Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Inhoudsopgave Tanach

 

Home

BEREISJIET (Genesis) – HOOFDSTUK  27

27. 1. Toen Jitschak oud werd, en zijn ogen te zwak geworden waren om te zien, riep hij zijn oudste zoon Esav en zei tegen hem: „Mijn zoon,” en die zei: „Hier ben ik.” 2. En hij zei: „Kijk, ik ben oud ge­wor­den, ik ken  de dag van mijn dood niet. 3. Neem nu toch je werk­tuig, je pijlkoker en je boog, ga na buiten, naar het veld en vang wat wild voor mij. 4. en bereid mij iets smakelijks, iets dat ik lekker vind, en breng het mij, zodat ik het kan eten, waarvoor mijn ziel je zal ze­ge­nen voordat ik sterf.” 5. Rivka hoorde hoe Jitschak met zijn zoon Esav sprak, en Esav ging naar het veld om wild te jagen. 6. Toen zei Rivka tegen Ja’akov, haar zoon als volgt: „Zie, ik heb gehoord hoe je vader sprak met Esav, je broer, en hij zei: „Breng mij wild en maak mij iets smakelijks om te eten, dan zal ik je zegenen voor Hasjem, vóór mijn dood.” Welnu, mijn zoon, luister naar mijn stem, naar wat ik jou gebied. 9. Ga naar het kleinvee en neem voor mij daar­van twee goede geitebokjes, dan zal ik daarvan iets smakelijks bereiden voor je vader, iets waarvan hij houdt. 10. Dat breng je dan naar je vader en  dat eet hij en daarvoor zal hij jou zegenen vóór zijn dood.” 11. Daarop zei Ja’akov tegen Rivka, zijn moe­der: „Zie eens, mijn broer Esav is een harige en ik ben een gladde man. 12. Mis­schien zal mijn vader mij betasten en dan zal ik in zijn oogen een bedrieger zijn en dan brengt u een vloek op mij en geen zegen.” 13. Daarop zei zijn moeder: „Jouw vloek zal op mij komen, mijn zoon, maar luister naar mijn stem, ga, haal het mij!” 14. Toen ging hij het halen en bracht het naar zijn moeder en zijn moeder maakte iets sma­kelijks waarvan zijn vader hield. 15. Daarop pakte Rivka de kleren van Esav, haar oudste zoon, de mooiste die bij haren in huis waren, en trok ze Ja’akov, hoor jonste zoon, aan. 16. En de huiden van het geitebokje deed zij om zijn armen en om het gladde deel van zijn hals. 17. Toen gaf zij haar zoon Ja’akov de smakelijke spijzen en het brood dat zij gemaakt had in handen. 18. Hij kwam bij zijn vader en zei: „Vader!” en die zei: „Hier ben ik, wie ben jij, mijn zoon?” En Ja’akov  zei tegen zijn vader: „Ik ben het, Esav, uw oudste zoon, ik heb gemaakt wat u tegen mij gezegd heeft, kom toch overeind en zet u neer en eet van mijn wildgebraad, opdat uw ziel mij zal zegenen.” 20. Maar Jitschak zei tegen zijn zoon: „Dat heb je vlug gevonden, mijn zoon,” en hij zei: „Omdat Hasjem, uw God het mij heeft laten ontmoeten.” 21. Toen zei Jitschak tegen Ja’akov: „Kom eens wat dichter bij zodat ik je kan voelen, mijn zoon, of jij mijn zoon Esav bent of niet.” 22. En Ja’akov kwam dichter bij Jitschak, zijn vader, en die betastte hem en zei: „Het is de stem van Ja’akov maar de handen van Esav.” 23. En hij herkende hem niet, want zijn han­den waren als de handen van Esav, zijn harige broer, en hij zegende hem. 24. En hij zei: „Ben jij dat, mijn zoon Esav?” en hij zei: „Ik ben het.” 25. En hij zei: „Kom toch dichter bij mij en laat mij eten van het wild, mijn zoon, opdat mijn ziel jou zal zegenen.” En hij kwam dichter bij hem en hij at en hij bracht hem wijn en hij dronk. 26. Toen zei Jitschak, zijn vader: „Kom eens hier en kus mij, mijn zoon.” 27. En hij kwam dichter bij en kuste hem en hij rook de reuk van zijn kleren en zegende hem en zei: „Zie, de geur van mijn zoon is als de geur van een  veld, dat Hasjem gezegend heeft. (zes) 28. „En God zal je geven van de dauw van de hemel en van het vette der aarde en een overvloed van koren en most. 29. Volkeren zullen je dienen en zich voor jou neerbuigen. Wees een heerser over je broe­ders en de zonen van je moeder zullen zich voor jou neerbuigen; zij die jou vervloeken zullen vervloekt worden, maar zij die jou zegenen zullen gezegend worden.” 