Meorot

        HaDaf HaJomi

          Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi

Een uitgave van Beis Hamidrash of Chassidei Sochatchov - Bnei Brak - Israël - Chatam Soferstr. 3 -Tel. 972-3-6160657

 

 24 Adar I, 5763                                     Traktaat Sjawoeot 30-36                                   đń"ă       Nr.  196

Text Box: HOME
Oval: Archief
 

 

 

30a Je zult rechtvaardig over je volk rechtspreken en je naaste gunstig beoordelen

Moeten kinderen ook gunstig beoordeeld worden?

Onze soegia leert ons dat het gebod „In rechtvaardigheid zul je rechtspreken over je medemens” [Wajjikra 19:15] ook het gebod inhoudt dat de dajan beide strijdende partijen voor het gerecht gelijk behandelt en het gebod dat iedereen zijn medemens gunstig moet beoordelen. De scherpzinnigen onder u zullen opmerken dat onze soegia zegt: „spreek recht over je kameraad [chevercha]…” terwijl iedereen gewend is te zeggen: „oordeel gunstig over iedereen [kol haädam]” hetgeen afkomstig is uit Avot 1:6. De verklaring voor deze wijziging is dat onze soegia de halacha citeert, terwijl Avot ons een morele les leert [moesar]. Met andere woorden, wanneer je iemand ziet die iets doet dat als een overtreding geïnterpreteerd kan worden, maar ook als iets verdienstelijks, beoordeel hem dan gunstig en verdenk hem niet van een overtreding. Maar van een kameraad, van wie je weet dat hij geen slecht mens is, ben je verplicht te proberen hem zo goed mogelijk te beoordelen [Chafetz Chajiem, inleiding tot ’asin, 3 in Beïr Majiem Chajiem].

Hoe kan men een negetieve indruk corrigeren: Wie een ander een overtreding ziet maken en hem ongunstig beoordeelt, overtreedt een mitswa van Tora en moet dat negatieve beeld uitwissen en hem alsnog gunstig beoordelen. Hoewel de overtreding werd begaan op het moment dat hij de ander ongunstig beoordeelde, wordt dat rechtgetrokken op het moment dat hij hem gunstig beoordeelt [Darchei Tsedek, 6:6, volgens de chefetz Chajiem, eind klal 6, over het geloven van lasjon hara].

Moeten kinderen ook gunstig beoordeeld worden? In zijn Sjvilei Chajiem schrijft HaGaon Rav Moshe Kaufman over het verbod van lasjon hara over kinderen. Het is interessant, schrijft hij, dat in zijn boek Chafetz Chajiem Rabbijn Jisraël Meïr HaKohen uit Radin moeite heeft om een voorbeeld te vinden van lasjon hara over een kind. Ten slotte vindt hij een gecompliceerde situatie van een wees die bij anderen woont en waar men geen lasjon hara over mag vertellen, opdat hij niet weggestuurd wordt. Wij leren hieruit dat men in het algemeen kinderen niet „slecht” beoordeelt. Kinderlijk wangedrag komt en gaat, hun eigenschappen veranderen, zodat de Chafetz Chajiem geen reden zag om lasjon hara over kinderen te verbieden, behalve in het genoemde voorbeeld [zie Sjvilei Chajiem, dat men geen dingen over een minderjarige moet vertellen die hem duidelijk ongunstig voorstellen].

Dus de mitswa om een ander gunstig te beoordelen geldt gewoonlijk niet voor een kind omdat, zoals wij reeds zeiden, zei niet serieus gunstig of ongunstig beoordeeld worden. Wij accepteren hun negatief gedrag als voorbijgaand, zonder dat dit iets zegt over hun karakter.

30b Rechters zitten en de strijdende partijen staan

Wat is staan?

Het zou interessant zijn om twee personen die tegen een gebouw staan geleund, nader te beschouwen. De één wordt beschouwd dat hij zit, terwijl de ander staat. Is dat mogelijk? Het blijkt dat het kan.

