Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Inhoudsopgave Tanach

 

Home

BEREISJIET (Genesis) – HOOFDSTUK  24

24. 1Awraham was oud geworden,  gevorderd in jaren, en Hasjem had Awraham met alles gezegend. 2Toen zei Awraham tot de oudste knecht van zijn huis, die alles wat van hem was, bestuurde: „Leg toch je hand onder mijn dij. 3Ik wil je laten zweren bij Hasjem, de God van de he­mel en de God van de aarde, dat je geen vrouw voor mijn zoon zult nemen van de dochters van de Kena’a­nieten, in wier midden ik woon. 4Maar ga naar mijn land en naar mijn geboorteplaats en neem een vrouw voor mijn zoon, voor Jitschak.”

5Daarop zei de knecht: „Misschien zal de vrouw mij niet willen volgen naar dit land, moet ik dan uw zoon terug­brengen naar het land van waaruit u bent vertrokken?” 6Awraham antwoordde hem: „Pas op dat je mijn zoon niet daarnaar terug brengt! 7Hasjem, God van de hemel, die mij uit mijn vadershuis en uit mijn geboorteland genomen heeft en die met mij gesproken heeft en die mij gezworen heeft en gezegd heeft: ‘Aan jouw nako­melingen zal Ik dit land geven’, Hij zal Zijn engel voor jou uit sturen en dan zal je een vrouw voor mijn zoon meene­men. 8Maar indien de vrouw niet met je mee wil gaan, dan zul je verder vrij zijn van deze eed; alleen, breng mijn zoon niet daarheen terug.” 9Daar­op legde de knecht zijn hand onder de dij van Awraham, zijn heer, en zwoer hem omtrent dit. 10Hierop nam de knecht tien kame­len van de kamelen van zijn meester, en ging heen, met allerlei kost­baarheden van zijn heer bij zich en hij begaf zich op weg en ging naar Aram-Naharajim, naar de stad van Nachor. 11Hij liet de kame­len buiten de stad neerknielen, bij een waterput, tegen de avond, omstreeks de tijd dat de vrouwen naar buiten komen om water te scheppen. 12En hij zei: „Hasjem, God van mijn meester Awraham, laat het vandaag voor mij gebeuren en bewijs mijn mees­ter Awraham een gunst. 13Hier sta ik bij een waterbron en de meisjes van de stad komen naar buiten om water te scheppen. 14Laat het zo zijn dat het meisje tegen wie ik zal zeggen: „Laat je kruik eens zakken, zodat ik kan drinken”, en die daarop zal zeggen: „Drink, en ook uw kamelen zal ik te drin­ken geven”, laat die be­stemd zijn voor Uw dienaar Jitschak. Door haar zal ik weten dat U mijn heer gunstig gezind bent.” 15En zie, hij was nauwelijks uit­gesproken, of daar kwam Rivka  naar buiten, de dochter van Betoeël, de zoon van Milka, de vrouw van Nachor, de broer van Awraham, met een kruik op haar schouder. 16Het meisje was heel mooi om te zien, een maagd, geen man had haar nog aangeraakt, en zij daalde af naar de bron, vulde haar kruik en kwam naar boven. 17De knecht rende naar haar toe en zei: „Mag ik alsjeblieft wat water drinken uit je kruik.” 18Zij antwoordde: „Drink, mijn heer,” en vlug liet zij haar kruik op haar hand zakken en gaf hem te drinken. 19Toen zij klaar was met hem te drinken te geven, zei zij: „Ook voor uw kamelen zal ik water scheppen, totdat zij genoeg gedronken hebben.” 20Zij haastte zich om haar kruik over te gieten in de drink­bak en liep vlug nog eens naar de put om water te scheppen en zij schepte voor alle kamelen. 21De man was verbaasd over haar, en vroeg zich in stilte af of Hasjem zijn tocht had doen slagen of niet. 22Toen nu de kamelen klaar waren met drinken, nam de man een gou­den neusring, die een halve sjekel woog, en twee armbanden voor haar han­den, tien sjekel goud in gewicht 23en hij zei: „Wiens dochter ben jij, vertel mij eens, is er in het huis van je vader een plaats voor ons om te over­nachten?” 24Hierop zei zij tegen hem: „Ik ben de dochter van Betoeël, de zoon van Milka, die zij aan Nachor gebaard heeft.” 25En zij zei tegen hem: „Wij hebben meer dan genoeg stroo en voer en we hebben ook plaats om te blijven overnachten.” 26Nu boog de man en wierp zich neer voor Hasjem. 27Hij zei: „Gezegend is Hasjem, de God van mijn meester Awraham, die Zijn gunst en trouw niet ont­houden heeft van mijn meester; en mij heeft Hasjem onderweg geleid naar naar het huis van de bloedverwanten van mijn meester.”

