Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Inhoudsopgave Tanach

 

toon commentaar

BEREISJIET (Genesis) – HOOFDSTUK 3

PARASJAT BEREISJIET

3. 1. De slang nu was listiger  dan alle dieren van het veld die de Eeuwige G-d gemaakt had, en hij zei tot de vrouw:  „Heeft G-d soms gezegd dat jullie van niet één boom in de tuin mogen eten?”

2. Daarop zei de vrouw tegen de slang: „Wij mogen wel van de vruchtbomen in de tuin eten.

3. Maar van de vrucht van de boom die in het midden van de tuin staat, heeft G-d gezegd: ‘daarvan mogen jullie niet eten en die mogen jullie niet aanraken, opdat jullie niet zullen sterven’. ”

4. Maar de slang zei tegen de vrouw: „Je zult zeker niet sterven.

5. Want G-d weet, dat op de dag dat jullie daarvan eten, jullie ogen zullen open gaan, en dan zullen jullie, evenals G-d, weten wat goed en kwaad is.”

6. En de vrouw zag dat de boom goed was om van te eten en dat hij een lust was voor de ogen en dat de boom begerenswaardig was om er kennis mee te verkrijgen, en toen nam zij er een vrucht van en gaf die ook aan haar man bij haar, en hij at ervan.

7. Toen werden hun beider ogen geopend en wisten zij dat zij naakt waren en zij naaiden zich vijgenbladen en maakten daarvan schorten voor zichzelf.

8. Daar hoorden zij de stem van de Eeuwige G-d, door de tuin gaan in de wind van de dag, en de mens en zijn vrouw verborgen zich voor de Eeuwige G-d te midden van het geboomte van de tuin.

9. Toen riep de Eeuwige G-d de mens en zei tegen hem: „Waar ben je?”

10. Daarop zei hij: „Ik hoorde Uw stem in de tuin en ik was bang omdat ik naakt ben, en dus verborg ik mij.”

11. En Hij zei: „Wie heeft je verteld dat je naakt bent? Heb je soms van de boom gegeten, waarvan Ik je geboden had niet te eten?”

12. De mens zei daarop: „Die vrouw, die U mij gegeven hebt, heeft mij van de boom te eten gegeven.”

13. Toen zei de Eeuwige G-d tegen de vrouw: „Wat heb jij daar gedaan?” En de vrouw zei: „De slang heeft mij bedrogen en toen heb ik gegeten.”

14. Toen zei de Eeuwige G-d tegen de slang: „Omdat je dit gedaan hebt, ben je het meest vervloekt van al het vee en van al het wild in het veld; op je buik zul je gaan en stof zul je eten, al de dagen van je leven.

15. Vijandschap zal ik stichten tussen jou en tussen de vrouw en tussen jouw nakomelingen en haar nakomelingen; hij zal je kop verpletteren en jij zult hem in zijn hiel bijten.”

16. Tegen de vrouw zei Hij: „Ik zal je veel pijnen veroorzaken bij je zwangerschap; in pijn zul je kinderen baren en naar je man zal je verlangen uitgaan maar hij zal over jou heersen.”

17. En tegen Adam zei hij: „Omdat je naar de stem van je vrouw hebt geluisterd en van de boom hebt gegeten, waarvan Ik je geboden had niet te eten, zal de aarde vervloekt zijn vanwege jou, met moeite en pijn zul je er van eten, al je levensdagen.”

18. „Doornen en distels zal het voor jou doen ontspruiten, de kruiden van het veld zul je eten.”

19. „Met het zweet op je gezicht zul je brood eten, totdat je terugkeert tot de aarde, want daaruit ben je genomen; want stof ben je en tot stof zul je wederkeren.”

20. En de mens noemde zijn vrouw Chawa - die leven voortbrengt - want zij werd de moeder van al wat leeft.

21. En de Eeuwige G-d maakte voor Adam en zijn vrouw schorten van huiden en kleedde hen.

22. De Eeuwige G-d zei: zie, de mens is als één van ons gewor­den, met kennis van goed en kwaad; dat hij nu niet ook zijn hand zal uitsteken naar de boom des levens en daarvan zal eten en eeuwig zal leven.

23. En de Eeuwige G-d zond hem weg uit de tuin Eden om de aarde te bewerken, waaruit hij genomen was.

24. Hij verdreef de mens en plaatste aan de oostzijde van de tuin Eden de Cherubijnen en het vlammend zwaard dat rondwentelde, om de weg naar de levensboom te bewaken.

 

 

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg zwigold@netvision.net.il

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder

 BEREISJIET

 

HOOFDSTUK 1

 HOOFDSTUK 2

 HOOFDSTUK 3

 HOOFDSTUK 4

 HOOFDSTUK 5

 HOOFDSTUK 6

  HOOFDSTUK 7

 HOOFDSTUK 8

 HOOFDSTUK 9

 HOOFDSTUK 10

 HOOFDSTUK 11

 HOOFDSTUK 12

 HOOFDSTUK 13

 HOOFDSTUK 14

 HOOFDSTUK 15

 HOOFDSTUK 16

 HOOFDSTUK 17

 HOOFDSTUK 18

 HOOFDSTUK 19

 HOOFDSTUK 20

 HOOFDSTUK 21

 HOOFDSTUK 22

 HOOFDSTUK 23

 HOOFDSTUK 24

 HOOFDSTUK 25

 HOOFDSTUK 26

 HOOFDSTUK 27

 HOOFDSTUK 28

 HOOFDSTUK 29

 HOOFDSTUK 30

  HOOFDSTUK 31

 HOOFDSTUK 32

 HOOFDSTUK 33

 HOOFDSTUK 34

 HOOFDSTUK 35

 HOOFDSTUK 36

 HOOFDSTUK 37

 HOOFDSTUK 38

 HOOFDSTUK 39

 HOOFDSTUK 40

 HOOFDSTUK 41

 HOOFDSTUK 42

 HOOFDSTUK 43

 HOOFDSTUK 44

 HOOFDSTUK 45

 HOOFDSTUK 46

 HOOFDSTUK 47

 HOOFDSTUK 48

 HOOFDSTUK 49

 HOOFDSTUK 50