Onze soegia legt uit dat getuigen moeten staan wanneer zij hun getuigenis afleggen. Maar de dajaniem moeten zitten wanneer zij hun vonnis uitspreken, terwijl de strijdende partijen dan moeten staan. Onze Gemara leidt deze halachot af van de verzen van Tora, maar volgens vele onze tijd, waar er geen „aangestelde” dajaniem zijn, is iedereen het er over eens dat deze halachot niet van Tora afkomstig zijn [d’oraita] [zie Toemiem 17, noot 1].

Wanneer wij de poskiem nader onderzoeken, vinden wij een ogenschijnlijke tegenstelling in hun beslissingen. De Rama [Ch.M. 17:1] schrijft dat hoewel getuigen moeten staan, zij ergens tegenaan mogen leunen. Klaarblijkelijk wordt iemand die ergens tegenaan leunt, beschouwt als te staan. Aan de andere kant schrijft de Sjoelchan Aroech [Ch.M. 28:26] dat dajaniem moeten zitten, maar zij mogen ook staan als zij daarbij ergens op leunen en zij hoeven niet echt te zitten. De poskiem hebben er daarom een probleem mee, om vast te stellen of leunen nu beschouwd moet worden als een vorm van staan of als een vorm van zitten.  Vele Acheroniem hebben het over deze tegen­stelling hier hieronder volgen twee verklaringen die volkomen van elkaar verschillen.

Volgens de Gaon van Wilna [Ch.M. 17:6] is leunen noch staan, noch zitten. Daarom als iemand moet staan of zitten en hij leunt, dan wordt dat niet beschouwd als een van de twee. Niettemin, als een dajan niet zit, of als de getuige niet staat, hebben hun woorden toch uitwerking, want hun zitten of staan is slechts een voorkeur [lechatchila] en wanneer zij anders doen, heeft hun houding geen invloed op wat zij zeggen. Daarom maakten chazal zich niet zo druk over het feit of een dajan of getuige ergens tegenaan willen leunen en zij mogen dat doen wanneer zij dat willen.

Volgens de Gaon van Wilna [Ch.M. 17:6] is leunen noch staan, noch zitten. Daarom als iemand moet staan of zitten en hij leunt, dan wordt dat niet beschouwd als een van de twee. Niettemin, als een dajan niet zit, of als de getuige niet staat, hebben hun woorden toch uitwerking, want hun zitten of staan is slechts een voorkeur [lechatchila] en wanneer zij anders doen, heeft hun houding geen invloed op wat zij zeggen. Daarom maakten chazal zich niet zo druk over het feit of een dajan of getuige ergens tegenaan willen leunen en zij mogen dat doen wanneer zij dat willen.

men staan, zonder te leunen. De regels van chazal betreffende staan en zitten, verschillen met betrekking tot wanneer leunen wordt beschouwd als staan en wanneer als zitten. Een dajan moet zitten en daarom mag hij staan terwijl hij leunt en zo ook een getuige, die moet staan, mag ook ergens op leunen.

Wij leren dus dat beiden, een dajan die moet zitten, en een getuige, die moet staan, mogen leunen. Echter, poskiem verschillen van mening over het geval van een dajan en een getuige die gelijktijdig willen leunen. Volgens de Bach mogen zij dat doen, waarbij de getuige beschouwd wordt als te staan, terwijl de dajan dan wordt beschouwd als te zitten. De Sema echter, [zie Toemiem, ibid, noot 2] zegt dat hij het idee dat wij leunen zowel als zitten of als staan kunnen beschouwen, niet verwerpt. Niettemin de halachot voor het staan van een getuige en het zitten van dajaniem werden geïnterpreteerd van hetzelfde vers en moeten beschouwd worden als één geheel met hetzelfde doel: om de dajaniem te onderscheiden van de anderen. De dajaniem hebben een officiële status die hen autoriteit verleent boven de litiganten en de getuigen, opdat zij zich gepast op zo’n plaats gedragen. Daarom moeten een dajan en een getuige niet tegelijk leunen, want dan is er geen verschil meer tussen hen en de status van de dajan steekt dan niet meer af [zie ibid, waar hij het bewijs van de Bach verwerpt].

