Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Inhoudsopgave Tanach

 

Home

BEREISJIET (Genesis) – HOOFDSTUK  30

30. 1Toen Racheel zag dat zij Ja’akov geen kinderen kon geven, werd Racheel jaloers op haar zuster en zei tegen Ja’akov: „Geef mij toch kinderen, anders ga ik dood.” 2Nu werd Ja’akov boos op Racheel en zei: „Kan ik de plaats van G-d innemen die jouw de vrucht van je schoot heeft onthouden?” 3Hierop zei zij: „Hier is mijn dienstmeid Bilha, heb gemeenschap met haar en dan zal zij op mijn knieën baren, zodat ook ik via haar een kind krijg. 4Daarop gaf zij hem haar slavin Bilha tot vrouw en Ja’akov sliep bij haar. 5Bilhah werd zwanger en baarde Ja’akov een zoon. 6En Racheel zei: „G-d heeft over mij recht gesproken en ook geluisterd naar mijn stem en mij een zoon gegeven. Daarom noemde zij hem Dan – Hij spreekt recht. 7 Bilha, de slavin van Racheel, werd nog­maals zwanger en baarde een tweede zoon voor Ja’akov. 8En Racheel zei: „Ik heb G-d met gebeden gesmeekt voor mijn zuster, en ik heb ook overwonnen.” En zij noemde hem Naftali - mijn worsteling – mijn smeken. 9Toen Lea zag dat zij geen kinderen meer kon krijgen, nam zij haar slavin Zilpa, en gaf haar aan Ja’akov als vrouw. 10En Zilpah, de slavin van Lea, baarde aan Ja’akov een zoon. 11Leah zei: „Het geluk is gekomen.” Daarom zij noemde hem Gad – geluk. 12Zilpa, de slavin van Lea, kreeg nog een zoon van Ja’akov. 13En Leah zei: „Tot mijn blijdschap, want nu zullen de vrouwen blij voor mij zijn, en zij noemde hem Asjer – blijdschap.

14Eens ging Reoeween er op uit in de tijd van de tarweoogst, en hij vond alruinen op het veld en die bracht hij naar zijn moeder Lea. Toen zei Racheel tegen Lea: „Geef mij van die alruinen van je zoon.” 15Zij antwoordde haar echter: „Is het niet genoeg dat je mijn man van mij hebt afgenomen, en nu wil je ook nog de alruinen van mijn zoon afnemen?” Maar Racheel zei: „Dan mag hij vannacht bij jou liggen, in ruil voor de alruinen van je zoon.” 16Toen Ja’akov die avond van het veld kwam, ging Lea hem tegemoet en zei: „Je moet bij mij komen, want ik heb je als be­lo­ning verdiend voor de alruinen van mijn zoon.” Die nacht lag hij bij haar. 17G-d verhoorde Lea en zij werd zwanger en zij baar­de aan Ja’akov de vijfde zoon. 18En Lea zei: „G-d heeft mij be­loond, omdat ik mijn slavin aan mijn man gegeven heb, en zij noem­de hem Jissachar – er is beloning. 19Lea werd opnieuw zwan­ger en zij baarde Ja’akov een zesde zoon. 20En Lea zei: „G-d heeft mij een mooi geschenk geschonken, deze keer zal mijn man bij mij komen wonen, want ik heb hem zes zonen gebaard.” En zij noem­de hem Zewoelon – geschenk. 21Daarna kreeg zij een dochter en zij noemde haar Dina – haar oordeel.

