Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Inhoudsopgave Tanach

 

Home

BEREISJIET (Genesis) – HOOFDSTUK  16

16. 1Sarai, de vrouw van Awram, had hem geen kinderen gebaard. Zij had een Egyptische slavin, die Hagar heette. 2Toen zei Sarai tegen Awram: „Zie toch, Hasjem heeft mij ver­hinderd om te baren; heb toch gemeenschap met mijn slavin, misschien zal ik vanuit  haar opgebouwd worden.” En Awram luisterde naar de stem van Sarai. 3Zo nam Sarai nu Hagar, haar Egyptische slavin, na tien jaar sedert Awrams vestiging in het land Kena'an, en gaf haar aan Awram, haar man, als vrouw. 4Hij had gemeenschap met Hagar en zij werd zwanger en toen zij merkte dat zij zwanger was werd haar meesteres minderwaardig in haar ogen. 5Daarop zei Sarai tegen Awram: „Het onrecht dat mij is aangedaan, komt op jou neer. Ik heb jou mijn slavin in je schoot gegeven, en zie, nu dat ze zwanger is ben ik minderwaardig in haar ogen. Laat Hasjem rechter zijn over jou en mij.” 6Daarop zei Awram tegen Sarai: „Je slavin is in jouw macht, doe met haar wat je goed dunkt.” Sarai behandelde haar nu hard en zij vluchtte voor haar. 7Een engel van Hasjem vond haar bij een waterbron in de woestijn, bij een bron op weg naar Sjoer. 8Hij zei: „Hagar, slavin van Sarai, waar kom je vandaan er waar ga je heen?” En zei antwoordde: „Voor Sarai, mijn meesteres, ben ik op de vlucht.” 9Daarop zei de engel van Hasjem tegen haar: „Keer terug naar je meesteres, en laat je door haar vernederen.” 10Verder zei de engel van Hasjem tegen haar: „Ik zal je nakome­lingen talrijk maken, zodat men ze door hun grote aantal niet zal kunnen tellen.” 11En de engel van Hasjem vervolgde tegen haar: „Zie, je bent zwanger en je zult een zoon baren en hem Jisma'el[1] noemen, want Hasjem heeft je ellen­de gehoord. 12Een mens als een wilde ezel zal hij zijn, zijn hand zal tegen iedereen zijn en ieders hand tegen hem, en hij zal tegenover al zijn broers wonen.” 13En zij noemde de Naam van Hasjem, die tot haar gespro­ken had: „U bent de God die ziet,” want zij zei: „Hoe had ik kunnen zien nadat ik gezien heb[2].” 14Daarom noemde men die bron: „De bron van de levende, die ik gezien heb.” Deze is tussen Kadeesj en Bared. 15Hagar baarde Awram een zoon en Awram noemde zijn zoon, die Hagar gebaard had, Jisma'el. 16Awram was zesentachtig jaar toen Hagar Jisma'el baarde voor Awram.


 

1. Jisjmaël – God heeft gehoord.

2. Hoe had ik kunnen vermoeden dat ik hier in de woestijn de afgezant van de Alomtegenwoordige, nadat ik hem gezien had in het huis van Awraham (Rasji).

 

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg zwigold@netvision.net.il

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder

BEREISJIET

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

HOOFDSTUK 25

HOOFDSTUK 26

HOOFDSTUK 27

HOOFDSTUK 28

HOOFDSTUK 29

HOOFDSTUK 30

HOOFDSTUK 31

HOOFDSTUK 32

HOOFDSTUK 33

HOOFDSTUK 34

HOOFDSTUK 35

HOOFDSTUK 36

HOOFDSTUK 37

HOOFDSTUK 38

HOOFDSTUK 39

HOOFDSTUK 40

HOOFDSTUK 41

HOOFDSTUK 42

HOOFDSTUK 43

HOOFDSTUK 44

HOOFDSTUK 45

HOOFDSTUK 46

HOOFDSTUK 47

HOOFDSTUK 48

HOOFDSTUK 49

HOOFDSTUK 50