|
We hebben reeds
in detail de principes en de manier van afscheiding Teroemot
en Ma�aserot in onze inleiding tot traktaat Demai bespro�ken
en uitgelegd. We zullen ons daarom hier beperken tot enkele aspecten
van troema, het onderwerp van dit traktaat.
Troema is de
eerste �gift� die moet worden afgescheiden van het pro�duct en moet
gegeven worden aan de priester (kohen), zoals er staat geschreven
(in Devariem 18:4): �De eerste vruchten van je graan, van je
wijn en van je olie� zul je hem (de priester) geven� en (in
Bamidbar 18:8, 12): �En de Eeuwige sprak tot Aron: zie, Ik geef
je de opdracht omtrent Mijn heffingen � troemotai� Al het
beste van de olie en al het beste van de wijn en van het koren, het
eerste daarvan dat zij de Eeuwige zullen geven, geef ik jou.�
Tora
specificeert niet de maat van deze troema, die troema gedola
(grote troema) genoemd wordt. Hieruit volgt dat één graankorrel,
afgescheiden als troema, voldoende is voor de hele hoop. Echter, de
Geleerden hebben een vaste maat bepaald (zoals verklaard wordt in
misjna 4:3): �Een royaal persoon geeft een veertigste deel, een
gemiddeld persoon geeft een vijftigste en een gierigaard geeft een
zestigste.� De algemeen geaccepteerde maat is daarom een vijftigste
en de Geleerden hebben daar een aanwijzing voor gevonden in het
woord troema, als een acroniem voor trei mi-mea � twee
van de hon�derd (2 procent).
De Leviet
moeten ook afscheiden en aan de priester een tiende van de
ma�aser (ma�aser risjon � het eerste tiende) geven dat
hij heeft ontvangen. Dit wordt troemat ma�aser (de heffing
van het tiende).
Troema wordt
�heilig� genoemd en mag alleen door de priesters gegeten worden,
zoals er staat geschreven (in Wajjikra 22:10): �Geen vreemdeling zal
van het heilige eten.� Als iemand die geen priester is ervan eet, is
hij de dood schuldig door de Hemelse Rechtbank. Troema moet bewaakt
worden, opdat het niet onrein wordt, verloren raakt of verspild
wordt, zoals er staat geschreven (Bamidbar 18:8): �De opdracht
omtrent Mijn heffingen [om er voor te zorgen],� hetgeen inhoudt dat
men ervoor moet oppassen dat het niet onrein of vernietigd wordt (Soekot
35b, Rasji).
Wanneer
troema vermengd raakt met choelien (onheilig voedsel) en
het choelien in dit mengsel is minder dan honderd maal de troema
daarin, dan is alles medoema, dat wil zeggen, het hele
mengsel wordt troema en mag alleen door priesters gegeten worden en
wie geen priester is mag het dus niet eten. Maar men hoeft het niet
aan de priester te geven, maar het mag aan een priester verkocht
worden voor de prijs van troema, die lager is dan die van gewoon
product en daarvan moet men de waarde van de troema die in het
mengsel zit aftrekken. Wanneer het mengsel meer dan honderd maal de
hoeveel�heid van troema aan choelien bevat, dan is de troema teniet
gedaan en een niet-priester mag het eten, nadat hij de hoeveelheid
van de troema die erin vermengd is van het mengsel heeft
afgescheiden en aan een priester heeft gegeven.
De details en andere wetten van troema worden uitgebreid behandeld
in dit traktaat. Volgens Rambam volgt dit traktaat op
Sjevi�iet, daar troema de eerste gift is die men van het product
afscheidt.
|