Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Inhoudsopgave Tanach

 

Home

BEREISJIET (Genesis) – HOOFDSTUK  31

31. 1Toen hoorde hij de woorden van de zonen van Lawan, die zeiden: „Ja’akov heeft alles wat van onze vader is, afgenomen, en van al wat van onze vader is, heeft hij zich deze rijkdom verworven.” 2En Ja’akov zag ook het gezicht van Lawan, en die gedroeg zich niet meer tegenover hem als voorheen. 3Toen zei Hasjem tegen Ja’akov: „Keer terug naar het land van je vaderen en naar je geboorteland, dan zal Ik met je zijn.” 4Ja’akov liet nu Racheel en Lea naar het veld, naar het kleinvee roepen. 5Hij zei tegen hen: „Ik heb het gezicht van jullie vader gezien en hij gedraagt zich niet meer tegenover mij als voorheen, maar de G-d van mijn vader was met mij. 6Jullie weten dat ik jullie vader met al mijn kracht heb gediend, 7maar jullie vader heeft mij bedrogen en mijn loon tien keer veranderd, maar G-d liet hem mij geen kwaad doen. 8Wanneer hij zei: ‘De gespikkelden zullen je loon zijn’ dan wierp al het kleinvee gespikkelden, en als hij zei: ‘De gevlekten zullen je loon zijn,’ dan wierp al het kleinvee gevlekten. 9Zo nam G-d het vee van jullie vader, en gaf het mij. 10Het gebeurde eens dat toen het kleinvee bronstig was, dat ik mijn ogen opsloeg en in een droom zag hoe de bokken die op het kleinvee sprongen, gestreept, gestippeld en gespikkeld waren. 11En een engel van G-d zei tegen mij in een droom: ‘Ja’akov’, en ik zei: ‘Hier ben ik’. 12En hij zei: ‘Sla je ogen eens op, en kijk, al de bokken die op het kleinvee springen, zijn ge­streept, gestippeld of gespikkeld, want ik heb alles gezien wat Lawan je heeft aangedaan. 13Ik ben de G-d van Beit-El, waar jij een gedenksteen met olie overgoten hebt, waar je Mij een gelofte gedaan hebt; welnu, maak je gereed en ga weg uit dit land en keer terug naar je geboorteland.’ ” 14Racheel en Lea antwoordden en zeiden tegen hem: „Hebben wij dan nog een aandeel of erfdeel in het huis van onze vader? 15Worden wij niet door hem als vreem­den beschouwd, hij heeft ons toch verkocht en zelfs ons geld heeft hij verbruikt? 16Echter heel de rijkdom die G-d van onze vader heeft afgenomen, is van ons en van onze kinderen. En nu, alles wat G-d tegen je zegt, dat moet je doen.” 17Nu maakte Ja’akov zich gereed en zette zijn kinderen en zijn vrouwen op de kamelen. 18En hij nam al zijn vee en al zijn bezittingen, die hij verkregen had – het vee dat hij aangeschaft had, dat hij verworven had in Padan Aram – mee, om naar zijn vader Jitschak te gaan, naar het land Kena’an. 19Toen Lawan was weg gegaan om zijn kleinvee te scheren, stal Racheel de afgods­beelden van haar vader. 20Ja’akov misleidde de Arameër Lawan, door hem niet te vertellen dat hij er vandoor ging. 21Hij vluchtte met alles wat hij had, en hij trok op en doorwaadde de rivier en ging in de richting van de berg Gil’ad. 22Op de derde dag werd aan Lawan ver­teld dat Ja’akov gevlucht was. 23Hij nam daarop zijn familie mee en achtervolgde hem zeven dagreizen; hij haalde hem in op de berg Gil’ad. 24Die nacht verscheen G-d aan de Arameër Lawan in een droom en zei tegen hem: „Pas op dat je tegen Ja’akov noch iets goeds noch iets kwaads zegt.” 25Toen Lawan Ja’akov inhaalde, had Ja’akov zijn tent opgeslagen op de berg, terwijl Lawan gelegerd was bij zijn familie op de berg Gil’ad. 26Toen zei Lawan tegen Ja’akov: „Wat heb je mij aangedaan en mij misleid door mijn dochters als krijgsgevangenen weg te voeren? 27Waarom ben je in het geheim gevlucht en heb je mij bedrogen en heb je het mij niet ver­teld. Dan had ik je met vreugde en liederen, met tamboerijn en harp uitgeleide gedaan. 28Je hebt mij niet eens toegestaan mijn zonen en dochters te kussen. Welnu, je hebt dwaas gehandeld. 29Ik heb het in de hand om je kwaad te doen, maar de G-d van je vaderen  zei mij gister­nacht: „Pas op dat je tegen Ja’akov noch iets goeds noch iets kwaads zegt.” 30Je bent dan wel weggegaan omdat je zo sterk ver­langde naar het huis van je vader, maar waarom heb je dan mijn afgods­beelden gestolen?” 31Daarop antwoordde Ja’akov en zei tegen Lawan: „Omdat ik bang was want ik zei bij mijzelf: misschien zult u uw dochters van mij roven. 32Diegene, bij wie u uw afgoden vindt, die zal niet in leven blijven. In het bijzijn  van onze familie kunt u zich ervan vergewissen. Wat zich bij mij bevindt, neem dat mee.” Ja’akov wist niet dat Racheel ze gestolen had. 33Hierop ging Lawan de tent van Ja’akov binnen en de tent van Lea en de tent van de twee slavinnen, maar hij vond niets. Toen hij de tent van Lea uitkwam ging hij de tent van Racheel in. 34Racheel had de afgodsbeeldjes genomen en ze in het zadelkussen van de kameel gestopt en daar zat zij bovenop. Lawan doortastte heel de tent, maar vond niets. 35Toen zei zij tegen haar vader: „Laat mijn heer niet kwaad worden, dat ik niet kan opstaan, maar ik ben ongesteld.” Hij zocht maar vond de afgodsbeeldjes niet. 36Toen werd Ja’akov kwaad en viel uit tegen Lawan en Ja’akov antwoordde en zei tegen Lawan: „Wat heb ik misdaan, wat heb ik misdreven, dat u mij heeft achterna gejaagd. 37U heeft nu al mijn voorwerpen betast en wat heeft u gevonden van al de voorwerpen van uw huis? Leg ze hier neer voor de ogen van al mijn bloedverwan­ten en uw bloedverwanten opdat zij beslissen tussen ons. 38Gedu­rende deze twintig jaar dat ik bij u was, hebben uw schapen en geiten niet misgeworpen en de rammen van uw kleinvee heb ik niet opgege­ten. 39Wat verscheurd was heb ik niet naar u toe gebracht, ik moest ervoor boeten, uit mijn hand eiste u het op, of het nu overdag of ’s nachts gestolen was. 40Overdag verteerde mij de hitte en ’s nachts was er de kou, zodat ik niet kon slapen. 41Gedurende deze twintig jaar dat ik bij u in huis was, heb ik u gediend, veertien jaar voor uw twee dochters en zes jaar voor uw kleinvee, en mijn loon heeft u tien maal veranderd. 42Als de G-d van mijn vader, de G-d van Awraham en de Gevreesde van Jitschak niet met mij was, dat had u mij nu met lege handen weggestuurd. Mijn ellende en de arbeid van mijn handen heeft G-d gezien en gisternacht heeft Hij de beslissing genomen.” 43Hierop antwoordde Lawan en zei tegen Ja’akov: „De dochters zijn mijn dochters en de zonen zijn mijn zonen en het kleinvee is mijn kleinvee en alles wat je ziet, dat is van mij, maar mijn dochters, hoe zou ik hen nu wat kunnen aandoen of hun zonen, die zij gekre­gen hebben!

