Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
28 september 5764 Traktaat Temoera 6-10 Nr. 75

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 278 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 4-6b

„Wanneer hij het [toch] deed, helpt het niet” – Een beroemde soegia

Eén van de beroemde soegiot van ons traktaat is die van „Als hij het [toch] deed, helpt het niet” (Ie ‘avied, lo mehanei).

Deze soegia is uniek omdat hij zowel direct als indirect verband houdt met een groot aantal mitswot. Onze gemara alleen al behandelt 14 verschillende onderwerpen uit alle dele van de Tora waar deze soegia betrekking op heeft: de mitswa van het achterlaten van de pea (een hoek van een veld waarvan het product voor de armen wordt ach­ter­gelaten), de afscheiding van troema, het verbod voor een kohen gadol om een weduwe te huwen, het verbod op interest, diefstal, de mitswa van het eerstgeboren dier, ma’aser behema, het verbod op temoera (de verwisseling van een offerdier), enz. De Risjoniem, gevolgd door de Acheroniem, hebben deze discussie voortgezet in verband met andere onderwerpen.

Abbajjé en Rava hebben een meningsverschil. Abbajjé is van mening dat „alles waarvan Hasjem gezegd heeft dat men het niet mag doen en iemand doet het toch, „dan helpt dat,” terwijl Rava het daar niet mee eens is en zegt: „het helpt niet.” Als iemand een Tora verbod overtreedt, dan heeft hij volgens Rava niets bereikt, behalve in die gevallen waar de Tora nadrukkelijk het tegenovergestelde stelt (en inderdaad is hij van mening dat Tora in de meeste gevallen dat zo stelt – zie Gemara). Niettemin wordt hij gestraft met geseling omdat hij een Tora-verbod wilde overtreden. Abbajjé is het er niet mee eens en meent dat ondanks dat Tora iets verbiedt te doen, iemand daarin slaagt als hij het toch doet. Bijvoorbeeld: het is verboden om inferieur fruit te nemen en daarvan troema van af te scheiden voor fruit van betere kwaliteit. Wie dat toch doet, heeft volgens Abbajjé weliswaar een Tora-verbod overtreden, maar is er wel in geslaagd om troema af te scheiden. Volgens Rava zou zijn troema-afscheiding ongeldig zijn, ware het niet dat Tora nadrukkelijk stelt dat het wel geldig is.

Men heeft veel moeite om het standpunt van Rava te verklaren. Aan de basis van het probleem staat het duidelijke verschil tussen twee soorten verboden. Er zijn verboden die alleen maar uit handelingen bestaan. Bijvoorbeeld: het is verboden om te stelen; het is verboden om te moorden. Niemand zal beweren dat Rava bedoelt te zeggen dat als iemand een moord gepleegd heeft, hij niet geslaagd is, omdat Tora moorden verbiedt. Hij heeft een moord gepleegd en het slachtoffer is dood. Aan de andere kant, zijn er verboden waarvan de essentie het resultaat is, zoals het trouwen met een verboden vrouw middels kiddoesjien, waar de essentie van het verbod de effectiviteit is van de kiddoesjien – en in dit geval is het duidelijk dat Rava meent dat de kiddoesjien ongeldig is. Als men een ring aan een vrouw geeft, schaadt men daar niemand mee. Het verbod rust niet op het geven van de trouwring maar in het resultaat daarvan en zodra dat resultaat ongeldig wordt verklaard, is er geen kiddoesjien.

Veel verboden betreffen deze twee soorten gezamelijk: een handeling en zijn geldigheid. Over die gevallen waar men alleen het resultaat ongeldig kan verklaren, maar niet de handeling zelf, is veel discussie. Hier is een voorbeeld van een verbod dat zowel de handeling zelf als het resultaat ervan betreft. We hebben geleerd in Bechorot dat een eerstgeboren rein dier gewijd is. Wanneer het een gebrek krijgt, wordt het werelds maar het is verboden het dier met een dergelijk defect moedwillig te beschadigen. Als iemand toch een dergelijke schade aan een eerstgeboren dier toebrengt, waardoor het een diskwalificerend gebrek krijgt, heeft hij een verboden handeling verricht die een verboden resultaat oplevert, namelijk dat het dier nu werelds wordt en vanaf nu aan mag men ermee werk verrichten (volgens Tora, maar Chazal  hebben hem verboden er mee te werken). Hoe zou Rava een dergelijk geval beoordelen? Daar de handeling onherstelbaar is – het eerstgeboren dier heeft een defect en is nu ongeschikt als offerdier – en de overtreding kan niet hersteld worden, betekent dit dat het resultaat ook niet geldig is of misschien zou Rava zeggen dat de handeling was inderdaad weliswaar begaan, een vebrod werd overtreden, maar wij verklaren het resultaat ongeldig – d.w.z. we verbieden dat er met het wereldse dier gewerkt wordt? Er zijn strijdige meningen over deze kwestie.

