30a Je zult
rechtvaardig over je volk rechtspreken en je naaste gunstig beoordelen
Moeten kinderen ook gunstig beoordeeld worden?
Onze soegia
leert ons dat het gebod „In rechtvaardigheid zul je rechtspreken over je
medemens” [Wajjikra 19:15] ook het gebod inhoudt dat de dajan
beide strijdende partijen voor het gerecht gelijk behandelt en het gebod
dat iedereen zijn medemens gunstig moet beoordelen. De scherpzinnigen
onder u zullen opmerken dat onze soegia zegt: „spreek recht over je
kameraad [chevercha]…” terwijl iedereen gewend is te zeggen:
„oordeel gunstig over iedereen [kol haädam]” hetgeen
afkomstig is uit Avot 1:6. De verklaring voor deze wijziging is dat onze
soegia de halacha citeert, terwijl Avot ons een morele les leert
[moesar]. Met andere woorden, wanneer je iemand ziet die iets
doet dat als een overtreding geïnterpreteerd kan worden, maar ook als
iets verdienstelijks, beoordeel hem dan gunstig en verdenk hem niet van
een overtreding. Maar van een kameraad, van wie je weet dat hij geen
slecht mens is, ben je verplicht te proberen hem zo goed mogelijk
te beoordelen [Chafetz Chajiem, inleiding tot ’asin, 3 in
Beïr Majiem Chajiem].
Hoe kan men
een negetieve indruk corrigeren: Wie een
ander een overtreding ziet maken en hem ongunstig beoordeelt, overtreedt
een mitswa van Tora en moet dat negatieve beeld uitwissen en hem alsnog
gunstig beoordelen. Hoewel de overtreding werd begaan op het moment dat
hij de ander ongunstig beoordeelde, wordt dat rechtgetrokken op het
moment dat hij hem gunstig beoordeelt [Darchei Tsedek, 6:6,
volgens de chefetz Chajiem, eind klal 6, over het geloven
van lasjon hara].
Moeten
kinderen ook gunstig beoordeeld worden? In
zijn Sjvilei Chajiem schrijft HaGaon Rav Moshe Kaufman over het
verbod van lasjon hara over kinderen. Het is interessant,
schrijft hij, dat in zijn boek Chafetz Chajiem Rabbijn Jisraël
Meïr HaKohen uit Radin moeite heeft om een voorbeeld te vinden van
lasjon hara over een kind. Ten slotte vindt hij een gecompliceerde
situatie van een wees die bij anderen woont en waar men geen lasjon
hara over mag vertellen, opdat hij niet weggestuurd wordt. Wij leren
hieruit dat men in het algemeen kinderen niet „slecht” beoordeelt.
Kinderlijk wangedrag komt en gaat, hun eigenschappen veranderen, zodat
de Chafetz Chajiem geen reden zag om lasjon hara over
kinderen te verbieden, behalve in het genoemde voorbeeld [zie
Sjvilei Chajiem,
dat men geen dingen over een minderjarige moet vertellen die hem
duidelijk ongunstig voorstellen].
Dus de mitswa om
een ander gunstig te beoordelen geldt gewoonlijk niet voor een kind
omdat, zoals wij reeds zeiden, zei niet serieus gunstig of ongunstig
beoordeeld worden. Wij accepteren hun negatief gedrag als voorbijgaand,
zonder dat dit iets zegt over hun karakter.
30b
Rechters zitten en de strijdende partijen staan
Wat is staan?
Het zou
interessant zijn om twee personen die tegen een gebouw staan geleund,
nader te beschouwen. De één wordt beschouwd dat hij zit, terwijl de
ander staat. Is dat mogelijk? Het blijkt dat het kan.
