstig de mening van Rabbi Jochanan [Rambam, Hilchot Maächalot asoerot 14:2], dat een chatsi sji’oer ook verboden is door Tora [Joma 74a], omdat een chatsi sji’oer „geschikt is om samengevoegd te worden tot een grotere hoeveelheid.” Halachische autoriteiten verschillen over dit idee van mening [met Hasjems hulp zullen wij op dit onderwerp nader ingaan bij Traktaat Choelin] en volgens de Rivasj [Responsa 288], de Tsloach [Pesachiem 47a] en andere poskiem bedoelt de Gemara dat de Tora ook chatsi sji’oer verbiedt omdat het samen met nog een chatsi sji’oer een volledige verboden hoeveelheid vormt. Wij kunnen nu zeggen dat de Tora alleen chatsi sji’oeri verbiedt wanneer dat kan aangevuld worden tot een heel sji’oer. [Daarom, wanneer iemand een chatsi sji’oer eet vlak voor het einde van Jom Kippoer, overtreedt hij niet het verbod van chatsi sji’oer want hij heeft geen gelegenheid om nòg een chatsi sjioer op Jom Kippoer te eten.]

Wij komen nu terug op Rabbijn Jisraël Salanters idee. „Zweer,” zegt hij, „dat je geen volledige hoeveelheid zult eten (en dat je niet de melachot zult doen of de andere verboden van Jom Kippoer zult overtreden) vanaf één minuut voor Jom Kippoer tot het eind van de dag. Deze eed zal er voor zorgen dat het je verboden is een sji’oer te eten op Jom Kippoer wegens de eed. Het Tora-verbod van eten op Jom Kippoer geldt nu niet voor je „als een verbod dat niet van toepassing is op een ander verbod” [want zij hadden op Sinai ook gezworen om geen van de verboden van Jom Kippoer te overtreden], want Jom Kippoer wordt niet beschouwd als een isoer mosief, daar het niets verbiedt dat tot dan toe aan hen was toegestaan.

„Welnu,” gaat Rabbij Salanter verder, „wanneer je een chatsi sji’oer eet op Jom Kippoer, overtreedt je geen enkel verbod van Tora, noch het verbod van eten op Jom Kippoer, noch het verbod van eten wegens je eed. Je hoeft je geen zorgen te maken over je eden, want je hebt gezworen geen volledige hoeveelheid te eten, maar niet een chatsi sji’oer [Misjne la-melech, Hilchot Sjewoe’ot hfdst. 4]. En wanneer de geleerden onder jullie vragen, waarom het verbod om te eten op Jom Kippoer niet geldt voor een chatsi sji’oer – d.w.z. als er geen verbod is ten gevolge van een eed? Je hoeft je daarover geen zorgen te maken, daar het verbod van een chatsi sji’oer geen verbod opzichzelf is, maar, zoals uitgelegd, alleen van toepassing is wanneer het kan samengevoegd worden met nog een chatsi sji’oer tot een hele sji’oer. En in dit geval verbiedt Jom Kippoer je een hele hoeveelheid te eten.… [zie Responsa Minchat Sjlomo I, 31, die hier twijfels over uitspreekt.]

26b Een eed is geldig wanneer hij wordt uitgesproken, niet als hij alleen maar gedacht wordt, maar niet wordt uitgesproken

Iemand die een halve dag wilde vasten maar zei dat hij een hele dag zou vasten

Een paar jaar geleden wilde iemand zichzelf een halve dag vasten opleggen. Iemand die wil vasten, moet zijn wens daartoe tijdens mincha van de voorafgaande dag kenbaar maken, zoals een offer van te voren als zodanig bestemd moet worden [Lewoesj , O.Ch. 562:5]. Echter, hij vergiste zich en zei tijdens mincha: „Ik accepteer een vasten,” zonder erbij te vermelden dat hij een halve dag bedoelde. Perplex en bezorgd legde hij zijn probleem voor aan de Rabbijnen. Wij hebben de regel dat „woorden in het hart [uitgesproken] zijn geen woorden,” [Kiddoesjien 49b], d.w.z. dat iemands gedachten niet in aanmerking genomen worden wanneer die in strijd zijn met wat hij gezegd heeft. Daar hij gezegd had dat hij zou vasten, moest hij klaarblijkelijk een hele dag vasten. Tot onze verbazing echter, gelastte geen van de rabbijnen tot wie hij zich wendde, hem een hele dag te vasten. Maar hij kreeg twee verschillende antwoorden, zoals wij hieronder zullen zien.