28Snel liep het meisje heen en vertelde thuis, aan haar moeder al deze gebeurtenissen. 29Rivka had een broer, en zijn naam was Lawan. Lawan rende naar buiten naar de man bij de bron. 30Want toen hij de neusring gezien had en de armbanden op zijn zusters armen, en toen hij de woorden van Rivka, zijn zuster, ge­hoord had, toen zij zei: „Zo heeft die man tegen mij gesproken”, toen ging hij naar de man toe, die nog bij de kamelen bij de bron stond. 31Hij zei: „Kom, gezegende door Hasjem, waarom staat u nog buiten terwijl ik in het huis ruimte gemaakt heb en er is ook plaats voor de kamelen.” 32Nu kwam de man naar het huis en maakte de kamelen los en gaf stro en voer aan de kamelen en water om zijn voeten te wassen en voor de voeten van de mensen die bij hem waren. 33Er werd eten voor hem neergezet, maar hij zei: „Ik wil niet eten alvorens ik ge­zegd heb wat ik te zeg­gen heb.” En men zei: „Spreek”. 34Hierop zei hij: „Ik ben de knecht van Awraham. 35Hasjem heeft mijn meester zeer gezegend en hij is groot geworden, en Hij heeft hem kleinvee en rundvee gegeven, en ziver en goud, slaven en slavinnen, kamelen en ezels. 36En Sara, de vrouw van mijn meester, schonk mijn meester een zoon, toen zij al oud was, en heeft hem alles gege­ven wat hij be­zit. 37Mijn meester liet mij als volgt zweren: „Neem geen vrouw voor mijn zoon van de dochters der Kena’a­nieten, in wiens land ik woon. 38Ga daarentegen naar mijn vaders huis, naar mijn familie en neem een vrouw voor mijn zoon.” 39Ik zei tegen mijn meester: „Misschien wil die vrouw niet met mij mee­gaan.” 40Hij zei daarop tegen mij: „Hasjem, wiens weg ik bewandeld heb, zal Zijn engel met jou meesturen, en jouw reis doen slagen; je zult een vrouw voor mijn zoon nemen uit mijn familie, uit mijn vaders huis. 41Je zult pas zijn vrijgesteld van mijn eed, wan­neer je zult bij mijn familie bent gekomen en wanneer men haar jou niet willen meegeven, dan zult je bevrijd zijn van mijn eed.” 42Toen ik vandaag aankwam bij de bron, zei ik: „Hasjem, God van mijn heer Awraham, laat U toch de reis die ik gegaan ben doen slagen. 43Zie, hier sta ik bij de wa­terbron en laat het zo zijn, dat het meisje dat naar buiten komt om water te scheppen en tegen wie ik zal zeggen: „Laat mij toch wat water drinken uit je kruik”, 44en dat tegen mij zal zeggen: „Drink en ook voor uw kamelen zal ik water scheppen”, laat zij de vrouw zijn die Hasjem bestemd heeft voor de zoon van mijn heer.” 45Ik was nog niet in mijzelf uitge­sproken, of daar kwam Rivka naar buiten met haar kruik op haar schouder; zij daalde af naar de bron en ging water scheppen en toen zei ik tegen haar: „Laat mij toch wat drinken.” 46Daarop haastte zij zich om haar kruik te laten zakken en zei: „Drink en ook voor uw kamelen zal ik water scheppen en hen te drinken geven.” En ik dronk en ook de kamelen gaf zij te drinken. 47Daarna vroeg ik haar: „Wiens dochter ben jij?” en zij zei: „Een dochter van Betoeël, de zoon van Nachor, die Malka hem gebaard heeft.” Daarop deed ik de neusring aan haar neus en de armbanden om haar arm. 48Toen boog ik en wierp ik me neer voor Hasjem, en zegende ik Hasjem, de God van mijn meester Awraham, die mij op de juiste weg geleid heeft om de dochter van de broer van mijn meester mee te nemen voor zijn zoon. 49Welnu, indien u liefde en trouw wilt bewijzen aan mijn meester, zeg het mij dan, en zo niet, zeg het mij, opdat ik mij naar rechts of naar links zal kunnen wenden.” 50Toen antwoordde Lawan en Betoeël en zeiden: „Deze zaak is van Hasjem uitgegaan, wij kunnen noch goed, noch slecht tegen u praten. 51Welnu, Rivka staat hier voor u, neem haar mee en ga en laat zij de vrouw worden voor de zoon van uw meester, zoals Hasjem gesproken heeft.” 52Toen de knecht van Awraham deze woorden hoorde, wierp hij zich op de grond voor Hasjem. 53De knecht haalde zilveren en gouden voorwerpen te voorschijn en kleren en gaf die aan Rivkah en aan haar broer en aan haar moeder gaf hij lekkernijen. 54Zij aten en hij dronken, hij en  de mensen die bij hem waren;  en zij overnachtten en stonden de volgende ochtend op en toen zei hij: „Laat mij vertrek­ken naar mijn meester”. 55Daarop zei haar broer en haar moeder: „Laat het meisje blijft nog bij ons blijven, een jaar of tien [maanden] en daarna kan zij gaan. 56Maar hij zei tegen hen: „Houd mij niet op, Hasjem heeft mijn reis doen slagen, laat mij gaan dan kan ik naar mijn heer gaan.” 57Hierop zeiden zij: „Laten wij het meisje roepen en om haar mening vragen.”