Tosafot (4b, beg.w. Rava), die het voorbeeld van het eerstgeboren dier noemen, beweren dat volgens de redenering van Rava wij het resultaat ongeldig moeten verklaren. Het eerstgeboren dier zou verboden zijn voor werelds gebruik (zie daar, dat zij antwoorden dat dit geval niet ernstiger is dan een defect dat uit zichzelf ontstaat, waarbij het dier niet ongeschikt wordt voor werelds gebruik. Met andere woroden, het ontstaan van een gebrek is niet afhankelijk van de wijze waarop het is ontstaan, maar alleen het resultaat geldt). We zien dus dat volgens Tosafot wij zowel de verboden handeling als het resultaat ervan ongeldig verklaren, indien dat mogelijk is.

Aan de andere kant bewijst Rabbi Akiwa Eiger zts”l uit de Risjoniem dat Rava niet meent dat alles van de overtreding dat ongeldig verklaard kan worden, ongeldig is, maar alleen als de ongeldigverklaring tot gevolg heeft dat er helemaal geen overtreding was. Bijvoorbeeld: wanneer wij een verboden kiddoesjien ongeldig verklaren, is er ook geen overtreding van een verbod begaan is. Tora verbiedt tatoeëring. Iemand tatoeëerde eens een get voor zijin vrouw op de hand van zijn slaaf en gaf haar de slaaf om haar te scheiden. Wanneer wij zeggen dat iedere handeling die begaan wordt middels een overtreding ongeldig is – met andere woorden: wij verklaren het resultaat ongeldig – dan zou deze get, die het resultaat is van een verboden handeling, namelijk tatoeëring, ook ongeldig zijn en de vrouw is dan niet gescheiden. Toch blijkt dat de vrouw door de get gescheiden is (Tosafot Gitin 20b). Wij moeten daarom tot de conclusie komen dat Rava van mening is dat wij alleen die resultaten van een verboden handeling ongeldig verklaren, wanneer die ongeldigverklaring de overtreding voorkomt [zoals bij kiddoesjien] maar in ons voorbeeld, zelfs al zeggen wij dat de get ongeldig is, er is zeker een tatoeëring gemaakt en er is dus een overtreding begaan [die niet ongedaan gemaakt kan worden en dan wordt het resultaat ook niet ongeldig verklaard] (Zie Responsa Rabbi Akiwa Eiger I:129, waar hij een lange discussie aan dit onderwerp wijdt, en Netiwot HaMisjpat 208:2).

Daf 7a

Twee halachische problemen met hetzelfde resultaat

Vele verschillende problemen werden er aan de Maharsjam zts”l voorgelegd, die leefde in Galicië en die beschouwd werd als een van de grootste halachische autoriteiten van zijn tijd, ongeveer 80 jaar geleden. Hij beantwoordde dringende vragen van gemeentes uit heel Europa en Amerika en in dit artikel zullen wij twee ver­schil­lende vragen bespreken, waarbij onze soegia diende als steun voor zijn beslissing.

Toen de landheer een begraafplaats cadeau gaf: Het volgende geval deed zich voor in Brezlow, Galicië. De Joodse begraafplaats raakte vol en de gabaïem kochten een stuk grond op dicht bij de stad en begonnen dat voor te bereiden als begraafplaats. Tot hun grote verbazing was hun activiteit opgevallen aan de gouverneur en toen hij begrepen had wat hun bedoeling was, besloot hij hen een gunst te bewijzen en hij gaf hen een groot stuk land cadeau, vlak bij de oude begraafplaats.

