Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
7 Tisjri 5765 Traktaat Temoera 2- 5 Nr. 74

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 277  van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 2a – Iedereen kan verwisselen

De essentie van het verbod op temoera (vervanging)

We beginnen nu Traktaat Temoera te leren, dat, net als het vorige traktaat, zich bezighoudt met hekdeesj. Arachien gaf toelichting op details van de halachot van artikelen die gedoneerd werden aan de bedek baït (algemeen onderhoud van de Tempel) en in ons mesechet zullen wij leren over de halachot en regels betreffende kodosjiem voor het altaar, offers en hun jongen, terwijl het hoofdonderwerp het verbod op temoera is.

Temoera betekent: verwisseling, vervanging. Als iemand een dier als offer­dier gewijd heeft, mag hij dat niet verwisselen voor een ander offerdier en als hij dat toch doet, dan zegt Tora: „Men zal het niet verwisselen… en indien men het toch mocht verruilen… dan zal het zelf en het daarvoor verruilde heilig zijn” (Wajjikra 27:10). Zowel het eerst gewijde dier als het dier dat men bedoelde ervoor te ruilen zijn hekdeesj. De ruil is slechts gedeeltelijk geslaagd. Het eerste offerdier blijft heilig, maar de heiligheid heeft zich uitgespreid tot het andere dier.

Twee aspecten van temoera – Wat is het verbod? Er bestaat een interessant en essentiëel probleem betreffende het verbod op temoera, en daar handelen vele soegiot in ons traktaat over. Wanneer wij ons realiseren dat temoera uit twee handelingen bestaat – van het eerste offerdier choelien maken en het vervangen door een ander dier – moeten wij erachter komen wat de wortel is van het verbod: de poging om het offer choelien te maken of de overdracht van zijn heiligheid naar een ander offerdier. Vele Acheroniem (zie Sefer HaMafteach op Rambam, Hilchot Temoera 1:1) bespreken deze belangrijke kwestie, en het blijkt dat er vele bewijzen zijn voor beide meningen.

Rabbi Jochanan zegt (3a,b) dat het verbod op temoera beschouwd moet worden als een negatieve mitswa die een handeling bevat en daarom wordt de overtreder gegeseld (malkot). Met andere woorden, wie een overtreding begaat maar daarbij geen handeling verricht – bijv. wie chameets in zijn bezit heeft op Pesach – krijgt geen zweepslagen. Rabbi Jochanan beweert dat temoera een lav sjejeesj bo ma’asé is – een negatieve mitswa die een handeling inhoudt – en dus krijgt de overtreder klappen, want er gebeurt iets: het dier dat de plaats van het oorspronkelijke dier moest innemen wordt heilig en wordt een offerdier. We zien dus dat het verbod rust op de conversie van het tweede dier tot hekdeesj met de vervanging als doel.

Aan de andere kant zegt de Gemara (4b) dat de overgang van het tweede dier tot hekdeesj een positieve mitswa is die de zonde van de verwisseling „repareert” en dat men dus om een andere reden gestraft wordt. Hieruit blijkt dat het verbod rust op de poging om de heiligheid van het eerste offerdier af te nemen en er choelien van te maken, en dat de heiliging van het vervan­gende dier geen onderdeel van de overtreding is.

De Acharoniem worstelen ook met de woorden van Ramam en sommigen bewijzen daaruit dat hij van mening is dat het verbod rust op de poging om het offerdier voor choelien te gebruiken. Rambam beslist (Hilchot Temoera 1:1) overeenkomstig wat verderop in onze Gemara staat (13a), dat wie een openbaar offer verwisselt, niets gedaan heeft: niet alleen werd het offerdier geen choelien, zoals bij alle temoerot, maar dat ook het dier dat als vervanging bedoeld was, niet geheiligd wordt. Logica zou dicteren dat als het verbod op temoera de overgang inhoudt van de heiligheid naar het wereldse dier, om het offerdier te vervangen, de persoon die de temoera uitvoert geen geseling verdient daar hij geen heiligheid overdroeg naar een werelds dier. Maar Rambam beslist dat hij gestraft wordt met geseling!

Uit: The Weekly Dafootnotes

door Rabbi Mendel Weinbach, Ohr Somayach

Daf 2a

Onproductieve verwisseling

Als iemand een dier gewijd heeft om te worden geofferd, dan mag hij het niet verwisselen voor een ander dier, zelfs niet als het twee­de dier supe­rieur is aan het eer­ste. Als hij dat toch probeert, wordt hij gestraft met geseling en bovendien worden beide dieren heilig verklaard en moeten geof­ferd worden.