22Toen dacht G-d aan Racheel en G-d verhoorde haar en opende haar baar­moeder. 23Zij werd zwanger en kreeg een zoon en ze zei: „G-d heeft mijn schan­de weg­genomen.” 24En zij noemde hen Joseef – hij zal toevoegen – terwijl ze zei: „Hasjem zal mij nog een zoon toevoegen.” 25Het ge­beurde, toen Racheel Joseef ter wereld had gebracht, dat Ja’akov tegen Lawan zei: „Laat mij vertrekken zodat ik naar mijn eigen plaats en naar mijn eigen land kan gaan. 26Geef mij mijn vrouwen en mijn kinderen, waarvoor ik bij u gewerkt heb, en dan ga ik heen, want u weet hoe ik bij u gewerkt heb.” 27Lawan antwoordde hem: „Ik hoop dat ik gunst gevonden hebben in je ogen, want ik meen ontdekt te hebben dat Hasjem mij gezegend heeft, ter wille van jou.” 28Verder zei hij: „Stel je loon maar voor mij vast, dan zal ik je dat betalen.” 29Hierop zei hij tegen hem: „U weet hoe ik u gediend heb en hoeveel vee u bij mij was. 30Want u had maar weing vóór mij en het heeft zich zeer uitge­breid, en Hasjem heeft u gezegend nadat ik hier mijn voeten heb neergezet; en wanneer zal ik nu ook voor mijn eigen huisgezin kun­nen werken?” 31Hij antwoordde: „Wat zal ik je geven?” En Ja’akov zei: „Geef mij niets, indien u voor mij het volgende wilt doen, dan zal ik uw kleinvee weer weiden en hoeden. 32Ik zal vandaag al uw klein­vee langsgaan, om daaruit elk gestippeld en gevlekt lam en ieder donkerkleurig lam onder de schapen en elk gevlekt en gestippeld  geitje te verwijderen, en zo zal mijn loon zijn. 33Dan zal mijn recht­vaardigheid op zekere dag voor mij spreken, wanneer u zult komen voor mijn loon: alles wat niet gestippeld of gevlekt is onder de geiten of donker gekleurd onder de schapen, dat is door diefstal bij mij ge­komen.” 34„Goed,” zei Lawan, „het zal gebeuren zoals je gezegd hebt.” 35Die dag verwijderde hij de gestreepte en gevlekte bokken en al de gestippelde en gevlekte geiten, alles waar wit aan zat en al het donker gekleurde onder de schapen, en hij overhandigde die aan zijn zonen. 36En hij hield een afstand van drie dagen tussen hem en tussen Ja’akov; en Ja’akov weidde het overige vee van Lawan. 37Toen nam Ja’akov een stok van een witte jonge berk en van een hazelaar en een plataan en daar schilde hij witte strepen op, door het wit van de stok te ontbloten.  38Nu plaatste hij de stokken die hij geschild had, in de goten en drink­troggen met water, waar het kleinvee naartoe kwam om te drinken tegenover het kleinvee, zodat zij bronstig wer­den als het kwam drinken. 39En doordat het kleinvee bronstig werd tegenover de stok­ken, wierp het ge­streepten, gestip­pel­den en gevlekten. 40De schapen zonderde Ja’akov af en hij richtte het kleinvee met hun ge­zicht in de richting van de gestreepten en de geheel donkeren onder het kleinvee van Lawan en zo maakte hij zich speciale kuddes, die hij niet zette bij het kleinvee van Lawan. 41En telkens wanneer het kleinvee, dat vroeg wierp, bronstig werd, zette Ja’akov de stokken voor de ogen van het kleinvee in hun goten, op­dat zij bronstig zouden wor­den door de stokken. 42Maar wanneer het kleinvee laat wierp, plaatste hij ze niet. Zo waren de tragen voor Lawan en de vluggen voor Ja’akov. 43De man breidde zich enorm uit en hij kreeg veel kleinvee en slavinnen en slaven, ka­me­len en ezels.

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg zwigold@netvision.net.il

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder

BEREISJIET

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

HOOFDSTUK 25

HOOFDSTUK 26

HOOFDSTUK 27

HOOFDSTUK 28

HOOFDSTUK 29

HOOFDSTUK 30

HOOFDSTUK 31

HOOFDSTUK 32

HOOFDSTUK 33

HOOFDSTUK 34

HOOFDSTUK 35

HOOFDSTUK 36

HOOFDSTUK 37

HOOFDSTUK 38

HOOFDSTUK 39

HOOFDSTUK 40

HOOFDSTUK 41

HOOFDSTUK 42

HOOFDSTUK 43

HOOFDSTUK 44

HOOFDSTUK 45

HOOFDSTUK 46

HOOFDSTUK 47

HOOFDSTUK 48

HOOFDSTUK 49

HOOFDSTUK 50