44Welnu, laten wij een verbond sluiten, ik en jij, en dat zal als een getuigenis zijn tussen mij en jou.” 45Daarop pakte Ja’akov een steen en richtte hem op tot gedenksteen. 46En Ja’akov zei tegen zijn ­verwanten: „Verzamel stenen” en zij verzamelden stenen en zij stapelden ze op tot een steenhoop; en zij  aten op de hoop. 47Lawan noemde het Jegar Sahadoeta en Ja’akov noemde het Gal’eed. 48Lawan zei: „Deze hoop is heden getuige tussen jou en mij;” daarom noemt men hem Gal’eed – hoop van getuige –, 49en ook Mitspa, want hij zei: „Hasjem zal de wacht houden tussen jou en mij, wanneer wij ons voor elkaar verbergen. 50Wanneer je mijn dochters zou kwellen of wanneer je andere vrouwen zou nemen behalve mijn dochters, terwijl er geen mens bij ons is, kijk, dan is Hasjem getuige tussen jou en mij.” 51En Lawan vervolgde tegen Ja’akov: „Kijk, deze hoop en deze gedenksteen die ik opge­worpen heb tussen jou en mij, 52deze steenhoop zal getuigen en deze ge­denksteen zal getuigen dat ik niet deze hoop zal voorbijtrekken naar jou toe en dat jij niet deze hoop en deze gedenksteen zal voorbijtrekken naar mij toe, met kwade bedoelingen. 53De G-d van Awraham en de god van Nachor, de god van hun vader zullen rechtspreken tussen ons.” En Ja’akov zwoor bij de Gevreesde van zijn vader. 54Ja’akov slacht­te een dier op de berg en riep zijn bloedverwanten om de maaltijd te gebruiken. En zij aten een maaltijd en overnachtten op de berg.

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg zwigold@netvision.net.il

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder

BEREISJIET

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

HOOFDSTUK 25

HOOFDSTUK 26

HOOFDSTUK 27

HOOFDSTUK 28

HOOFDSTUK 29

HOOFDSTUK 30

HOOFDSTUK 31

HOOFDSTUK 32

HOOFDSTUK 33

HOOFDSTUK 34

HOOFDSTUK 35

HOOFDSTUK 36

HOOFDSTUK 37

HOOFDSTUK 38

HOOFDSTUK 39

HOOFDSTUK 40

HOOFDSTUK 41

HOOFDSTUK 42

HOOFDSTUK 43

HOOFDSTUK 44

HOOFDSTUK 45

HOOFDSTUK 46

HOOFDSTUK 47

HOOFDSTUK 48

HOOFDSTUK 49

HOOFDSTUK 50