Rambam legt uit dat de Tora iedere poging, om een offerdier om te rui­len, vernietigde omdat Hasjem de mens ervan verdenkt dat hij geld wil uitsparen door het gewijde dier te ruilen voor een dier van mindere kwaliteit, en in­tussen rede­neert hij dat het twee­de dier eigenlijk supe­rieur is.…

De Sefer HaChinoech ziet in deze wet nog een voorbeeld hoe Hasjem bij ons respect wil inprenten voor het Heiligdom en voor alles wat daar­mee heeft te maken.  De heiligheid van het gewijde dier is onschend­baar en iedere poging daar mee te knoeien heeft averechts gevolgen, omdat de heiligheid zich uitspreidt tot het dier dat als vervanging bedoeld werd.

Daf 3b – Het noemen van de Naam

Leven na het noemen van Hasjems Naam

Op een dag bracht de Ba’al HaTanja zts”l een bezoek aan de tsaddiek Reb Leib  en nam diens geschriften nauwkeurig door. Na enige tijd vond men hem, achteruit leunend in zijn stoel in diepe devotie verzonken, met in zijn hand de de cryptische uitspraak: „Want niet bij brood alleen zal een mens leven…” Dat alleen kan men opvatten als: een mens kan ook leven zonder brood. „Maar bij het woord van Hasjem zal een mens leven…”? Dus na het noemen van Hasjems naam kan men nog steeds blijven leven? Dat was onbe­grijpelijk.

Daf 3b – Het nodeloos uitspreken van de Naam.

Baroech sjeem kewod malechoeto le’olam wa’edI – Wanneer en waarom

In dit artikel zullen wij vertrouwd raken met de meningen van de Risjoniem betreffende het verbod om een beracha zonder noodzaak te zeggen en het zeggen Baroech sjeem kewod malechoeto le’olam wa’ed nadat men Hasjems naam nodeloos heeft uitgesproken.

Moet men Baroech sjeem zeggen nadat men de naam van Hasjem noddeloos heeft uitgesproken? De Jeroesjalmi (Berachot 6:1), de Risjoniem (Tosafot, Berachot 39a, beg.w. Bezar) en de halacha (Sjoelchan Aroech O.Ch. 25:5 en 206:6) beweren dat iemand die een beracha zonder noodzaak uitspreekt, onmiddellijk daarna moet zeggen: Baroech sjeem kewod malechoeto le’olam wa’ed. Deze Jeroesjalmi en de Risjoniem die dat volgen hebben het over iemand die nodeloos een beracha heeft gezegd en daarbij de naam van Hasjem heeft genoemd. En hoe zit dat met iemand die zich vergist heeft en die enkel één van de namen van Hasjem zonder reden gezegd heeft, zonder beracha? Rambam schrijft (Hilchot sjewoe’ot 12:11) inderdaad dat men dan onmiddellijk Hasjem moet prijzen „zodat [de Naam] niet voor niets genoemd is” (zie Kesef Misjnee die de Jeroesjalmi als bron noemt). De Toer  en de Sjoelchan Aroech daarentegen negeren dit geval volkomen en zeggen niet dat men in zo’n geval Hasjem moet prijzen. Wij hebben dus een basis voor een discussiepunt of de Toer  het niet eens is met Rambam en van mening is dat wie Hasjems naam nodeloos uitspreekt geen Baroech sjeem  moet zeggen.

HaGaon Rabbi Jitschak Ariëli zts”l verklaart de zaak zeer mooi (Einaïm Lamisjpat, Berachot 39a) waarbij hij een principiëel meningsverschil bespreekt tussen de Risjoniem over de bron van het verbod om een beracha nodeloos uit te spreken en de reden waarom men Baroech sjeem moet zeggen als men een beracha nodeloos gezegd heeft. Laten wij zijn verklaring stap voor stap volgen.