Onze soegia legt
uit dat getuigen moeten staan wanneer zij hun getuigenis afleggen. Maar
de dajaniem moeten zitten wanneer zij hun vonnis uitspreken,
terwijl de strijdende partijen dan moeten staan. Onze
Gemara leidt deze halachot
af van de verzen van Tora, maar volgens vele
onze tijd, waar er geen „aangestelde” dajaniem
zijn, is iedereen het er over eens dat deze halachot niet van Tora
afkomstig zijn [d’oraita] [zie Toemiem 17, noot 1].
Wanneer wij de
poskiem nader onderzoeken, vinden wij een ogenschijnlijke
tegenstelling in hun beslissingen. De Rama [Ch.M. 17:1]
schrijft dat hoewel getuigen moeten staan, zij ergens tegenaan
mogen leunen. Klaarblijkelijk wordt iemand die ergens tegenaan leunt,
beschouwt als te staan. Aan de andere kant schrijft de Sjoelchan
Aroech [Ch.M. 28:26] dat dajaniem moeten zitten,
maar zij mogen ook staan als zij daarbij ergens op leunen en zij
hoeven niet echt te zitten. De poskiem hebben er daarom een
probleem mee, om vast te stellen of leunen nu beschouwd moet worden als
een vorm van staan of als een vorm van zitten. Vele Acheroniem
hebben het over deze tegenstelling hier hieronder volgen twee
verklaringen die volkomen van elkaar verschillen.
Volgens de Gaon
van Wilna [Ch.M. 17:6] is leunen noch staan, noch
zitten. Daarom als iemand moet staan of zitten en hij leunt, dan wordt
dat niet beschouwd als een van de twee. Niettemin, als een dajan
niet zit, of als de getuige niet staat, hebben hun woorden toch
uitwerking, want hun zitten of staan is slechts een voorkeur [lechatchila]
en wanneer zij anders doen, heeft hun houding geen invloed op wat zij
zeggen. Daarom maakten chazal zich niet zo druk over het feit of
een dajan of getuige ergens tegenaan willen leunen en zij mogen
dat doen wanneer zij dat willen.
Volgens de Gaon
van Wilna [Ch.M. 17:6] is leunen noch staan, noch
zitten. Daarom als iemand moet staan of zitten en hij leunt, dan wordt
dat niet beschouwd als een van de twee. Niettemin, als een dajan
niet zit, of als de getuige niet staat, hebben hun woorden toch
uitwerking, want hun zitten of staan is slechts een voorkeur [lechatchila]
en wanneer zij anders doen, heeft hun houding geen invloed op wat zij
zeggen. Daarom maakten chazal zich niet zo druk over het feit of
een dajan of getuige ergens tegenaan willen leunen en zij mogen
dat doen wanneer zij dat willen.
men staan,
zonder te leunen. De regels van chazal betreffende staan en
zitten, verschillen met betrekking tot wanneer leunen wordt beschouwd
als staan en wanneer als zitten. Een dajan moet zitten en daarom
mag hij staan terwijl hij leunt en zo ook een getuige, die moet staan,
mag ook ergens op leunen.
Wij leren dus
dat beiden, een dajan die moet zitten, en een getuige, die moet
staan, mogen leunen. Echter, poskiem verschillen van mening over
het geval van een dajan en een getuige die gelijktijdig willen
leunen. Volgens de Bach mogen zij dat doen, waarbij de getuige
beschouwd wordt als te staan, terwijl de dajan dan wordt
beschouwd als te zitten. De Sema echter, [zie Toemiem,
ibid, noot 2] zegt dat hij het idee dat wij leunen zowel als zitten of
als staan kunnen beschouwen, niet verwerpt. Niettemin de halachot voor
het staan van een getuige en het zitten van dajaniem werden
geïnterpreteerd van hetzelfde vers en moeten beschouwd worden als één
geheel met hetzelfde doel: om de dajaniem te onderscheiden van de
anderen. De dajaniem hebben een officiële status die hen
autoriteit verleent boven de litiganten en de getuigen, opdat zij zich
gepast op zo’n plaats gedragen. Daarom moeten een dajan en een
getuige niet tegelijk leunen, want dan is er geen verschil meer tussen
hen en de status van de dajan steekt dan niet meer af [zie ibid,
waar hij het bewijs van de Bach verwerpt].
