Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Inhoudsopgave Tanach

 

Home

BEREISJIET (Genesis) – HOOFDSTUK  21

21. 1Hasjem bedacht Sara, zoals Hij gezegd had en Hij deed voor Sara zoals Hij gesproken had. 2Sara werd zwanger en baarde Avraham een zoon op zijn oude dag, op de bepaalde tijd die God hem gezegd had. 3Avraham noemde de zoon die hem geboren was, die Sara hem gebaard had, Jitschak. 4Avraham besneed zijn zoon Jitschak toen die acht dagen oud was, zoals God hem bevolen had. 5Avraham was honderd jaar oud toen hem zijn zoon Jitschak geboren werd. 6En Sara zei: “God heeft mij belachelijk gemaakt, ieder die het hoort zal mij uitlachen.” 7En zij zei: “Wie zou tegen Avraham gezegd hebben dat Sara kinderen zal zogen? Want ik heb hem een zoon gebaard op zijn oude dag.” 8Het kind groeide op en werd gespeend en Avraham maakte een groot feest op de dag dat Jitschak gespeend werd. 9Toen Sara de zoon van Hagar de Egyptische, die zij Avraham gebaard had, zag spotten, 10zei ze tegen Avraham: “Stuur deze slavin en haar zoon toch weg, want de zoon van deze slavin zal niet erven samen met mijn zoon, met Jitschak.” 11Dit was een heel slechte zaak in de ogen van Avraham betreffende zijn zoon. 12Maar God zei tegen Avraham: “Laat het in jouw ogen niet slecht zijn voor de jongen en voor jouw slavin, luister naar alles wat Sara tegen je zegt, want via Jitschak zal je nageslacht naam maken. 13En  ook de zoon van de slavin zal Ik tot een volk maken, want hij is jouw kind. 14Avraham stond vroeg in de ochtend op, nam brood, boter en een zak met water en gaf dat aan Hagar, legde dat op haar schouder, evenals het kind en zond haar weg en zij ging heen en dwaalde in de woestijn van Beër-Sjewa. 15Toen de zak met water leeg was, wierp zij het kind onder één van de struiken. 16Zelf ging zij wat verderop zitten, op een boogschot afstand, want zij zei: “Ik kan het niet aanzien als het kind sterft.” En terwijl zij op een afstand zat, huilde zij luidkeels. 17God hoorde de stem van de jongen en een engel van God riep Hagar vanuit de hemel en zei tegen haar: “Wat is er met jou, Hagar, wees niet bang, want God heeft naar de stem van de jongen geluisterd, vanwaar hij nu is. 18Sta op, neem de jongen en houd hem vast met je hand, want Ik maak een groot volk van hem. 19Daarop opende God haar ogen en toen zag zij een waterbron; zij ging erheen, vulde de waterzak en gaf de jongen te drinken. 20God was met de jongen en hij groeide op en vestigde zich in de woestijn en hij werd boog­schutter. 21Hij ging wonen in de woestijn Paran en zijn moeder nam voor hem een vrouw uit Egypte.

22Het gebeurde in diezelfde tijd, dat Awimèlech en Piechol, zijn legeroverste, tegen Avraham zei: God is met u in alles wat u doet. 23Zweer mij hier nu bij God dat u mij en mijn kinderen en mijn kleinkinderen  niet zult bedriegen; zoals ik u genegen­heid heb betoond, doe zo ook met mij en met het land waarin u hebt gelogeerd.” 24En Avraham zei: “Dat zweer ik.” 25Maar Avraham redetwistte met Awimèlech over de waterbron, die de knechten van Awimèlech hadden gestolen. 26Awimèlech zei: “Ik weet niet wie dat gedaan heeft en u heeft mij dat ook niet verteld en tot vandaag had ik er ook niets over gehoord.” 27Avraham nam nu klein- en rundvee en gaf dat aan Awimèlech, waarna zij beiden een verbond sloten. 28Avraham plaatste zeven  schapen van het kleinvee apart. 29Daarop vroeg Awimèlech aan Avraham: “Wat is er met die zeven schapen die u apart gezet heeft?” 30Hierop zei hij: “Opdat u die zeven schapen van mij zult nemen opdat zij voor mij als bewijs dienen dat ik deze bron gegraven heb.” 31Daarom noemt men die plaats Beër Sjewa, want daar hebben zij allebei gezworen[1]. 32Zo sloten zij een verbond in Beër Sjewa en daarna stond Awimèlech op en ook Piechol, zijn legeroverste en zij keerden terug naar het land van de Filistijnen. 33Hij[2] plantte een Tamarisk in Beër Sjewa en hij riep daar de Naam van Hasjem aan, de God van heel de wereld. 34Avraham verbleef lange tijd in het land van de Filistijnen.


 

1. Beër Sjewa kan vertaald worden met ‘bron van de zeven’ maar ook met ‘bron van de eed’

2. Avraham

 

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg zwigold@netvision.net.il

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder

BEREISJIET

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

4

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

HOOFDSTUK 25

HOOFDSTUK 26

HOOFDSTUK 27

HOOFDSTUK 28

HOOFDSTUK 29

HOOFDSTUK 30

HOOFDSTUK 31

HOOFDSTUK 32

HOOFDSTUK 33

HOOFDSTUK 34

HOOFDSTUK 35

HOOFDSTUK 36

HOOFDSTUK 37

HOOFDSTUK 38

HOOFDSTUK 39

HOOFDSTUK 40

HOOFDSTUK 41

HOOFDSTUK 42

HOOFDSTUK 43

HOOFDSTUK 44

HOOFDSTUK 45

HOOFDSTUK 46

HOOFDSTUK 47

HOOFDSTUK 48

HOOFDSTUK 49

HOOFDSTUK 50