Index Volgende

Berachot

Hoofdstuk 7 - Misjna 1

שְׁלשָׁה שֶׁאָכְלוּ כְאֶחָד, חַיָּבִין לְזַמֵּן. אָכַל דְּמַאי, וּמַעֲשֵׂר רִאשׁוֹן שֶׁנִּטְּלָה תְרוּמָתוֹ, וּמַעֲשֵׂר שֵׁנִי וְהֶקְדֵּשׁ שֶׁנִּפְדּוּ, וְהַשַּׁמָּשׁ שֶׁאָכַל כַּזַּיִת, וְהַכּוּתִי, מְזַמְּנִין עֲלֵיהֶם. אֲבָל אָכַל טֶבֶל, וּמַעֲשֵׂר רִאשׁוֹן שֶׁלֹּא נִטְּלָה תְרוּמָתוֹ, וּמַעֲשֵׂר שֵׁנִי וְהֶקְדֵּשׁ שֶׁלֹּא נִפְדּוּ, וְהַשַּׁמָּשׁ שֶׁאָכַל פָּחוֹת מִכַּזַּיִת, וְהַנָּכְרִי, אֵין מְזַמְּנִין עֲלֵיהֶם:

 

Drie [mannen] die samen gegeten hebben zijn een zimmoen [1] verplicht [2]. Iemands die demai [3] heeft gegeten of ma’aser risjon, waarvan troema is genomen [4], of ma’aser sjeni of iets dat gewijd was [5] en gelost [6], een bediende die [de hoeveelheid van een] kazajit heeft gegeten [7] en een Koeti [8], nodigt men uit voor de zim­moen. Maar wie tewel gegeten heeft [9] of ma’aser risjon waarvan geen troema is genomen [10], of ma’aser sjeni of iets dat gewijd is en niet gelost [11], en de bediende die minder dan een kazajit heeft gegeten [12] en een heiden [13], die worden niet uitgenodigd voor de zimmoen.


Aantekeningen

[1] Zimmoen: Uitnodiging, bijeenkomst. Drie mannen die gezamenlijk (brood) gegeten hebben moeten na afloop van de maaltijd gezamenlijk de Birkat Hammazon [het dankgebed na de maaltijd] zeggen, na daartoe door één van hen te zijn uitgenodigd met enkele inleidende woorden, die in de 3e misjna genoemd worden.

[2] Men mag geen Birkat Hammazon zeggen over verboden voedsel en men mag dus dan ook niet deelnemen en meetellen voor de zimmoen. De misjna noemt op wie, in bepaalde gevallen, wel en wie niet mag meedoen.

Drie [mannen] die gegeten hebben: Worden uitgenodigd samen te komen, om in het meervoud te bensjen [het dankgebed uit te spreken]: Wij willen zegenen wiens voedsel wij gegeten hebben”. (RAV).

[3] Demai: [product waarover twijfel bestaat of er troema en ma’aser van ge­nomen is]. Vruchten van de mensen van het land” [ het gewone, door­gaans ongeletterde landvolk, van wie men in het algemeen niet zeker kon zijn dat zij troema en ma’aser afzonderden] noemt men demai”, dat wil zeggen: da [Aramees voor dit”] mai [Aramees voor wat”| = wat is dit? Is het vertiend of niet, omdat zij verdacht zijn aangaande het vertienden. Daar­om hebben de geleerden het verboden om van hun producten te eten zonder ze eerst te vertienden. Maar als men ze gegeten heeft zonder er eerst tienden van af te scheiden, zegt men er toch een beracha over. En hiervoor geldt niet dat het een mitswa is die gedaan is in overtreding, want de meeste mensen van het land scheiden wel tienden af. (RAV) [In het algemeen geldt dat men geen mitswa kan doen die ontstaan is uit een overtreding en men zegt daar ook geen beracha over. Dus men kan geen mitswa met een gestolen loelav doen en men kan geen beracha zeggen over verboden vet. En men kan dus ook geen zimmoen bens­jen als één van de drie iets gegeten heeft dat verbo­den is. In ons geval hier is er slechts een overtreding van een verbod van de Rabbanan en daarom moet hij toch wel de door de Tora voorgeschreven birkat hammazon zeggen en kan hij deelne­men aan de zimmoen. Echter, wanneer zeker is dat geen tiende werd afscheiden, dan mag het product [dat nu tewel heet; niet gegeten worden en wie het toch eet, mag geen birkat hammazon zeggen en telt dus ook niet mee voor zimmoen].

[4] [Verschillende giften moesten worden afgescheiden van vruchten en veld­producten in deze volgorde:

1). Troema gedola [Grote heffing]: 1/50 van de oogst, hetgeen aan een Kohen moest worden gegeven, verplicht vanaf het moment dat het graan gedorst, gewand en opgehoopt is en de zijkanten van de hoop zijn glad gestreken.