30b Als ik niet voor haar opsta [dan handel ik in strijd met]: ‘de vrouw van een geleerde is als de geleerde’.
Opstaan voor ouderen in bus of tram

Ongeveer 30 jaar geleden was er iemand in New York, zorgvuldig in de uitoefening van de mitswot en bij iedereen geliefd. Hij maakte zich zorgen over bejaarden, dat zij vaak in het openbaar vervoer moeten staan, terwijl niemand hen een zitplaats aanbiedt. Hij stelde vervolgens een mededeling samen die hij publiceerde aan alle Joden en waarin hij schreef dat de Tora vereist  dat wij een zitplaats beschikbaar maken voor bejaarden, zoals ons geleerd wordt [Wajjikra 19:32]: „Voor grijze haren moet je opstaan en de bejaarden moet je met bijzondere eerbied behandelen, heb ontzag voor je G-d, Ik ben Hasjem.” Een paar dagen later zag een zekere Tora student de boodschap en vroeg zich af of het waar was wat er stond [zie Misjné Halachot VI, 160-161. Dit onderwerp omvan een aantal halachische onderdelen, zoals de verplichting om voor een ouder persoon te blijven staan totdat hij weg is of is gaan zitten. Deze kwestie speelt ook een rol in een beit midrasj, voor het geval dat een Tora-geleerde binnenkomt en, terwijl hij blijft staan, praat met een van de studenten. Wat moeten de anderen doen die in zijn nabijheid zijn? Moeten zij de hele tijd blijven staan terwijl hij staat, of mogen zij, nadat zij zijn opgestaan, weer gaan zitten?

Onze soegia vertelt over Rav Nachman die opstond uit eerbied voor de vrouw van Rav Hoena, toen zij naar zijn beit din kwam voor een din Tora, omdat zij de vrouw was van een chaweer [iemand met een bijzondere reputatie]. De Gemara vraagt of een dajan niet moet zitten wanneer hij een vonnis uitspreekt. De auteur van Torat Chajiem [en zie ook de Ran op onze soegia] bewijst uit onze Gemara dat de verplichting om op te staan voor een chacham, iemand tevens verplicht te blijven staan totdat de chacham gaat zitten. Waarom zou anders de Gemara zich verbazen dat Rav Nachman stond, terwijl hij zijn uitspraak deed? Ten slotte is het mogelijk dat hij alleen maar stond op het moment dat de vrouw van Rav Hoena binnenkwam en dat hij daarna ging zitten. Maar andere poskiem [Sjibolei Ha-leket Ha-sjaleem, 43; Oeriem Wetoemiem 17; Oeriem noot 10 en Responsa Har Tzevi, O.Ch. I:107 en Responsa Jechavé Da’at III, 71] zeggen ook dat de verplichting om te staan niet eindigt met een krot moment van opstaan uit eer voor de chacham. Zo ook lijkt het ons toe, dat iemand die staat voor een ouder persoon, niet moet gaan zitten, zolang als die oudere naast hem staat.

Toch is er een mooi idee dat onderscheid maakt tussen het geval van onze soegia en andere gevallen. Onze Gemara spreekt over de vrouw van Rav Hoena, die voor Rav Nachman stond in een beit din omdat zij één van de strijdende partijen was. Om haar eer te bewijzen moest hij opstaan, en net zolang blijven staan als zij stond, omdat zij stond uit eerbied voor hem, als dajan. Daarom vraagt de Gemara of Rav Nachman niet had moeten zitten bij het uitspreken van zijn vonnis [zie Kos Jesjoe’ot op onze soegia en Responsa Minchat Sjlomo I, 33].

De hoofdzaak van het staan is eerbied: Maar zelfs wanneer wij beslissen, dat nadat men is opgestaan voor een talmied chacham of een bejaarde, en men daarna mag gaan zitten, ondanks dat hij nog in onze nabijheid staat, dan nog is de situatie verschillend met die van een bejaarde die in het openbaar vervoer moet staan omdat er geen zitplaatsen meer zijn. Rav S. Wosner schrijft [Responsa Sjewet Ha-Levi II, 114, dat als een ouder persoon moet staan omdat er geen zitplaatsen beschikbaar zijn, terwijl een jonger persoon comfortabel kan zitten, dan is dat oneerbiedig. De hoofdzaak van het opstaan voor ouderen is niet het staan, maar het doen van de mitswa om hem eerbied te bewijzen en welk eerbied schuilt er in het simpele even opstaan [en meteen weer gaan zitten], wanneer de oudere moet blijven staan?

