Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
19 Tisjri 5765 Traktaat Temoera 20-21 Nr. 76

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 280 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 20b  – Iemand kan geen verzoening bereiken met een voorwerp middels een overtreding

Een mitswa die gedaan werd middels een overtreding, wanneer en waarom

Er bestaat een bekende algemene regel voor mitswot van Tora dat „een mitswa die tot stand komt middels een overtreding” niet gerekend wordt als een mitswa. Dus iemand die een gestolen loelav opneemt voor de mitswa van de arba’ miniem [de vier soorten] heeft niet aan zijn verplichting voldaan, want de mitswa van de arba’ minimiem werd gedaan door middel van de overtreding op het verbod van roof.

In onze Gemara maken wij kennis met een nieuwe regel: „Iemand kan geen verzoening bereiken met een voorwerp middels een overtreding”. Wie de Gemara leert wil weten of dit dezelfde, bekende regels is, maar dan anders geformuleerd, of dat dit misschien een nieuwe regel is, naast de ons reeds bekende regel.

„Iemand kan geen verzoening bereiken met een voorwerp middels een overtreding”: De regel „Iemand kan geen verzoening bereiken met een voorwerp middels een overtreding” wordt in onze Gemara geleerd met betrekking tot een Jood die een dier als schuldoffer aanwees voor een overtreding die hij begaan heeft, en daarna wilde hij dit schuldoffer omruilen voor een ander dier. Onze Gemara leert, dat ondanks dat de Tora gebiedt: „dan zal het zelf  en het daarvoor verruilde heilig zijn” (Wajjikra 27:10), zodat de verklaring die hij aflegde voor het eerste offerdier ook geldt voor het verruilde dier, men van het ruilddier geen gebruik maakt als schuldoffer om verzoening te verkrijgen voor zijn overtredingen, omdat „iemand geen verzoening kan bereiken met een voorwerp middels een overtreding.”

Wanneer dit de algemene bedoeling is van deze regel, dan is hij reeds inbegrepen in de ons reeds bekende regel, dat een mitswa die tot stand komt door middel van een overtreding niet als een mitswa gerekend wordt, en dat zou betekenen dat ieder offer dat gewijd werd door temoera niet op het altaar zal komen, want zijn heiliging ontstond door middel van een overtreding [De bovengenoemde regel van Wajjikra 27:10 wordt voorafgegaan door het verbod: „Men mag het niet verruilen”]. Maar zie, Rasji (beg.w. „door middel van een overtreding”), die verklaart dat wij de halacha zo niet leren, maar alleen voor een schuldoffer dat gebracht wordt om verzoening te doen voor een overtreding. Echter de temoera van sjelemiem [vredesoffers] en de temoera van een ola’ [brandoffer] worden wel op het altaar geofferd, zoals wij in de vorige misjnajot geleerd hebben, omdat die niet gebracht worden om verzoening te verkrijgen.

De Acheroniem verklaren dat een mitswa die gedaan werd in overtreding een mitswa is, die niet gedaan had kunnen worden zonder overtreding. Wie een loelav steelt, had deze loelav  niet kunnen opnemen zonder diefstal. Maar wie een korban omruilt, had het temoera ook rechtstreeks als korban kunnen wijden. Hij lijkt op iemand die op Sjabbat een kri’a [inscheuring in zijn kleren] maakt voor een dode, en die daarmee de mitswa gedaan heeft (Jeroesjalmi Sjabbat 13:3, zie Rasjba Sjabbat 105:2), want hij had de kri’a op Motsaei Sjabbat kunnen doen. Hij heeft een ernstige overtreding begaan en zijn straf zal zwaar zijn, maar zijn overtreding maakt de mitswa van de kri’a niet ongeldig (zie Responsa Azriël Hildesheimer 1:3).


Uit: THOUGHTS ON THE DAILY DAF

by Kollel Iyun Hadaf of Har Nof - Rosh Kollel: Rav Mordecai Kornfeld

Temoera Daf 21a

De eigenaar van een „Temoerat Bechor”

De Misjna zegt dat een Temoerat Bechor en zijn nakomelingen zijn zoals een normale bechor, en dat zij gegeten worden door de eigenaars nadat zij een gebrek hebben opgelopen.

De betekenis van de Misjna houdt in dat zij volledig beschouwd kunnen worden als een normale bechor en dat zij aan een Kohen gegeven moeten worden die het dier alleen mag opeten nadat het een gebrek gekregen heeft. Hebben deze dieren inderdaad de status van een normale bechor?

a) De Rambam (Hilchot Temoera 3:2) meent dat een Temoerat Bechor en zijn nakomelingen inderdaad dezelfde status hebben  als een normale bechor. Hoewel de Minchat Baroech (102:4) schrijft dat hij onzeker is over de bronnen van de Rambam, zegt de Jad Binjamin dat het duidelijk is dat zijn bron de Misjna hier is.

b) Tosfot in Zewachiem (75b, beg.w. Bechor) is het er niet mee eens en zegt dat deze dieren niet gelijk zijn aan een gewone bechor. Een temoerat bechor wordt opgegeten door de originele eigenaar, die een Jisraël is. Tosfot begrijpt uit de Misjna, die zegt dat het dier door de eigenaar opgegeten wordt, dat daarmee de originele eigenaar bedoeld wordt en niet de Kohen die de eigenaar wordt van een beschadigde bechor.  Deze dieren zijn in zoverre vergelijkbaar met een normale bechor, dat de eigenaar (in dit geval de Jisraël) het alleen mag opeten als het een moem [gebrek] heeft.

Hoewel de woorden van de Misjna de mening van de Rambam steunen,  zet de Mikdasj David (14:1) vragen bij de logica van de Rambam. Hoewel het waar is dat normaliter een temoera dezelfde heiligheid krijgt als het originele korban, is dat anders bij een temoera voor een bechor. Over een bechor zegt Tora (Sjemot 13:12)  dat alleen de „Peter Rechem” – die het eerst uit de baarmoeder van de moeder komt – aan de kohen gegeven wordt, waarmee de temoerat bechor en zijn nakomelingen worden uitgesloten. De mening van Tosfot is te begrijpen; hij zegt dat de kedoesja overgedragen wordt, maar niet de financiële rechten van de kohen. Dat is de reden waarom de originele eigenaar (de Jisraël) moet wachten totdat het dier een moem krijgt. Daar er geen verbod op bestaat dat een Jisraël een bechor eet, en het dier zelf geen eerstgeborene is, is het logisch dat het door de eigenaar gegeten mag worden. Dus hoe moeten wij dan de mening van de Rambam opvatten? Waarom is de Jisraël verplicht om het dier aan de kohen te geven als het niet een echte bechor is?

De Mikdasj David antwoordt dat zijn aanvankelijke veronderstelling onjuist was. Wanneer een bechor geboren wordt, krijgt de kohen daar niet automatisch financiële rechten op. Wanneer een eerstgeborene geboren wordt, wordt een korban bechor geboren. De Tora vereist dat dit korban bechor op een of andere manier aan de kohaniem gegeven wordt, hetzij door het als korban te offeren, òf door het aan een kohen te geven nadat het een moem heeft opgelopen. Het feit dat het dier naar de kohen moet gaan is niet omdat de kohen enige financiële rechten kan doen laten gelden op een eerstgeboren dier, maar omdat het dier een korban is.

Daarom moet ook een temoeret bechor aan een kohen gegeven worden. Daar het de kedoesja van een korban bechor heeft, wordt het verondersteld op de een of andere manier aan een kohen te worden gegeven. (Zie de uitvoerige discussie van de Mikdasj David over de Rambam.) (Door Y. Montrose)