Onze soegia legt uit dat als iemand wil zweren dat hij geen tarwebrood zal eten, maar hij zweert dat hij „geen brood” zal eten, zijn eed geldig is, want met „brood’ kan men ook alleen tarwebrood bedoelen. Maar als het zijn bedoeling was om geen tarwebrood te eten, en hij vergist zich en zegt dat hij geen roggebrood zal eten, dan mag hij iedere soort brood eten, of dat nu gemaakt is van tarwe of van rogge, want zijn uitspraak was niet in overeen­komst met zijn bedoelingen: hij heeft niet gezworen over tarwebrood en hij had geen roggebrood bedoeld.

Ogenschijnlijk spreekt onze soegia de regel „woorden in het hart [uitgesproken] zijn geen woorden,” tegen. Niettemin leggen de Risjoniem [Rambam, Rosj en Ran, en zie ook Tossefot] uit dat wij onderscheid moeten maken tussen iemand die gezworen heeft en dan beweert dat hij eigenlijk bedoeld had dat het een loze eed zou zijn, en iemand die bij vergissing iets gezworen heeft. De eed van iemand die bewust zweert maar zijn woorden niet in ernst meent, is geldig, want zijn bedoelingen zijn onbelangrijk in vergelijking met wat hij gezegd heeft. Maar wanneer degene die gezworen heeft, zegt dat hij nimmer bedoelde te zeggen wat hij gezegd heeft, dan gelooft men hem dat hij zijn eed bij vergissing gezegd heeft. En zo is de halacha [Sjoelchan Aroech J.D.  210:1].

Laten wij terugkeren naar de persoon die een halve dag wilde vasten en naar de antwoorden die hij kreeg. HaGaon Rav S. Wosner [Responsa Sjewet HaLevi, VIII, 130] bepaalde dat hij een halve dag moest vasten, want een halve dag wordt een „vasten” genoemd. Hij is als diegene die tarwebrood bedoelde maar „brood” zegt, want dat kan ook alleen tarwebrood betekenen.

HaGaon HaRav Meir Bransdorfer [Kaneh Bosem I:33] echter besliste dat hij helemaal niet hoefde te vasten, want een halve dag vasten is geen vasten [ta’aniet]. De persoon was te vergelijken met degene die wilde zweren dat hij geen tarwebrood zou eten maar bij vergissing zei dat hij geen roggebrood zou eten. Hij mag ze allebei eten.

29a Rawa’s wandelstok

Een zwendelaar voor het beit din

Een bekend geval van een zwendelaar die zijn tegenstander op een handige manier probeerde op te lichten ten overstaan van een beit din, werd bekend onder de naam „Rawa’s wandelstok.” Iemand wendde zich eens tot het beit din van Rawa met de claim dat iemand weigerde hem het geld, dat hij hem geleend had, terug te betalen. De beklaagde verklaarde dat hij bereid was te zweren dat hij de lening terugbetaald had. Voordat hij de eed aflegde, vroeg hij de eiser zijn wandelstok even vast te houden. Nadat hij gezworen had raakte de eiser in een dusdanige razernij dat hij de wandelstok stuk sloeg op het hoofd van zijn tegenpartij… waarbij uit de gebroken stok de munten over de vloer rolden. Door het geld met de stok aan de schuldeiser te geven vóór de eed, werd zijn eed, dat hij betaald had, waar.

Om zulke voorvallen in de toekomst te voorkomen, stelde chazal vast dat het beit din aan degene die de eed moest afleggen, moest zeggen dat zijn eed „wordt uitgelegd overeenkomstig de uitleg van het beit din.”