30b Als ik niet voor haar opsta [dan handel
ik in strijd met]: ‘de vrouw van een geleerde is als de geleerde’.
Opstaan voor ouderen in bus of tram
Ongeveer 30 jaar
geleden was er iemand in New York, zorgvuldig in de uitoefening van de
mitswot en bij iedereen geliefd. Hij maakte zich zorgen over bejaarden,
dat zij vaak in het openbaar vervoer moeten staan, terwijl niemand hen
een zitplaats aanbiedt. Hij stelde vervolgens een mededeling samen die
hij publiceerde aan alle Joden en waarin hij schreef dat de Tora
vereist dat wij een zitplaats beschikbaar maken voor bejaarden, zoals
ons geleerd wordt [Wajjikra 19:32]: „Voor grijze haren moet je opstaan
en de bejaarden moet je met bijzondere eerbied behandelen, heb ontzag
voor je G-d, Ik ben Hasjem.” Een paar dagen later zag een zekere Tora
student de boodschap en vroeg zich af of het waar was wat er stond [zie
Misjné Halachot VI, 160-161. Dit onderwerp omvan een aantal
halachische onderdelen, zoals de verplichting om voor een ouder persoon
te blijven staan totdat hij weg is of is gaan zitten. Deze kwestie
speelt ook een rol in een beit midrasj, voor het geval dat een
Tora-geleerde binnenkomt en, terwijl hij blijft staan, praat met een van
de studenten. Wat moeten de anderen doen die in zijn nabijheid zijn?
Moeten zij de hele tijd blijven staan terwijl hij staat, of mogen zij,
nadat zij zijn opgestaan, weer gaan zitten?
Onze soegia
vertelt over Rav Nachman die opstond uit eerbied voor de vrouw van Rav
Hoena, toen zij naar zijn beit din kwam voor een din Tora,
omdat zij de vrouw was van een chaweer [iemand met een bijzondere
reputatie]. De Gemara vraagt of een dajan niet moet zitten
wanneer hij een vonnis uitspreekt. De auteur van Torat Chajiem
[en zie ook de Ran op onze soegia] bewijst uit onze Gemara dat de
verplichting om op te staan voor een chacham, iemand
tevens verplicht te blijven staan totdat de chacham gaat zitten.
Waarom zou anders de Gemara zich verbazen dat Rav Nachman stond, terwijl
hij zijn uitspraak deed? Ten slotte is het mogelijk dat hij alleen maar
stond op het moment dat de vrouw van Rav Hoena binnenkwam en dat hij
daarna ging zitten. Maar andere poskiem [Sjibolei Ha-leket
Ha-sjaleem, 43; Oeriem Wetoemiem 17; Oeriem noot 10 en
Responsa Har Tzevi, O.Ch. I:107 en Responsa Jechavé
Da’at III, 71] zeggen ook dat de verplichting om te staan niet
eindigt met een krot moment van opstaan uit eer voor de chacham.
Zo ook lijkt het ons toe, dat iemand die staat voor een ouder persoon,
niet moet gaan zitten, zolang als die oudere naast hem staat.
Toch is er een
mooi idee dat onderscheid maakt tussen het geval van onze soegia en
andere gevallen. Onze Gemara spreekt over de vrouw van Rav Hoena, die
voor Rav Nachman stond in een beit din omdat zij één van de
strijdende partijen was. Om haar eer te bewijzen moest hij opstaan, en
net zolang blijven staan als zij stond, omdat zij stond uit eerbied
voor hem, als dajan. Daarom vraagt de Gemara of Rav Nachman
niet had moeten zitten bij het uitspreken van zijn vonnis [zie Kos
Jesjoe’ot op onze soegia en Responsa Minchat Sjlomo I, 33].