35a Er zijn namen die men niet mag uitwissen
Over heilge namen heen verven, die op de muren van een synagoge geschreven staan

Het ernstige verbod om een heilige naam uit te wissen is algemeen bekend. Het feit dat de heilige namen geschreven staan in siddoeriem, choemasjiem, sifrei Tora en soms op een parochet of zelfs op de muren van een synagoge, heeft verschillende halachische autoriteiten en toe bewogen om zich met dit onderwerp bezig te houden vanuit verschillende gezichtshoeken bekeken, meestal met het doel om een oplossing te vinden om de namen te kunnen uitwissen, zonder een overtreding te begaan. Eén van de praktische vragen is, of het afdekken van de Naam van Hasjem beschouwd moet worden als „uitwissen”.

Een siddoer bevestigen aan de muur van een synagoge: In één van de sjoels in Bnei Brak hangt iedere week een uitgave van Meorot HaDaf HaYomi aan het bulletin-bord, zodat iedereen dat kan lezen en hetzelfde gebeurt in de Poalei Agoedat Jisraël Synagoge in Borough Park, New York. In zijn Responsa Kinjan Tara Bahalacha [II, 57] schrijft HaGaon Rav A.D. Horvitz z”l, Av Beit Din  van Straatsburg, dat er in Galicië een synagoge was, waar de bladzijden van een siddoer op de muur bij de ingang geplakt was voor diegenen die geen siddoer hadden, hoewel de heilige namen aan de achterkant van de bladzijden tegen de muur geplakt zaten. „Maar wie weet of de chachamiem daarin hadden toegestemd, want ik was nog maar een kind en wist nog niet genoeg om te vragen.” Dit verhaal komt voor in zijn antwoord aan een uitgever, die vraagt of het is toegestaan om bladzijden van oude sefariem op fotografische platen te plakken om ze opnieuw af te drukken. De lijn maakt de bladzijden onafscheidelijk van de platen en de heilge namen op de gelijmde kant worden niet uigewist, maar blijven voor eeuwig bedekt. Het voorbeeld is hetzelfde als het geval van de siddoer die aan de muur van de synagoge geplakt was. Is het toegestaan?

Ongeveer 150 jaar daarvoor werd een soortgelijk probleem voorgelegd aan Rabbi Akiwa Eiger [Responsa Rabbi Akiwa Eiger, II, 15] over een boekbinder in Lipna. Hij wilde bladzijden aan elkaar plakken, zodat de namen voor altijd bedekt zouden zijn. Het bleek dat vele jaren daarvoor twee halachische autoriteiten – Rabbijn Meïr Eisenstat, schrijver van Paniem Meïrot [I, 45] en de auteur van Me’iel Tsedaka [23] – gevraagd waren over het schilderen van de muren van een synagoge waarop heilige namen geschreven stonden. De Paniem Meïrot besliste dat het was toegestaan, en hij citeerde daartoe het gebod van Tora aan de Joden, die de Jordaan overtrokken, om de Tora op stenen te schrijven en daar overheen te kalken [zie Sota 35b]. Dus bedekken is niet hetzelfde als uitwissen. Maar de Meïl Tsedaka maakt een onderscheid tussen beide gevallen. De kalkpleister op een steen kan eraf geschrapt worden, zonder het schrift dat eronder zit te beschadigen, maar verf over een andere laag verf kan niet verwijderd worden zonder dat ook de namen daaronder mee verwijderd worden. Wanneer wij de verf eraf halen, komt de verf eronder, met de namen erop, ook van de muur [Rabbi Akiwa Eiger schrijft dat de Paniem Meïrot kennelijk van mening veranderde]. Vele poskiem [Maharasjdam, J.D. §184; Rabbi Akiwa Eiger, ibid, in de naam van Paniem Meïrot en de Meïl Tsedaka, ibid; etc.] waren streng en beslisten dat de Naam van Hasjem niet mag worden afgedekt op een manier die niet meer te verwijderen is [maar Arsei Levona (J.D 276) is soepel].

