Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Inhoudsopgave Tanach

 

Home

BEREISJIET (Genesis) – HOOFDSTUK  19

19. 1De twee engelen kwamen ’s avonds in Sedom aan, terwijl Lot in de poort van Sedom zat; toen Lot hen zag stond hij op en ging hen tegemoet en hij boog met zijn gezicht naar de aarde. 2En hij zei: “Zie toch, mijne heren, komt u toch naar het huis van uw dienaar en overnacht en wast uw voeten en dan staat u vroeg op en vervolgt u uw weg”, maar zij zeiden: “Nee, want wij zullen op straat overnachten.” 3Toen hij echter sterk bij hen aandrong, keerden zij zich naar hem om en kwamen naar zijn huis en hij bereidde hun een maaltijd en hij bakte matsot en zij aten. 4Zij waren nog niet gaan rusten, of de mannen uit de stad, de mannen van Sedom, omsingelden het huis, van jong tot oud, het gehele volk uit alle hoeken. 5Zij riepen naar Lot en zeiden tegen hem: “Waar zijn die mannen die van avond naar jouw huis zijn gekomen? Breng ze naar ons naar buiten opdat wij met hen gemeenschap hebben.” 6Lot ging nu naar buiten, naar hen toe aan de ingang en sloot de deur achter zich. 7En hij zei: “Mijn broeders, doe toch geen kwaad. 8Ik heb hier nog twee dochters, die nog met niemand gemeenschap hebben gehad, laat mij die voor jullie naar buiten brengen, en doet met hen naar jullie goeddunken; maar doe deze mannen niets, want daarvoor kwamen zij schuilen onder mijn dak.” 9Maar zij zeiden: “Trek u terug”, en zij zeiden: “Deze ene hier is gekomen om hier tijdelijk te verblijven, en die zal ons terecht wijzen? Nu zullen wij jou nog meer kwaad doen dan hen” en zij duwden sterk tegen de man, tegen Lot, en zij kwamen dichterbij om de deur open te bre­ken. 10Toen strekten de mannen hun hand uit en brachten Lot bij hen naar binnen en zij sloten de deur. 11En de mensen die voor de ingang van het huis stonden sloegen zij met blindheid, van klein tot groot zodat zij de ingang niet konden vinden. 12Toen zeiden de mannen tegen Lot: “Wie heb je hier nog meer? Een schoonzoon en je zonen en je dochters en allen die je hier in de stad hebt, breng hen buiten de plaats. 13Want wij vernielen deze plaats,  omdat het geweeklaag tot Hasjem groot is geworden, en Hasjem heeft ons gezonden om haar te vernietigen.” 14Hierop ging Lot naar buiten en sprak met zijn schoonzonen, [en met] de verloofden van zijn dochters[1], en hij zei: “Kom op, verlaat deze plaats, want Hasjem vernietigt deze stad,” maar het was in de ogen van zijn schoonzonen alsof hij schertste. 15Zodra de dageraad was aangebroken drongen de engelen bij Lot aan, door te zeggen: “Sta op, neem je vrouw en je twee dochters die zich hier bevinden, opdat je niet zult ten onder gaan met de misdaad van de stad.” 16Maar hij aarzelde nog en toen pakten de mannen zijn hand en de hand van zijn vrouw en de hand van zijn twee dochters, wegens Hasjems medelijden, en zij voerden hem naar buiten en lieten hem achter buiten de stad. 17Toen zij hen naar buiten hadden gebracht zeiden zij: “Red je leven, kijk niet om en blijf niet staan in de gehele vlakte, red je naar de bergen opdat je niet vernietigd wordt.” 18Maar Lot zei “Ach, nee toch, mijn Heer, 19Zie toch, Uw dienaar heeft gunst gevonden in Uw ogen en Uw goedgunstigheid, die U mij bewezen heeft, was groot door mij te laten leven, maar ik kan niet naar het gebergte ontsnappen, opdat het onheil mij niet te pakken krijgt en ik sterf. 20Maar zie, deze stad hier is dichtbij om daar naar toe te vluchten, en zij is klein; laat mij toch daarheen ontsnappen, ze is toch maar klein en dan zal ik in leven blijven.” 21En hij antwoordde hem: “Wel, ook hierin zal ik u ter wille zijn door de stad, waarover u gesproken heeft, niet te verwoesten. 22Vlug, ontsnap daarheen, want ik kan niets doen totdat u daar bent gekomen. Daarom noemt men die stad Tso’ar - Klein.