2). Ma´aser Risjon [Eerste Tiende]: 1/10 van de rest, hetgeen aan een Leviet gegeven moest worden.

3). Ma´aser Sjeni [het Tweede Tiende]: 1/10 van wat er over is, en dat moest naar Jeruzalem gebracht worden en daar opgegeten, of het moest worden omgezet in geld, waarvoor in Jeruzalem voedsel gekocht moest worden, dat daar moest worden opgegeten.

4). Troemat Ma´aser [Heffing van het Tiende]: De Leviet moet 1/10 van het Tiende dat hij gekregen heeft, opzij zetten en geven aan een Kohen.

Onze misjna heeft het over iemand die Ma´aser Risjon - het Eerste Tiende - gegeten heeft, waarvan Troemat Ma´aser - de Heffing van het Tiende - genomen is, maar waarvan geen Troema Gedola genomen is. De leviet mag dit eten.]

Waarvan teroema is genomen: En ondanks dat er geen Troema Gedola van is genomen, bijv. als een Leviet een Kohen voor was en het tiende van de schoven nam, nog voordat de Kohen de Troema Gedola had genomen. Want de Kohen hoort het eerst de Troema Gedola te nemen, één vijftigste, want de Tora noemt het het eerste” [in Dewariem 18:4: Het eerste van je graan en van je wijn en van je olie ..... zul je hem (de Kohen) geven”.] Dus blijkt er in deze Tiende [die de Leviet heeft genomen] één vijftigste deel Troema Gedola te zitten, dat van de Kohen  is, behalve de Troemat Ma´aser die de Leviet [altijd] van zijn Ma´aser moet afscheiden. En onze misjna leert ons dat de Leviet is vrijgesteld van het afscheiden van de Troema Gedola, want er staat geschreven [in Bamidbar 18:26]: En jullie zult ervan een Heffing van Hasjem nemen, een Tiende van een Tiende”. [Dit is de Troema van het Eerste Tiende dat de Leviet moet afscheiden]. Een Tiende van een Tiende” heb Ik tegen je [de Leviet] gezegd, maar geen Troema Gedola of Troemat Ma´aser van het [eerste] Tiende. (RAV) [Dus dit vers in Bamidbar zegt dat de Levieten alleen maar Troemat Ma´aser hoeven af te scheiden van zijn Ma´aser, en geen Troema Gedola. Dus dat­gene wat de Leviet heeft gekregen is geen tewel, ook al  is er geen Troema Gedola van genomen, zolang de Leviet er maar Troemat Ma’aser van heeft genomen. Het mag dus gegeten worden, hij moet er de Birkat hammazon over zeggen en hij mag meetellen voor de zimmoen].

[5] Gewijd - hekdeesj. Als iemand de geldwaarde van het voedsel aan de Tempel schenkt (voor onderhoud van de Tempel), dan is dat voedsel Hekdeesj en mag niet gegeten worden totdat het gelost is. Bij de lossing zet de eigenaar van het voedsel de waarde ervan plus een vijfde, opzij. Nu mag het voedsel gegeten worden en het geld is Hekdeesj en eigendom geworden van de Tempel. Men mag het Tweede Tiende eten en ook voedsel dat Hekdeesj was, maar gelost is.

[6] Ma´aser Sjeni of iets dat gewijd was en gelost: Bijvoorbeeld als iemand wel de waarde [van de Hekdeesj] heeft gegeven maar die het vijfde [daaraan heeft toegevoegd]. Want de eigenaars [van Ma´aser Sjeni en Hekdeesj] moeten een vijfde toevoegen [zoals er staat in Wajjikra 27:31 en 17:15]. En de Tanna leert ons dat dit vijfde [de lossing] niet tegenhoudt (RAV). [Hoewel men een overtreding van Tora heeft begaan als men het vijfde niet heeft toegevoegd voor de lossing, is die lossing toch geldig, en het voedsel mag gegeten worden, en men moet daarover Birkat Hammazon zeggen en men telt mee voor Zimmoen].

[7]  En de bediende die [de hoeveelheid] van een Kazajit heeft gegeten: Wat zou je [anders] denken? [Is het niet logisch dat hij meetelt?]  Maar omdat de bediende geen vastigheid heeft [d.w.z. geen vaste plaats heeft waar hij eet], maar heen en weer loopt, [zou men kunnen denken] dat men hem niet voor zimmoen uitnodigt. Daarom laat [de Tanna] ons horen [dat hij wel meetelt]. En in al deze [gevallen] wordt ons geleerd dat ondanks dat zij vergelijkbaar zijn met iets dat verboden is, het geen beracha is over een overtreding (RAV). [Want hoewel men deze voedselproducten niet moet eten, worden zij niet beschouwd als assoer mid´oraita].