Een oplossing voor boekbinders: Een mogelijk advies voor de boekbinder in Lipna en de uitgever in Straatsburg is om een stukje papier over de heilige namen te leggen of over de hele bladzijde, en het alleen langs de randen vast te lijmen [of rondom de heilige namen te lijmen]. Een dergelijke bedekking is geoorloofd, omdat de namen niet beschadigd worden [Rabbi Akiwa Eiger, ibid; hij schrijft dat dit alleen gedaan mag worden wanneer een niet-Jood het niet kan doen].

35b Alles wat achter de Naam komt [alle achtervoegsels] mag niet uitgewist worden
Het uitwissen van een naam van Hasjem en de achtervoegsels ervan
Onze soegia leert ons dat letters die aan de Naam van hasjem worden toegevoegd – zoals elokecha, elokeinoe, enz. – heilig zijn en niet mogen worden uitgewist. Volgens velen is dit een rabbijnse verordening [Taz, J.D. 276, n. 4; etc. en zie de Responsa Noda’ BiJehoeda 1ste uitg. J.D. §76, 169, enz.] maar sommigen menen dat het hier een verbod van Tora betreft [Or Hachajiem, parasjat Reé; Responsa Chatam Sofeer, J.D. 283]. De Or Hachajiem vindt zelfs een aanwijzing hiervoor in het vers „Je zult zo niet doen met Hasjem jullie G-d [Elokeichem] [Dewariem 12:4], waarvan chazal het verbod om de Naam uit te wissen, leren. Volgens hem vallen hier alle namen van Hasjem onder die in onze soegia genoemd worden en elokeichem duidt op het verbod om letters die aan Zijn Naam zijn toegevoegd uit te wissen.

Het uitwissen van de klinkers van een naam van Hasjem: Aan de Maharil [responsa 192] werd een interes­sante vraag gesteld: mag men de klinker-punten in de Naam van Hasjem uitwissen? Hij antwoordt, dat ondanks het belang van de klinkers, zoals Rabbeinoe Bechaje ze noemt de „nesjama van de letters” men ze mag uitwissen. Daar de regels voor de vocalisatie mondeling door Mosjé Rabbeinoe werden doorverteld, zijn zij geen deel van de werkelijke naam maar zijn te vergelijken met een commentaar of toelichting. [Zie minchat Chinoech, mitswa 437, dat iemand die per vergissing een verkeerde klinker in de Naam van Hasjem schrijft, beschouwd wordt alsof hij de Naam heeft uitgewist en dat hij een Tora-verbod overtreedt. Zie Birkei Joseef §276, ot 26 die Mahari Chagiz citeert, die hier zijn twijfels over uitspreekt. De rabbijn van onze beit midrasj merkten op dat er een verschil kan zijn tussen dit geval en dat van de Maharil].

Een letter van een naam van Hasjem versmallen: Tussen haakjes, over het uitwissen van toegevoegde letters: de vraag is of het versmallen van letters van een naam van Hasjem ook beschouwd wordt als uitwissen. Soms moet een sofeer een bepaalde letter smaller maken zodat hij nog op de regel past tussen de andere letters of om voldoende ruimte te laten tussen woorden. Volgens de Noda BiJehoeda [Responsa J.D. 169] wordt de dikte van de letter beschouwd als de letter zelf en mag daarvan niets uitgewist worden. Maar de auteur van Minchat Chinoech [mitswa 437] staat het versmallen van een letter door uitwissen toe, zelfs a priori [lechatchila]. Volgens hem is er een essentiëel verschil tussen het uitwissen van een letter die aan de Naam van Hasjem is toegevoegd en het versmallen van een letter van een naam van Hasjem. Versmallen moet niet beschouwd worden als uitwissen want nadat de letter versmald is, is het nog steeds een volledige letter. Maar de poskiem zijn het erover eens dat het verboden is dat te doen ingevolge een rabbijnse verordening, maar wanneer een dergelijke uitwissing nodig is om op die manier een sefer Tora  weer kosjer te maken, dan is het toegestaan [zie Keset Sofeer, Lisjkat Hasofeer, chakira 14].

