Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Inhoudsopgave Tanach

 

Home

BEREISJIET (Genesis) – HOOFDSTUK  18

18. 1Hasjem verscheen hem in de bossen van Mamré, terwijl hij aan de ingang van zijn tent zat, op het heetst van de dag. 2Hij sloeg zijn ogen op en kijk, daar zag hij drie mannen tegenover hem staan, en toen hij hen zag rende hij hen tegemoet van zijn tentopening en boog zich ter aarde. 3En hij zei: “Mijn Heer, als ik gunst in uw ogen gevonden heb, trek dan toch niet aan uw dienaar voorbij. 4Laat er toch wat water gehaald worden en was uw voeten en rust wat onder de boom. 5Dan zal ik een stuk brood halen om uw hart te ver­sterken en daarna kunt u verder trekken, nadat u bij uw dienaar bent langs­ge­komen.” En zij zeiden: “Ja, doe zoals u gezegd heeft.” 6En Avraham haast­te zich naar de tent, naar Sara, en zei: “Vlug, kneed drie sea meelbloem en maak er koeken van.” 7En daarna rende Avraham naar het rundvee en nam een jong, mals en goed kalfje en gaf het aan de jongeman die zich haastte om het klaar te maken. 8En hij nam boter en melk en het jonge rund dat hij bereid had, en zette het voor hen neer en hij bleef bij hen staan, onder de boom terwijl zij aten. 9Zij zeiden tegen hem: “Waar is Sara, je vrouw?” en hij zei: “Daar, in de tent.” 10En hij zei: “Ik zal zeker terugkomen op deze tijd over een jaar, en dan zal Sara, uw vrouw, een zoon hebben”. En Sara luis­terde  aan de ingang van de tent, die achter hem was. 11Avraham en Sara  waren al oud en op gevorderde leeftijd gekomen, bij Sara was de cyclus der vrouwen reeds  opgehouden. 12En Sara lachte in haarzelf en zei: “Zou ik, nadat ik afgeleefd ben, weer een jonge huid krijgen, terwijl mijn heer een oude man is!” 13Daarop zei Hasjem tegen Avraham: “Waarom lacht Sara daar, en zegt zij: ‘Zou ik dan echt nog een kind krijgen terwijl ik oud ben!’ 14Is er dan iets te wonderbaarlijk voor Hasjem? Op de vastgestelde tijd kom Ik naar jou terug op deze tijd over een jaar en dan zal Sara een zoon hebben.”  15Sara ontkende het en zei: “Ik heb niet gelachen”, want zij was bang, maar Hij zei: “Nee, je hebt wèl gelachen.” 16Daarna stonden de mannen op vandaar en keken uit in de richting van Sedom en Avraham ging met hen mee om hen uitgeleide te doen. 17Hasjem zei: “Zou Ik voor Avraham verbergen wat Ik doe? 18Avraham zal toch zeker een groot en machtig volk worden en met hem zullen alle volken der aarde zich zegenen. 19Want Ik houd van hem omdat hij zijn kin­de­ren en zijn huisgenoten na hem geboden heeft dat zij het pad van de Hasjem moeten volgen, door liefdadigheid en gerechtigheid te doen, opdat Hasjem voor Avraham zal volbrengen, dat wat Hij hem toegezegd heeft.” 20Aldus zei Hasjem: “Omdat het geschrei over Sedom en ‘Amora groot is en omdat hun zonde zeer ernstig is, 21laat Ik daarom afdalen en zien of alles gebeurd is overeenkomstig het geschrei dat tot mij komt, dán vernietiging – en zo niet, dan zal Ik het weten. 22De mannen draaiden zich om van daar en gingen naar Sedom, terwijl Avraham nog voor Hasjem stond. 23En Avraham kwam naderbij en zei: “Zou U ook de rechtvaardige vernietigen met de booswicht? 24Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in die stad en zou U die ook vernietigen en zou U die plaats niet vergeven ter wille van die vijftig rechtvaardigen die daarin zijn? 25Het zou onheilig zijn als U zo iets zou doen om de rechtvaardige te doden met de booswicht, het onheilig van U zijn, zou de Rechter van heel de aarde geen recht spreken?” 26En Hasjem zei: “Indien Ik in de stad Sedom zelf vijftig rechtvaardigen vind, dan zal Ik heel de plaats terwille van hen vergeven.” 27Avraham antwoordde en zei: “Wel, nu ik ben reeds begonnen te spreken tot mijn Heer, terwijl ik maar stof en as ben, 28Misschien zullen er vijf rechtvaardigen ontbreken, en zou U wegens die vijf heel de stad vernietigen?” en Hij zei: “Ik zal haar niet vernietigen als Ik daar vijfenveertig rechtvaardigen vind.” 29En hij ging verder met tegen Hem te praten en zei: “Misschien zijn er daar maar veertig”, en Hij zei: Ik zal het niet doen ter wille van veertig.” 30En hij zei: “Laat mijn Heer toch niet boos op mij worden, maar misschien zijn er daar maar dertig”, en Hij zei: “Ik zal het niet doen als ik er dertig vind.” 31En hij zei: “Nu ik toch reeds spreek tegen mijn Heer, misschien bevinden er zich daar slechts twintig”, en Hij zei: “Ik zal haar niet vernietigen ter wille van twintig”.  32En hij zei: “Mijn Heer, wees toch niet boos dat ik spreek, maar misschien bevinden er zich daar maar tien”, en Hij zei: “Ik zal niet haar vernietigen ter wille van tien.” 33En Hasjem ging heen nadat Hij het gesprek met Avraham beëindigd had, en Avraham keerde naar zijn plaats terug.

 

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg zwigold@netvision.net.il

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder

BEREISJIET

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

HOOFDSTUK 25

HOOFDSTUK 26

HOOFDSTUK 27

HOOFDSTUK 28

HOOFDSTUK 29

HOOFDSTUK 30

HOOFDSTUK 31

HOOFDSTUK 32

HOOFDSTUK 33

HOOFDSTUK 34

HOOFDSTUK 35

HOOFDSTUK 36

HOOFDSTUK 37

HOOFDSTUK 38

HOOFDSTUK 39

HOOFDSTUK 40

HOOFDSTUK 41

HOOFDSTUK 42

HOOFDSTUK 43

HOOFDSTUK 44

HOOFDSTUK 45

HOOFDSTUK 46

HOOFDSTUK 47

HOOFDSTUK 48

HOOFDSTUK 49

HOOFDSTUK 50