De hoofdzaak
van het staan is eerbied: Maar zelfs wanneer
wij beslissen, dat nadat men is opgestaan voor een talmied chacham
of een bejaarde, en men daarna mag gaan zitten, ondanks dat hij nog in
onze nabijheid staat, dan nog is de situatie verschillend met die van
een bejaarde die in het openbaar vervoer moet staan omdat er geen
zitplaatsen meer zijn. Rav S. Wosner schrijft [Responsa Sjewet
Ha-Levi II, 114, dat als een ouder persoon moet staan omdat er geen
zitplaatsen beschikbaar zijn, terwijl een jonger persoon comfortabel kan
zitten, dan is dat oneerbiedig. De hoofdzaak van het opstaan voor
ouderen is niet het staan, maar het doen van de mitswa om hem eerbied te
bewijzen en welk eerbied schuilt er in het simpele even opstaan [en
meteen weer gaan zitten], wanneer de oudere moet blijven staan?
35a Er
zijn namen die men niet mag uitwissen
Over heilge namen heen verven, die
op de muren van een synagoge geschreven staan
Het ernstige
verbod om een heilige naam uit te wissen is algemeen bekend. Het feit
dat de heilige namen geschreven staan in siddoeriem,
choemasjiem, sifrei Tora en soms op een parochet of
zelfs op de muren van een synagoge, heeft verschillende halachische
autoriteiten en toe bewogen om zich met dit onderwerp bezig te houden
vanuit verschillende gezichtshoeken bekeken, meestal met het doel om een
oplossing te vinden om de namen te kunnen uitwissen, zonder een
overtreding te begaan. Eén van de praktische vragen is, of het afdekken
van de Naam van Hasjem beschouwd moet worden als „uitwissen”.
Een
siddoer bevestigen aan de muur van een synagoge:
In één van de sjoels in Bnei Brak hangt iedere week een
uitgave van Meorot HaDaf HaYomi aan het bulletin-bord, zodat
iedereen dat kan lezen en hetzelfde gebeurt in de Poalei Agoedat Jisraël
Synagoge in Borough Park, New York. In zijn Responsa Kinjan Tara
Bahalacha [II, 57] schrijft HaGaon Rav A.D. Horvitz z”l,
Av Beit Din van Straatsburg, dat er in Galicië een synagoge was,
waar de bladzijden van een siddoer op de muur bij de ingang
geplakt was voor diegenen die geen siddoer hadden, hoewel de
heilige namen aan de achterkant van de bladzijden tegen de muur geplakt
zaten. „Maar wie weet of de chachamiem daarin hadden toegestemd,
want ik was nog maar een kind en wist nog niet genoeg om te vragen.” Dit
verhaal komt voor in zijn antwoord aan een uitgever, die vraagt of het
is toegestaan om bladzijden van oude sefariem op fotografische
platen te plakken om ze opnieuw af te drukken. De lijn maakt de
bladzijden onafscheidelijk van de platen en de heilge namen op de
gelijmde kant worden niet uigewist, maar blijven voor eeuwig bedekt. Het
voorbeeld is hetzelfde als het geval van de siddoer die aan de
muur van de synagoge geplakt was. Is het toegestaan?
Ongeveer 150
jaar daarvoor werd een soortgelijk probleem voorgelegd aan Rabbi Akiwa
Eiger [Responsa Rabbi Akiwa Eiger, II, 15] over een boekbinder in
Lipna. Hij wilde bladzijden aan elkaar plakken, zodat de namen voor
altijd bedekt zouden zijn. Het bleek dat vele jaren daarvoor twee
halachische autoriteiten – Rabbijn Meïr Eisenstat, schrijver van
Paniem Meïrot [I, 45] en de auteur van Me’iel Tsedaka [23] –
gevraagd waren over het schilderen van de muren van een synagoge waarop
heilige namen geschreven stonden. De Paniem Meïrot besliste dat
het was toegestaan, en hij citeerde daartoe het gebod van Tora aan de
Joden, die de Jordaan overtrokken, om de Tora op stenen te schrijven en
daar overheen te kalken [zie Sota 35b]. Dus bedekken is niet hetzelfde
als uitwissen. Maar de Meïl Tsedaka maakt een onderscheid tussen
beide gevallen. De kalkpleister op een steen kan eraf geschrapt worden,
zonder het schrift dat eronder zit te beschadigen, maar verf over een
andere laag verf kan niet verwijderd worden zonder dat ook de namen
daaronder mee verwijderd worden. Wanneer wij de verf eraf halen, komt de
verf eronder, met de namen erop, ook van de muur [Rabbi Akiwa Eiger
schrijft dat de Paniem Meïrot kennelijk van mening veranderde].
