Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Inhoudsopgave Tanach

 

Home

BEREISJIET (Genesis) – HOOFDSTUK  20

20. 1Avraham reisde van daar naar het Zuiderland en vestigde zich tussen Kadesj en Sjoer en hij bleef tijdelijk in Gerar. 2Avraham zei van Sara, zijn vrouw: “Zij is mijn zuster”, waarop Awimèlech, koning van Gerar, Sara liet halen. 3Toen verscheen God ’s nachts in een droom aan Awimèlech en zei tegen hem: “Nu zul je sterven vanwege deze vrouw die jij genomen hebt, terwijl zij gehuwd is met een man.” 4Maar Awimèlech had nog geen toenadering tot haar gehad en hij zei: “Mijn Heer, zult U dan ook een onschuldig volk doden? 5Heeft hij mij niet zelf gezegd dat zij zijn zuster is? En ook zij heeft gezegd: ‘Hij is mijn broer’; met een onschuldig hart en zuivere handen heb ik dit gedaan.” 6Toen zei God tegen hem in de droom: “Ook Ik weet dat je dit met een onschuldig hart gedaan hebt en Ik heb je er ook van weerhouden om tegen Mij te zondigen. Daarom heb Ik je haar ook niet laten aanraken. 7Laat nu de vrouw van die man terug keren, want hij is een profeet en hij zal voor jou bidden en dan zul je blijven leven. Maar als je haar niet terugstuurt, weet dan dat je zeker zult sterven, jij en al wat van jou is.” 8Awimèlech stond  die ochtend vroeg op en riep al zijn bedienden en hij bracht hun al deze woorden ten gehore en de mensen waren zeer bevreesd. 9Toen liet Awimèlech Avraham roepen en hij zei tegen hem: “Wat heeft u ons aangedaan! En wat voor kwaad heb ik u gedaan, want een grote zonde heeft u over mij en mijn koninkrijk gebracht, gebeurtenissen die nog nooit gebeurd waren heeft u ons aangedaan.” 10En Awimèlech zei tegen Avraham: “Wat is de reden dat u dit gedaan hebt?” 11Avraham antwoordde: “Omdat ik dacht: er is vast geen Godsvrezendheid in deze plaats en dan zullen zij mij vermoorden om mijn vrouw. 12En bovendien, zij is ook in werkelijkheid mijn zuster, de dochter van mijn vader is zij, maar niet de dochter van mijn moeder, en zij werd mijn vrouw. 13En toen God mij liet rondzwerven vanuit mijn vaders huis, zei ik tegen haar: ‘Dit is de gunst die je mij kunt bewijzen: overal waar wij komen, daar moet je zeggen over mij: hij is mijn broer’”. 14Daarop nam Awimèlech kleinvee en rundvee en slaven en slavinnen en gaf die aan Avraham en hij gaf hem Sara, zijn vrouw, terug. 15En Awimèlech zei: “Zie, mijn land ligt voor u, vestig u daar, waar het goed is in uw ogen.” 16En tegen Sara zei hij: “Zie, ik heb duizend zilverstukken aan uw broer gegeven, die zijn voor u om de ogen te sluiten voor ieder die bij u is en tegen ieder zal u gerechtvaardigd zijn. 17En Avraham bad tot God en God genas Awimèlech en diens vrouw en zijn slavinnen, zodat zij weer kinderen konden krijgen, 18want Hasjem had iedere baarmoeder afgesloten in het huis van Awimèlech vanwege de gebeurtenis met Sara, de vrouw van Avraham.

 

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg zwigold@netvision.net.il

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder

BEREISJIET

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

HOOFDSTUK 25

HOOFDSTUK 26

HOOFDSTUK 27

HOOFDSTUK 28

HOOFDSTUK 29

HOOFDSTUK 30

HOOFDSTUK 31

HOOFDSTUK 32

HOOFDSTUK 33

HOOFDSTUK 34

HOOFDSTUK 35

HOOFDSTUK 36

HOOFDSTUK 37

HOOFDSTUK 38

HOOFDSTUK 39

HOOFDSTUK 40

HOOFDSTUK 41

HOOFDSTUK 42

HOOFDSTUK 43

HOOFDSTUK 44

HOOFDSTUK 45

HOOFDSTUK 46

HOOFDSTUK 47

HOOFDSTUK 48

HOOFDSTUK 49

HOOFDSTUK 50