Hoe mogen wij de naam van Hasjem schrijven? Laten wij eens kijken hoe een sofeer de Sjeem Hasjem, joed-ké-wav-ké schrijft. Zodra hij de letters joed en geschreven heeft, heeft hij reeds één van de namen van Hasjem geschreven, en wanneer hij dan daarna de letter waw schrijft, verdwijnt de betekenis van joed-ké. Wist hij niet de Sjeem Hasjem uit? [Hoewel bij het schrijven van de vierde letter blijkt dat hij niets heeft uitgewist, is het lechatchila toch beter een dergelijke situatie te voorkomen; zie ibid die een bewijs levert].

Op grond hiervan bewijst de Minchat Chinoech [mitswa 437] dat men de naam van Hasjem niet van het begin naar het einde moet schrijven, want als dat was toegestaan, zouden sofriem moeten vermijden om de Naam, die zij eerst geschreven hebben met twee letters, uit te wissen. [Dit was het voordeel van Ben Kamtsar (Misjna Joma 3:11), die de Naam van Hasjem met vier pennen tegelijk schreef; zie ook Pitchei Tesjoewa 276:5 en Liskat Hasofeer, chakira 10 en zijn opmerkingen hierover]

Nu wij het erover hebben om achterste voren te schrijven, moeten wij ook de vraag van Rabbi Tsadok HaKohen uit Lublin noemen over onze Gemara

Een voorvoegsel voor de naam van Hasjem: Volgens onze Gemara zijn alleen de achtervoegsels van een naam van Hasjem heilig, voorvoegsels niet. Hoe zit dat met een letter vóór een naam van Hasjem, bijvoorbeeld de Lamed, die geschreven wordt nadat de Naam al geschreven is. Wordt die dan automatisch ook heilig en mag die dan ook niet meer uitgewist worden? Volgens Rabbijn Tsadok HaKohen uit Lublin wordt de letter dan heilig [Otsar HaMelech, Jesodei HaTora, hfdst. 6, halacha 3], maar de schrijver van Liskat HaSofeer is het er niet mee eens.

Wij eindigen hier met nog een probleem dat oprijst uit onze soegia. De poskiem verschillen van mening over de halacha voor de letters die aan de naam van Hasjem zijn toegevoegd. Wat is hun status van die letters, nadat de letters van de Naam zelf per ongeluk of met opzet zijn uitgewist. Verliezen zij hun heilige status of bezitten zij een heiligheid van hunzelf? [Zie Misjna Sofeer 11:26].

 

poskiem dienen de interpretaties hoofdzakelijk als homolitische steun [asmachta] voor een rabbijnse verordening. In onze tijd, waar er geen „aangestelde” dajaniem zijn, is iedereen het er over eens dat deze halachot niet van Tora afkomstig zijn [d’oraita] [zie Toemiem 17, noot 1].In

Aan de andere kant schrijft de Bach [ibid] dat als de Tora eist dat iemand staat, zoals wanneer men een offer brengt e.d., dan moet

Opstaan voor ouderen in bus of tram

35a Er zijn namen die men niet mag uitwissen

Over heilige namen verven, die op de muren van een synagoge geschreven staan

35b Alles wat achter de Naam komt [alle achtervoegsels] mogen niet uitgewist worden

Het uitwissen van de Naam van Hasjem en de achtervoegsels ervan

Op grond hiervan bewijst de Minchat Chinoech [mitswa 437] dat men de naam van Hasjem niet van het begin naar het einde moet schrijven, want als dat was toegestaan, zouden sofriem moeten vermijden om de Naam, die zij eerst geschreven hebben met twee letters, uit te wissen. [Dit was het voordeel van Ben Kamtsar (Misjna Joma 3:11), die de Naam van Hasjem met vier pennen tegelijk schreef; zie ook Pitchei Tesjoewa 276:5 en Liskat Hasofeer, chakira 10 en zijn opmerkingen hierover].