Vele poskiem [Maharasjdam, J.D. §184; Rabbi Akiwa
Eiger, ibid, in de naam van Paniem Meïrot en de Meïl Tsedaka,
ibid; etc.] waren streng en beslisten dat de Naam van Hasjem niet mag
worden afgedekt op een manier die niet meer te verwijderen is [maar
Arsei Levona (J.D 276) is soepel].
Een oplossing
voor boekbinders: Een mogelijk advies voor de
boekbinder in Lipna en de uitgever in Straatsburg is om een stukje
papier over de heilige namen te leggen of over de hele bladzijde, en het
alleen langs de randen vast te lijmen [of rondom de heilige namen te
lijmen]. Een dergelijke bedekking is geoorloofd, omdat de namen niet
beschadigd worden [Rabbi Akiwa Eiger, ibid; hij schrijft dat dit alleen
gedaan mag worden wanneer een niet-Jood het niet kan doen].
35b
Alles wat achter de Naam komt [alle achtervoegsels] mag niet uitgewist
worden
Het uitwissen van een naam van Hasjem en de
achtervoegsels ervan
Onze soegia leert ons dat letters die aan de Naam van hasjem worden
toegevoegd – zoals elokecha, elokeinoe, enz.
– heilig zijn en niet mogen worden uitgewist. Volgens velen is dit een
rabbijnse verordening [Taz, J.D. 276, n. 4; etc. en zie de
Responsa Noda’ BiJehoeda 1ste uitg. J.D. §76, 169, enz.]
maar sommigen menen dat het hier een verbod van Tora betreft [Or
Hachajiem, parasjat Reé; Responsa Chatam Sofeer,
J.D. 283]. De Or Hachajiem vindt zelfs een aanwijzing
hiervoor in het vers „Je zult zo niet doen met Hasjem jullie G-d [Elokeichem]
[Dewariem 12:4], waarvan chazal het verbod om de Naam uit
te wissen, leren. Volgens hem vallen hier alle namen van Hasjem onder
die in onze soegia genoemd worden en elokeichem duidt op
het verbod om letters die aan Zijn Naam zijn toegevoegd uit te wissen.
Het uitwissen
van de klinkers van een naam van Hasjem: Aan
de Maharil [responsa 192] werd een interessante vraag gesteld:
mag men de klinker-punten in de Naam van Hasjem uitwissen? Hij
antwoordt, dat ondanks het belang van de klinkers, zoals Rabbeinoe
Bechaje ze noemt de „nesjama van de letters” men ze mag
uitwissen. Daar de regels voor de vocalisatie mondeling door Mosjé
Rabbeinoe werden doorverteld, zijn zij geen deel van de werkelijke naam
maar zijn te vergelijken met een commentaar of toelichting. [Zie
minchat Chinoech, mitswa 437, dat iemand die per vergissing een
verkeerde klinker in de Naam van Hasjem schrijft, beschouwd wordt alsof
hij de Naam heeft uitgewist en dat hij een Tora-verbod overtreedt. Zie
Birkei Joseef §276, ot 26 die Mahari Chagiz citeert, die
hier zijn twijfels over uitspreekt. De rabbijn van onze beit midrasj
merkten op dat er een verschil kan zijn tussen dit geval en dat van de
Maharil].