30. Toen Jitschak klaar was met het zege­nen van Ja’akov, toen gebeurde het: Ja’akov was nog maar net weg gegaan van Jitschak, zijn vader, of zijn broer Esav kwam van de jacht. 31. En ook hij bereidde een smakelijke maaltijd en bracht die naar zijn vader en hij zei tegen zijn vader: „Kom overeind, vader, en eet van het wildbraad van uw zoon, opdat uw ziel mij daarvoor zal zege­nen.” 32. En zijn vader Jitschak zei tegen hem: „Wie ben jij?” En hij zei: „Ik ben uw oudste zoon, Esav.” 33. Toen schrok Jitschak enorm en zei: „Wie was het dan die wild gejaagd had en het mij bracht, zodat ik van alles gegeten heb, voordat jij kwam en ik heb hem gezegend - en hij zàl ook gezegend zijn. Toen Esav deze woor­den van zijn vader hoorde, barste hij uit in een luid en bitter geschrei, en zei tegen zijn vader: „Zegen mij ook, vader.” 35. Maar hij zei: „Je broer is met een list gekomen en heeft jouw zegen wegge­nomen.” 36. Hierop zei hij: „Het is hierom dat zijn naam Ja’akov is, reeds tweemaal heeft hij mij een hak gezet: mijn eerstgeboorterecht heeft hij van mij afgenomen en kijk nu eens, nu heeft hij mijn zegen afge­nomen.” En hij zei: „Heeft u voor mij geen zegen meer over?” 37. En Jitschak antwoordde en zei tegen Esav: „Zie, tot heerser heb ik hem over jou aangesteld  en ik heb  hem al jouw broers  als dienaren gegeven, en koren en most ter ondersteuning, dus wat kan ik nog voor jou doen, mijn zoon?” 38. Daarop zei Esav tegen zijn vader: „Heeft u slechts één zegen, vader, zegen mij ook, vader” en Esav verhief zijn stem en huilde. 39. En Jitschak, zijn vader, antwoordde en zei tegen hem: „Wel, verwijderd van het vette der aarde zal je woon­plaats zijn, en verwijderd van de dauw van de hemel. 40. Van je zwaard zul je leven en je broer zul je dienen. Maar wanneer je rus­teloos ronddwaalt zal je zijn juk van je nek verbreken.” 41. Esav haatte Ja’akov vanwege de zegen waarmee zijn vader hem gezegend had en Esav zei bij zichzelf: „De dagen van rouw over mijn vader naderen en dan zal ik mijn broer Ja’akov doden.” 42. Aan Rivka werden de woorden van haar oudste zoon Esav  verteld en daarop liet zij en haar jongste zoon Ja’akov roepen, en zij zei tegen hem: „Kijk eens, je broer Esav wil zich troosten door jou te vermoorden. 43. Welnu, mijn zoon, luister naar mij, maak je gereed en vlucht naar mijn broer Lawan, in Charan. 44. Blijf enige tijd bij hem, totdat de woede van je broer tot bedaren is gekomen. 45. Totdat de boosheid van je broer over jou bedaard is en hij vergeten is wat jij hem gedaan hebt, dan zal ik je bericht sturen en je daar vandaan halen; waarom zou ik jullie beiden moeten verliezen op één dag?” 46. Tegen Jit­schak zei Rivka: „Ik heb genoeg van mijn leven dankzij de dochters van Chet. Als Ja’akov een vrouw neemt van de dochters van Chet zoals deze vrouwen van dit land, waar leef ik dan voor?”

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg zwigold@netvision.net.il

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder

BEREISJIET

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

HOOFDSTUK 25

HOOFDSTUK 26

HOOFDSTUK 27

HOOFDSTUK 28

HOOFDSTUK 29

HOOFDSTUK 30

HOOFDSTUK 31

HOOFDSTUK 32

HOOFDSTUK 33

HOOFDSTUK 34

HOOFDSTUK 35

HOOFDSTUK 36

HOOFDSTUK 37

HOOFDSTUK 38

HOOFDSTUK 39

HOOFDSTUK 40

HOOFDSTUK 41

HOOFDSTUK 42

HOOFDSTUK 43

HOOFDSTUK 44

HOOFDSTUK 45

HOOFDSTUK 46

HOOFDSTUK 47

HOOFDSTUK 48

HOOFDSTUK 49

HOOFDSTUK 50