[8] Een Koetie: Eén  van de volken die de koning van Assyrië uit Koeta [een stad in Babylon] en andere landen bracht en hij zette hen in de steden van Sjomron [Samaria]. Zij gingen over tot het Jodendom uit angst voor de leeuw­en die hen opaten, zoals verteld wordt in het boek Melachiem [Koningen] II, 17:24-28. Zij hielden zich aan de Schriftelijke Leer, en al de voorschriften waaraan zij zich hielden, daarin waren zij nauwkeuriger dan Israël. Daarom werden zij vertrouwd ten aanzien van een klein aantal mitswot. Totdat men hen nader onderzocht, en men ontdekte dat zij een afgodsbeeld van een duif aanbaden op het topje van de Berg Geriziem. Vanaf dat moment werden zij volledig beschouwd als vreemden [niet-Joden] in alle opzichten. Daarom nodigt men een Koetie niet uit [voor de zimmoen] (RAV).

[9] Maar wie tewel gegeten heeft: Graan waarvan geen troemot en ma´aser zijn genomen, wordt tewel genoemd. De betekenis van het woord tewel is tav lo - niet goed. En het is niet nodig [voor de misjna] om tewel d´oraita te noemen [d.w.z. om te vermelden dat iemand die tewel d´oraita gegeten heeft, niet meetelt voor zimmoen]. Maar [het geldt] zelfs voor tewel de­rabbanan, zoals graan dat ontsproten is in een plantenpot (zonder gaten), dat alleen maar door de geleerden tot tewel verklaard is. [Ook wie dit gegeten heeft] telt niet mee voor zimmoen. (RAV).

[10] Of ma´aser risjon waarvan geen teroema was afgescheiden: Hier is geen sprake van Troemat Ma´aser want dit is echt tewel, maar zoals [in het geval] dat een Leviet de Kohen voorging bij de graanhoop, nadat die was uit ge­streken, en troema door Tora verplicht wordt [het was de gewoonte dat het graan na het dorsen en wannen werd gladgestreken in een gladde regelmatige hoop, waarna de verplichting tot troema ontstond]. En hij [de Leviet] nam het ma´aser eerst, en één vijftigste daarvan is reeds bestemd als troema voor de Kohen. En zolang hij [de Leviet] nog niet die Troema Gedola heeft afgescheiden, nodigt men hem niet uit voor de zimmoen, ondanks dat hij reeds Troemat Ma´aser heeft afgescheiden. Maar wanneer de Leviet hem [de Kohen] voorging voordat het [graan] gladgestreken is, dan hoeft hij geen Troema Gedola af te scheiden, zoals wij eerder hebben geschreven [zie hierboven noot 4].

[11] Of Ma´aser Sjeni of iets wat gewijd is en niet gelost:  De Misjna hoeft niet te zeggen dat men geen zimmoen mag maken met iemand die ma´aser sjeni of gewijde producten gegeten heeft, die in het geheel niet gelost zijn, want dat is duidelijk. Maar de Misjna heeft het hier over producten die wel gelost waren, maar niet behoorlijk gelost volgens de halacha, bijvoorbeeld wanneer men ma´aser sjeni gelost heeft met stukjes zilver, of met munten waarop geen afbeelding staat. Want de Tora zegt [in Dewariem 14:25]: Je zult het omzetten in geld”, d.w.z. in iets dat vorm en afbeelding heeft. En betreffende gewijde goederen, die hij loste met behulp van land, in plaats van geld, daarvan zegt Tora [Wajjikra 27:15]: Je zult geld/zilver geven”.

[12] En de bediende die minder dan een kazajit heeft gegeten: Dit is een lering die niet nodig is [omdat iedereen weet dat iemand die minder dan een olijf-grootte eet, geen Birkat Hammazon hoeft te zeggen na de maaltijd, en dus kan hij ook niet meegeteld worden voor zimmoen]. Maar nu hij [de Tanna] teruggaat om het meeste [te bespreken, om ons] noodza­kelijk [te vertellen dat in het tegenover gestelde geval iemand niet meetelt voor zimmoen], herhaalt hij ook dit.

[13] En een heiden: Een bekeerling, die wel reeds besneden is, maar nog niet in het mikwe is geweest. [Want het is dui­delijk dat een niet-Jood niet voor zimmoen kan meetellen]. En de Misjna leert ons, dat zolang hij nog niet in het mikwe is geweest, hij als niet-Jood beschouwd wordt. En in alle gevallen blijft men een niet-Jood, totdat men is besneden en in het mikwe is geweest. (RAV).


Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder