Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Inhoudsopgave Tanach

 

Home

BEREISJIET (Genesis) – HOOFDSTUK  29

29. 1Daarna tilde Ja’akov zijn voeten op en ging naar het land van de oosterlingen. 2Hij keek rond en kijk, een waterput in het veld en zie­daar, drie kudden kleinvee waren daarnaast gelegen, want uit die put gaf men de kudden te drinken en de steen op de opening van de put was groot. 3Wanneer al de kudden zich daar verzameld hadden, dan rolde men de steen van de opening van de put en gaf men het kleinvee te drinken; daarna legde men de steen weer terug op zijn plaats, op de opening van de put­. 4Ja’akov zei tegen hen: „Broeders, waar komen jullie van­daan?” En zij zeiden: „Wij komen uit Charan.” 5Daarop zei hij tegen hen: „Kennen jullie Lawan, de zoon van Nachor?” Zei antwoordden: „Die kennen we.” 6Daarop zei hij tegen hen: „Hoe gaat het met hem?” En zei zeiden: „Het gaat goed met hem. Kijk, daar komt zijn dochter Racheel met het kleinvee.” 7Hij zei: „Kijk, de dag is nog lang, het is nog geen tijd om het vee bijeen te drijven. Drenk het kleinvee, gaat heen en weidt het.” 8Maar zij zeiden: „Dat kunnen wij niet, voordat alle kudden bijeen zijn, pas dan kunnen wij de steen van de putopening afrollen en het kleinvee te drinken geven.” 9Ter­wijl hij nog met hen sprak, was Racheel gekomen met het klein­vee van haar vader, want zij was een herderin. 10En het gebeurde, toen Ja’akov Racheel, de dochter van Lawan, de broer van zijn moeder zag en het kleinvee van Lawan, de broer van zijn moeder, kwam Ja’akov naderbij en wentelde de steen van de opening van de put af en gaf het kleinvee van Lawan, de broer van zijn moeder, te drinken. 11Daarna kuste Ja’akov Racheel, verhief zijn stem en liet zijn tranen de vrije loop. 12Toen vertelde Ja’akov dat hij familie van haar vader was, de zoon van Rivka. Daarop rende zij weg en vertelde het aan haar vader. 13Toen Lawan het bericht over Ja’akov, de zoon van zijn zuster, hoorde, rende hij hem tegemoet en omhelsde hem en kustte hem en bracht hem naar zijn huis. Hij vertelde aan Lawan al zijn weder­waar­digheden. 14Nu zei Lawan tegen hem: „Je bent toch van mijn eigen vlees en bloed!” Zo bleef hij een volle maand bij hem wonen. 15Daarna zei Lawan tegen Ja’akov: „Omdat je familie bent, hoef je toch niet gratis voor mij te werken? Zeg me maar, wat je loon moet zijn” 16Nu had Lawan twee dochters, de oudste heette Lea en de jongste heette Racheel. 17De ogen van Lea waren zacht maar Racheel had een mooi figuur en was knap van uiterlijk.

18Ja’akov beminde Racheel daarom zei hij: „Ik zal u zeven jaar voor u werken, voor uw jongste dochter Racheel.” 19„Het is beter,” zei Lawan, „dat ik haar aan jou geef, dan dat ik haar aan een andere man geef, blijf bij mij.” 20Zo werkte Ja’akov zeven jaar voor Racheel, en het scheen hem toe alsof het slechts enkele dagen waren, omdat hij van haar hield. 21Toen zei Ja’akov tegen Lawan: „Geef mij nu mijn vrouw, want de tijd is aangebroken dat ik met haar kan samen­leven. 22Nu verzamelde Lawan alle mensen van die plaats en maakte een feestmaal.

23Toen het avond was, nam hij zijn dochter Lea, en bracht haar naar hem toe en hij sliep bij haar. 24Lawan gaf zijn slavin Zilpa aan zijn dochter Lea als haar slavin. 25Toen het ochtend werd, bleek het Lea te zijn en hij zei tegen Lawan: „Wat heeft u me nu gedaan, heb ik niet voor Racheel bij u gewerkt, waar­om heeft u mij bedrogen?” 26Hierop zei Lawan: „Het is niet de gewoonte bij ons in de plaats om de jongste vóór de oudste weg te geven. 27Maak de week vol met deze en dan zal ik je die andere geven voor het werk dat je voor mij gedurende nóg zeven jaar zult doen. 28Dat deed Ja’akov en hij maakte die week vol en daarna gaf hij hem zijn dochter Racheel tot vrouw. 29Lawan gaf zijn slavin Bilha als slavin aan zijn docher Racheel. 30Hij kwam ook bij Racheel en hij hield zelfs meer van Racheel dan van Lea; Ja’akov werkte nog eens zeven jaren voor hem. 31Hasjem zag nu dat Lea gehaat was en toen opende Hij haar baarmoeder, maar Racheel bleef onvruchtbaar.

32Lea werd zwanger en kreeg een zoon en zij noemde hem Reoeween  – zie, een zoon –, „want,” zei ze, „Hasjem heeft mijn ellende gehoord, maar nu zal mijn man mij beminnen.” 33Zij werd nogmaals zwanger en kreeg een zoon en ze zei: „Omdat Hasjem gezien heeft dat ik gehaat ben, heeft Hij mij er nog een gegeven,” en zij noemde hem Sjim’on – die verhoord werd. 34En zij werd nogmaals zwanger en kreeg een zoon en zij zei: „Nu zal deze keer mijn man mij wel willen vergezellen, want ik heb hem drie zonen gegeven.” Daarom noemde Hij hem Levie – de gezel. 35En zij werd opnieuw zwanger en kreeg een zoon en zij zei: „Deze keer wil ik Hasjem danken, daarom noemde zij hem Jehoeda – de dankbare. Daarna stopte zij met het krijgen van kinderen.

 

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg zwigold@netvision.net.il

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder

BEREISJIET

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

HOOFDSTUK 25

HOOFDSTUK 26

HOOFDSTUK 27

HOOFDSTUK 28

HOOFDSTUK 29

HOOFDSTUK 30

HOOFDSTUK 31

HOOFDSTUK 32

HOOFDSTUK 33

HOOFDSTUK 34

HOOFDSTUK 35

HOOFDSTUK 36

HOOFDSTUK 37

HOOFDSTUK 38

HOOFDSTUK 39

HOOFDSTUK 40

HOOFDSTUK 41

HOOFDSTUK 42

HOOFDSTUK 43

HOOFDSTUK 44

HOOFDSTUK 45

HOOFDSTUK 46

HOOFDSTUK 47

HOOFDSTUK 48

HOOFDSTUK 49

HOOFDSTUK 50