Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Inhoudsopgave Tanach

 

Home

BEREISJIET (Genesis) – HOOFDSTUK  26

26. 1. Er ontstond hongersnood in het land, behalve de eerste hongersnood, die er was geweest in de tijd van Awraham. Toen ging Jitschak naar Awimèlech, de koning van de Filistijnen, naar Gerar. 2. Toen verscheen Hasjem aan hem en zei: „Daal niet af naar Egypte, woon in het land dat Ik je zal zeggen. 3. Verblijf in dit land, dan zal Ik met jou zijn en je zegenen, want aan jou en aan al jouw nakomelingen zal Ik heel dit land geven, en Ik zal de eed die Ik aan Awraham, je vader, gezworen heb, nakomen. 4. En Ik zal je nako­me­lingen doen vermeerderen als de sterren aan de hemel, en Ik zal aan jouw nakomelingen al deze landen geven en alle volken van de aarde zullen zich met jouw nakomelingen zegenen. 5. Omdat Awraham naar Mijn stem geluisterd heeft en Mijn verordeningen, Mijn gebo­den, Mijn wetten en Mijn leringen in acht nam.” (Levi) 6.Jitschak woonde in Gerar. 7. Toen de mannen van die plaats naar zijn vrouw vroegen, zei hij: „Zij is mijn zustert”, want hij vreesde te zeggen: mijn vrouw, „opdat de mannen van die plaats mij niet zullen vermoorden vanwege Rivka, want zij is zeer mooi om te zien.” 8. Het gebeurde toen hij daar reeds lange tijd was dat Awimèlech, de koning van de Filistijnen uit het venster keek, en daar zag hij hoe Jitschak met zijn vrouw Rivka speelde. 9. Daarop riep Awimèlech Jitschak en zei tegen hem: „Maar dat is toch uw vrouw, waarom hebt u ge­zegd: het is mijn zuster?” Hierop zei Jitschak tegen hem: „Opdat ik niet zou sterven wegens haar.” 10. Awimèlech zei hierop: „Wat hebt u ons aangedaan, bijna had er één van het volk met uw vrouw gelegen en had u een schuld op ons geladen.” 11. Daarop gebood Awimè­lech aan  heel het volk en zei: „Wie deze man of zijn vrouw aanraakt, die zal zeker gedood worden.” 12. Jitschak zaaide  in dat land  en verkreeg dat jaar het honderd­voudige, want Hasjem had hem gezegend. (drie) 13. De man werd groot en  hij werd als maar groter, totdat hij zeer groot was. 14. En hij bezat kleinvee en rundvee en een grote slavenstoet en de Filistijnen benijdden hem. 15. Alle putten die de knechten van zijn vader gegraven hadden in de dagen van zijn vader Awraham, hadden de Filistijnen dichtgestopt en met aarde gevuld. 16. Toen zei Awiemèlich tegen Jitschak: „Ga van ons heen, want je bent ons veel te machtig gewor­den. 17. Dus ging Jitschak weg van daar en sloeg zijn kamp op in het dal van Gerar, en daar woonde hij. 18. En Jitschak groef opnieuw de waterputten op die gegraven waren in de dagen van Awraham, zijn vader, en die de Filistijnen na de dood van Awraham hadden dichtgegooid. En hij gaf hen dezelfde namen die zijn vader eraan gegeven had. 19. De knechten van Jitschak groeven in het dal en vonden daar een bron met levend water. 20. Nu maakten de herders uit Gerar ruzie met de herders van Jitschak, door te zeggen: „Het water is van ons”, daarom noemden hij die bron „’Esek” - ruzie - omdat zij er met hem  ruzie over hadden gemaakt. 21. En zij groeven een andere put en zij maakten ook daar ruzie over, en hij noemde die „Sitna” - vijandschap -. 22. Toen brak hij op vandaar en groef een andere bron en daar maakten zij geen ruzie over en hij noemde die „Rechowot” - ruimte - „Want,” zo zei hij,  „nu heeft Hasjem ons ruimte verschaft zodat wij ons kunnen uitbreiden in het land.” (vier) 23. Van daaruit trok hij op naar Beër Sjewa’. 24 Hasjem verscheen aan hem in die nacht en zei: „Ik ben de God van Awraham, je vader. Wees niet bang, want Ik ben bij je en ik zal je zegenen en je nakomelingen talrijk maken, ter wille van Mijn dienaar Awraham. 25. Hij bouwde daar een altaar en riep de Naam van Hasjem aan, en hij sloeg daar zijn tent op. Daar groeven de knechten van Jitschak een put. 26. Awimèlech was uit Gerar naar hem toe geko­men, met zijn vriend Achoezat en Piechol, de opperbevelhebber van zijn leger. 27. Jitschak zei tegen hen: „Waarom zijn jullie naar mij toe gekomen, terwijl jullie mij haten en mij hebben weggezon­den.?” 28. En zij zeiden: „Wij hadden gezien dat Hasjem met u was, en toen zeiden wij: „laat er toch een eed tussen ons zijn, tussen ons en u”, dus laten wij nu een ver­bond met u sluiten, 29. dat u ons geen kwaad zult doen, zoals wij ook u niets aan­gedaan hebben en wij alleen maar goed voor u geweest zijn, en u in vrede hebben lieten heengaan, u, die nu gezegend is door Hasjem.” (vijf) 30. Hij bereidde hun een maaltijd en zij aten en dronken. 31. ’s Ochtends stonden zij vroeg op en legden tegenover elkaar een eed af. Jitschak deed hen uigeleide, en zij gingen in vrede van hem heen. 32. Nog diezelfde dag kwamen de knechten van Jitschak en berichtten hem over de put die zij gegraven hadden, en zij zeiden: „Wij hebben water gevonden.” 33. En hij noemde haar Sjewa’ - eed - daarom heet die stad Beër Sjewa’, tot op de huidige dag. 34. Toen Esav veertig jaar was, nam hij Jehoedit, de dochter van Beëri de Chittiet, en Basmat, de dochter van Eilon, de Chittiet, tot vrouw. 35. Zij waren een bitter verdriet voor Jitschak en Rivka.

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg zwigold@netvision.net.il

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder

BEREISJIET

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

HOOFDSTUK 25

HOOFDSTUK 26

HOOFDSTUK 27

HOOFDSTUK 28

HOOFDSTUK 29

HOOFDSTUK 30

HOOFDSTUK 31

HOOFDSTUK 32

HOOFDSTUK 33

HOOFDSTUK 34

HOOFDSTUK 35

HOOFDSTUK 36

HOOFDSTUK 37

HOOFDSTUK 38

HOOFDSTUK 39

HOOFDSTUK 40

HOOFDSTUK 41

HOOFDSTUK 42

HOOFDSTUK 43

HOOFDSTUK 44

HOOFDSTUK 45

HOOFDSTUK 46

HOOFDSTUK 47

HOOFDSTUK 48

HOOFDSTUK 49

HOOFDSTUK 50