Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Inhoudsopgave Tanach

 

toon commentaar

BEREISJIET (Genesis) – HOOFDSTUK 12

PARASJAT LECH LECHA

12. 1Hasjem zei tegen Awram: „Ga voor jezelf weg uit je land, uit je geboorte­plaats en uit je vaders huis, naar een land dat Ik je zal tonen. 2Ik zal je tot een groot volk maken en Ik zal je zegenen en je naam groot maken en je zult een zegen zijn. 3Ik zal zegenen die jou zullen zegenen en degene die jou vervloekt zal Ik vervloeken; met jou zullen alle families op aarde zich zegenen.” 4Zo ging Awram, zoals Hasjem tegen hem ge­sproken had, en Lot ging met hem mee. Awram was vijfen­zeventig jaar toen hij uit Charan vertrok. 5Awram nam Sarai, zijn vrouw, en Lot, de zoon van zijn broer, mee en al hun bezittingen die zij verkregen hadden en iedere ziel die zij gemaakt hadden in Charan; en zij vertrokken om naar het land Kena'an te gaan, en zij kwamen aan in het land Kena'an. 6Awram trok nu door het land tot aan de plaats Sjechèm, tot het bos Moréh, maar de Kena'anieten waren toen nog in het land. 7Toen verscheen Hasjem aan Awram en zei: „Ik zal dit land aan jouw nakomelingen geven.” Daarom bouwde hij daar een altaar voor Hasjem, Die aan hem verschenen was. 8Vandaar trok hij verder naar het gebergte ten oosten van Beit-El, hij sloeg zijn tent op, met Beit-El ten westen en 'Ai ten oosten; en daar bouwde hij een altaar voor Hasjem, en hij riep de Naam van Hasjem aan. 9Daarna reisde Awram verder, als maar verder reizend naar het zuiden.

10Eens brak er hongersnood uit in het land, en Awram daalde af naar Egypte, om daar tijdelijk te gaan wonen, want de hongersnood was zwaar in het land. 11Het gebeurde, toen hij Egypte naderde, dat hij tegen zijn vrouw Sarai zei: „Kijk eens hier, ik weet wel dat jij een vrouw bent die mooi is van uiterlijk. 12Wanneer de Egypte­naren jou zien, zullen zij zeggen: „Dat is zijn vrouw,” dan zullen zij mij vermoorden, maar jou zullen zij in leven laten. 13Zeg alsjeblieft dat je mijn zuster bent, opdat zij mij goed zullen behandelen vanwege jou en dan zullen zij mij in leven laten dankzij jou.

14Toen Awram in Egypte aankwam, zagen de Egyptenaren dat de vrouw zeer mooi was. 15Toen de  hove­lingen van Par'o haar zagen, prezen zij haar aan bij Par'o en de vrouw werd naar het huis van Par'o gebracht. 16Hij behandelde Awram goed ter wille van haar en hij kreeg kleinvee en rundvee en ezels, slaven en slavinnen, ezelinnen en kamelen. 17Maar Hasjem trof Par'o en diens hofhouding met zware plagen om wat er gebeurd was met Sarai, de vrouw van Awram. 18Toen ontbood Par'o Awram en zei: „Waarom heb je mij dit aangedaan, waarom heb je mij niet verteld dat zij jouw vrouw is? 19Waarom heb je gezegd: zij is mijn zuster; zodat ik haar mij tot vrouw zou nemen? Hier is je vrouw, neem haar mee en ga weg!” 20Daarop gaf Par'o opdracht aan zijn mannen om hem en zijn vrouw en alles wat hij had, onder geleide het land uit te brengen.

 

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg zwigold@netvision.net.il

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder

 BEREISJIET

 HOOFDSTUK 1

 HOOFDSTUK 2

 HOOFDSTUK 3

 HOOFDSTUK 4

 HOOFDSTUK 5

 HOOFDSTUK 6

  HOOFDSTUK 7

 HOOFDSTUK 8

 HOOFDSTUK 9

 HOOFDSTUK 10

 HOOFDSTUK 11

 HOOFDSTUK 12

 HOOFDSTUK 13

 HOOFDSTUK 14

 HOOFDSTUK 15

 HOOFDSTUK 16

 HOOFDSTUK 17

 HOOFDSTUK 18

 HOOFDSTUK 19

 HOOFDSTUK 20

 HOOFDSTUK 21

 HOOFDSTUK 22

 HOOFDSTUK 23

 HOOFDSTUK 24

 HOOFDSTUK 25

 HOOFDSTUK 26

 HOOFDSTUK 27

 HOOFDSTUK 28

 HOOFDSTUK 29

 HOOFDSTUK 30

  HOOFDSTUK 31

 HOOFDSTUK 32

 HOOFDSTUK 33

 HOOFDSTUK 34

 HOOFDSTUK 35

 HOOFDSTUK 36

 HOOFDSTUK 37

 HOOFDSTUK 38

 HOOFDSTUK 39

 HOOFDSTUK 40

 HOOFDSTUK 41

 HOOFDSTUK 42

 HOOFDSTUK 43

 HOOFDSTUK 44

 HOOFDSTUK 45

 HOOFDSTUK 46

 HOOFDSTUK 47

 HOOFDSTUK 48

 HOOFDSTUK 49

 HOOFDSTUK 50