23De zon was al opgekomen boven de aarde, toen Lot in Tso’ar aankwam. 24Nu liet Hasjem het zwavel en vuur regenen op Sedom en op Amora, van Hasjem vanuit de hemel. 25Hij keerde deze steden om en de hele vlakte en al de bewoners van de steden en de gewassen van de aarde. 26Zijn vrouw keek om en toen werd zij een zoutpilaar.

27Avraham was ’s ochtends vroeg naar de plaats gegaan, waar hij had gestaan voor Hasjem. 28Hij keek naar de kant van Sedom en ’Amora en over de hele vlakte, en hij zag hoe rook opsteeg uit de aarde als de rook van een kalkoven. 29En terwijl God de steden van de vlakte verwoestte, herinnerde God zich Avraham en Hij redde Lot van de ondergang, toen Hij de steden, waarin Lot gewoond had, verwoestte. 30Lot trok op uit Tso’ar en vestigde zich in het gebergte met zijn twee dochters, want hij was bang om in Tso’ar te blijven wonen, en hij ging in een grot wonen, hij en zijn twee dochters. 31Toen zei de oudste tegen de jongste: “Onze vader is oud en er is geen man meer over op aarde die bij ons kan komen zoals de gewoonte is op de hele wereld. 32Laten wij onze vader wijn te drinken geven en bij hem gaan liggen zodat wij het zaad van onze vader tot leven brengen. 33Dus gaven zij hun vader die avond wijn te drinken en de oudste kwam en lag bij haar vader en hij merkte niets van haar liggen, noch van haar opstaan. 34En het was de volgende dag dat de oudste tegen de jongste zei: “Zie, gister-avond heb ik bij mijn vader gelegen, laten wij hem ook vanavond wijn te drinken geven en dan ga jij bij hem liggen en zo zullen wij het zaad van onze vader tot leven brengen. 35En zij gaven hun vader ook die avond wijn te drinken en daarop stond de jongste op en ging bij hem liggen en hij merkte niets van haar liggen, noch van haar opstaan. 36Zo werden de beide dochters van Lot zwanger van hun vader. 37De oudste kreeg een zoon en zij noemde hem Moav; hij is de stamvader van Moav tot vandaag. 38En ook de jongste kreeg een zoon en zij noemde hem Ben-‘Ammi; hij is de stamvader van ’Ammon, tot vandaag.


 

1. Rasji schrijft hier dat Lot twee gehuwde dochters had, die in de stad woonden en dat hij ook nog dochters had die bij hem thuis woonden en die verloofd waren.

 

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg zwigold@netvision.net.il

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder

BEREISJIET

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

HOOFDSTUK 25

HOOFDSTUK 26

HOOFDSTUK 27

HOOFDSTUK 28

HOOFDSTUK 29

HOOFDSTUK 30

HOOFDSTUK 31

HOOFDSTUK 32

HOOFDSTUK 33

HOOFDSTUK 34

HOOFDSTUK 35

HOOFDSTUK 36

HOOFDSTUK 37

HOOFDSTUK 38

HOOFDSTUK 39

HOOFDSTUK 40

HOOFDSTUK 41

HOOFDSTUK 42

HOOFDSTUK 43

HOOFDSTUK 44

HOOFDSTUK 45

HOOFDSTUK 46

HOOFDSTUK 47

HOOFDSTUK 48

HOOFDSTUK 49

HOOFDSTUK 50