Een letter
van een naam van Hasjem versmallen: Tussen
haakjes, over het uitwissen van toegevoegde letters: de vraag is of het
versmallen van letters van een naam van Hasjem ook beschouwd wordt als
uitwissen. Soms moet een sofeer een bepaalde letter smaller maken
zodat hij nog op de regel past tussen de andere letters of om voldoende
ruimte te laten tussen woorden. Volgens de Noda BiJehoeda
[Responsa J.D. 169] wordt de dikte van de letter beschouwd als de
letter zelf en mag daarvan niets uitgewist worden. Maar de auteur van
Minchat Chinoech [mitswa 437] staat het versmallen van een letter
door uitwissen toe, zelfs a priori [lechatchila]. Volgens hem is
er een essentiëel verschil tussen het uitwissen van een letter die aan
de Naam van Hasjem is toegevoegd en het versmallen van een letter van
een naam van Hasjem. Versmallen moet niet beschouwd worden als uitwissen
want nadat de letter versmald is, is het nog steeds een volledige
letter. Maar de poskiem zijn het erover eens dat het verboden is
dat te doen ingevolge een rabbijnse verordening, maar wanneer een
dergelijke uitwissing nodig is om op die manier een sefer Tora
weer kosjer te maken, dan is het toegestaan [zie Keset Sofeer,
Lisjkat Hasofeer, chakira 14].
Hoe mogen wij
de naam van Hasjem schrijven? Laten wij eens
kijken hoe een sofeer de Sjeem Hasjem, joed-ké-wav-ké
schrijft. Zodra hij de letters joed en ké geschreven
heeft, heeft hij reeds één van de namen van Hasjem geschreven, en
wanneer hij dan daarna de letter waw schrijft, verdwijnt de
betekenis van joed-ké. Wist hij niet de Sjeem Hasjem uit?
[Hoewel bij het schrijven van de vierde letter blijkt dat hij niets
heeft uitgewist, is het lechatchila toch beter een dergelijke
situatie te voorkomen; zie ibid die een bewijs levert].
Op grond
hiervan bewijst de Minchat Chinoech [mitswa 437] dat men de naam
van Hasjem niet van het begin naar het einde moet schrijven, want als
dat was toegestaan, zouden sofriem moeten vermijden om de Naam,
die zij eerst geschreven hebben met twee letters, uit te wissen. [Dit
was het voordeel van Ben Kamtsar (Misjna Joma 3:11), die de Naam van
Hasjem met vier pennen tegelijk schreef; zie ook Pitchei Tesjoewa
276:5 en Liskat Hasofeer, chakira 10 en zijn opmerkingen
hierover]
Nu wij het
erover hebben om achterste voren te schrijven, moeten wij ook de vraag
van Rabbi Tsadok HaKohen uit Lublin noemen over onze Gemara
Een
voorvoegsel voor de naam van Hasjem: Volgens
onze Gemara zijn alleen de achtervoegsels van een naam van Hasjem
heilig, voorvoegsels niet. Hoe zit dat met een letter vóór een naam van
Hasjem, bijvoorbeeld de Lamed, die geschreven wordt nadat de Naam
al geschreven is. Wordt die dan automatisch ook heilig en mag die dan
ook niet meer uitgewist worden? Volgens Rabbijn Tsadok HaKohen uit
Lublin wordt de letter dan heilig [Otsar HaMelech, Jesodei
HaTora, hfdst. 6, halacha 3], maar de schrijver van Liskat
HaSofeer is het er niet mee eens.
Wij eindigen
hier met nog een probleem dat oprijst uit onze soegia. De poskiem
verschillen van mening over de halacha voor de letters die aan de naam
van Hasjem zijn toegevoegd. Wat is hun status van die letters, nadat de
letters van de Naam zelf per ongeluk of met opzet zijn uitgewist.
Verliezen zij hun heilige status of bezitten zij een heiligheid van
hunzelf? [Zie
Misjna Sofeer 11:26].
|