58Zij riepen Rivka en zij vroegen haar: „Wil je met deze man meegaan?” En zij zei: „Ik ga mee.”

59Nu deden zij Rivka, hun zuster, en haar min en de knecht van Awraham en zijn mannen uitgeleide. 60Zij zegenden Rivka en zeiden tegen haar: „Onze zuster, moge je tot duizenden en tien­dui­zenden worden en moge jouw nakomelingen de poorten van hen die jou haten innemen.”

61Toen maakte Rivka en haar meisjes zich gereed en reden op de kamelen en volgden de man, en de knecht nam Rivka mee en ging heen.

62Jitschak kwam nu net van een tocht naar Beër-Lachai-Roï – de bron van de Levende Die mij aanschouwd heeft, want hij woonde in het Zui­der­land. 63Jitschak was naar buiten gegaan om te bidden op het veld, tegen het vallen van de avond, toen hij zijn ogen opsloeg en daar zag hij kamelen naderen. 64En ook Rivkah sloeg haar ogen op, en toen zag zij Jitschak en zij liet zich van de kameel afglijden. 65Zij zei tegen de knecht: „Wie is die man die daar in het veld ons tegemoet komt?” En de knecht antwoordde: „Dat is mijn meester.” Daarop nam zij haar sluier en bedekte zich. 66De knecht vertelde nu aan Jitschak alles wat er gebeurd was. 67Jitschak bracht haar naar de tent van Sara, zijn moeder, en hij nam zich Rivka tot vrouw en hij beminde haar en zo troostte Jitschak zich over zijn moeder.

 

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg zwigold@netvision.net.il

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder

BEREISJIET

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

HOOFDSTUK 25

HOOFDSTUK 26

HOOFDSTUK 27

HOOFDSTUK 28

HOOFDSTUK 29

HOOFDSTUK 30

HOOFDSTUK 31

HOOFDSTUK 32

HOOFDSTUK 33

HOOFDSTUK 34

HOOFDSTUK 35

HOOFDSTUK 36

HOOFDSTUK 37

HOOFDSTUK 38

HOOFDSTUK 39

HOOFDSTUK 40

HOOFDSTUK 41

HOOFDSTUK 42

HOOFDSTUK 43

HOOFDSTUK 44

HOOFDSTUK 45

HOOFDSTUK 46

HOOFDSTUK 47

HOOFDSTUK 48

HOOFDSTUK 49

HOOFDSTUK 50