Een meningsverschil over de bron van het verbod op een nodeloze beracha: Wij raakten zes jaar geleden bekend met het verbod op een nodeloze beracha toen wij Berachot (33a) leerden. Er bestaat echter een groot meningsveschil tussen de Risjoniem over de vraag of de ernst van het verbod geldt voor het noemen van de naam van Hasjem zonder reden en of het een verbod van Tora is – zoals Rambam beweert – of dat er geen verbod hierop is van Tora omdat wie een beracha zegt, de naam van Hasjem prijzend uitspreekt. D.w.z. iemand die zegt Baroech Ata… sjehakol nihejè bidevaro terwijl hij noch eet noch drinkt, heeft die de naam van Hasjem ijdel uitgesproken? Ten slotte heeft hij Hasjem geprezen dat alles ontstaat bij Diens woord. Maar toch rust er een verbod op van de chachamiem omdat men de beracha niet volgens hun instructies heeft uitgesproken. Want ziji hebben vastgesteld wanneer men die beracha moet zeggen. Tosafot beweert dat (zie Rambams Responsa 105 en de Magia en Mageen Awraham 215:6 en er is een Machatsiet HaSjekel en Elia Raba en Misjna Beroera 20 en Tosafot Rosj Hasjana 33a en Sdei Chemed, kelaïm ma’arechet beit klal 115).

De reden dat men Baroech sjeem zegt na een nodeloze beracha: Wanneer wij willen nagaan wat volgens de Risjoniem de reden is dat we Baroech sjeem zeggen na een nodeloze beracha, dan vinden wij in Rambam en de Toer twee verschillende redenen. Rambam zegt (Hilchot Berachot 4:10) dat men Baroech sjeem moet zeggen na een nodeloze beracha „zodat de naam van Hasjem niet nodeloos is uitgesproken”, terwijl de Toer (O.Ch.206) schrijft dat men Baroech sjeem moet zeggen „omdat men Hasjems naam nodeloos heeft uitgesproken.” Het blijkt uit Rambam dat het zeggen van Baroech sjeem voorkomt dat Hasjems naam nodeloos wordt uitgesproken omdat men onmid­del­lijk Hasjem prijst en, zoals Rambam zegt (Hilchot Sjewoe’ot, ibid): „men moet zich haasten en onmiddellijk Hem prijzen en verheerlijken zodat het niet nodeloos gezegd wordt.” Daatentegen dient het zeggen van Baroech sjeem volgens de Toer alleen om verzoening te verkrijgen voor het nodeloos noemen van Hasjems naam, want „omdat hij Hasjems naam nodeloos heeft uitgesproken moet hij het juk van het Koninkrijk van de Hemel op zich accepteren” (zie Aroch HaSjoelchan, O.Ch. 206:16).

Onvoldoende verzoening: Daarom kunnen wij begrijpen dat het volgens de Toer, volgens wie het zeggen van Baroech sjeem als vezoening dient, alleen was ingesteld nadat men een nodeloze beracha heeft gezegd, die, volgens hem alleen verboden is op grond van een Rabbijns decreet maar het is niet voldoende om verzoening te doen voor het nodeloos noemen van Hasjems naam, hetgeen bij Tora verboden is. Daarentegen meent Rambam dat men Baroech sjeem zegt om een overtreding te voorkomen. Zoals het het verbod van het nodeloos zeggen van een beracha verwijdert …hetgeen volgens hem een verbod van Tora is – zo ook verwijdert het het verbod van het nodeloos noemen van Hasjems naam.

De tijd tussen de nodeloze beracha en Baroech sjeem: Een ander halachisch gevolg komt voort uit de twee redenen volgens Rav Ariëli: Hoeveel tijd mag er verlopen tussen het nodeloos noemen van Hasjems naam  en Baroech sjeem? Volgens Rambam, die meent dat het voorkomt dat men de zojuist uitgesproken naam van Hasjem nodeloos gezegd heeft, moet men zich kennelijk haasten om Hasjem te prijzen want alleen dan wordt dit prijzen verbonden met Hasjems naam zodat die niet nodeloos werd uitgesproken. Maar wanneer men het pas na enige tijd zegt, heeft dat geen nut meer, en zo lijkt het inderdaad uit de woorden van Rambam (zie Einaïm Lamisjmat, ibid). Dit is ook de mening van Sjibolet HaLeket en Tanja, dat men Baroech sjeem onmiddellijk (toch kedei diboer) moet zeggen nadat men Hasjems naam nodeloos heeft uitgesproken. Het is echter logisch om aan te nemen dat het zeggen van Baroech sjeem, dat volgens de Toer dient om verzoening te verkrijgen, voldoende is om het te zeggen binnen een redelijke tijd die niet al te ver van de beracha verwijderd is, want de bedoeling ervan is alleen maar om boete te doen.