Afstand doen van de oude begraafplaats is een belediging voor de overledenen: De gemeente werd geconfronteerd met een dilemma: Het geschenk was niet goed voor hen. De oude begraafplaats was erg ver van de stad, terwijl de nieuwe begraafplaats die zijzelf gepland hadden, dichtbij gelegen was. Oppervlakkig gezien zouden zij de gouverneur moeten bedanken voor zijn vrijgevigheid en hem uitleggen dat zij de voorkeur gaven aan de nabij gelegen begraafplaats. Het probleem is, dat de halacha zegt, dat wij een overledene niet uit een stad met een begraafplaats overbrengen naar een andere stad „wegens de eer van de overledenen die in die stad begraven zijn, omdat het beschamend is dat deze niet bij hen zal rusten” (Sjoelchan Aroech J.D. 363:4 en Sjach ibid) en hou zouden zij dus de oude begraafplaats kunnen verlaten en de overledenen die daar begraven lagen, beschamen?

De get die niet kon worden afgeleverd: Een ander geval betrof een echtpaar dat gescheiden leefde. De man woonde in Polen en de vrouw in New York. Hij wilde van haar scheiden en hij stelde iemand aan, overeenkomstig de halacha, die hem zou vertegenwoordigen en die de get bij zijn vrouw zou afleveren. Echter, de vrouw had een of andere besmettelijk ziekte en was opgenomen in een gesloten, geïsoleerde inrichting waar zij volgens de artsen nog twee jaar zou moeten blijven. De vertegenwoordiger van de echtgenoot weigerde de get af te leveren uit vrees voor besmetting en de enige oplossing zou daarom zijn dat de vrouw ook iemand zou aanwijzen die de get namens haar in ontvangst zou nemen. Er is echter een halacha uit Gittin die de Rabbijnen die met het probleem belast waren, dwars zat. Sommige Risjoniem zeggen dat de halacha volgens de Gemara (Gittin 63b) zo is, dat als de man een vertegenwoordiger voor zich heeft aangesteld, de vrouw niet ook een vertegenwoordiger van haar moet aan­stellen, omdat dit beschamend voor de echtgenoot is, omdat het lijkt alsof zij niet geïnteresseerd is om de verte­genwoordiger van de man te ont­moeten en daarom hebben wij twijfel  over de geldigheid van de get, voor het ge­val dat de man er niet in zou toestemmen om haar onder deze situatie de get te geven (zie Sjoechan Aroech, E.H. 141:1).

De Maharsjam gaf een lang en uitgebreid antwoord op elk van beide vragen en hij baseerde zijn beslissingen op vele bewijzen, waaronder onze Gemara.

Onze Gemara zegt, aldus de Maharsjam (Rabbi Sjalom Mordechai HaKohen Sjvadron zts”l), dat als iemand een gebrekkig schaap aan de Tempel wijdt, zijn handeling minachting voor het offer uitdrukt, daar de wijding op een betere manier kan geschieden met een gaaf schaap, maar hij koos het gebrekkige schaap. Echter, zegt de Gemara, wie een palmboom wijdt of iets anders dat ongeschikt is om op het altaar te worden geofferd, overtreedt geen verbod want zijn handeling drukt geen minachting uit: „Een palmboom behoort niet tot de categorie van dingen die geofferd kunnen worden en daarom wordt hij niet gestraft, maar een gebrekkig dier behoort tot een soort die wel geofferd kan worden en daarom wordt hij gestraft met geseling” maar het wijden van een palmboom drukt geen minachting uit.

De schande is afhankelijk van de mogelijkheden die iemand ter beschikking staan: De Maharsjam zegt dat wij hiervan leren dat een handeling beschamend is wanneer die gebaseerd is op een keuze: wanneer er een mogelijkheid was om de handeling op een behoorlijke wijze uit te voeren maar die manier kiest hij niet, dan drukt dat minachting uit. Daarom, aangzien de gemeenschap in Brezlow de keuze had tussen twee stukken land, maar daar de twee stukken niet gelijkwaardig waren – de een was dichtbij en de ander ver weg, was het geen schande als zij dat dichtbij gelegen stuk grond kozen en het was toegestaan (Responsa Maharsjam III:111). Zo mocht ook de zieke vrouw een vertegenwoordiger aanwijizen om de get voor haar in ontvangst te nemen omdat in dit geval er geen andere mogelijkheid was om gescheiden te worden en de handeling kan niet als beschamend beschouwd worden (ibid, I:219).