Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Inhoudsopgave Tanach

 

Home

BEREISJIET (Genesis) – HOOFDSTUK  32

32. 1Vroeg in de ochtend kuste Lawan zijn zonen en dochters, zegen­de hen en ging heen en hij keerde terug naar zijn woonplaats. 2Ook Ja’akov ging zijns weegs en de engelen van G-d ontmoetten hem. 3En Ja’akov zei toen hij hen zag: „Dit is een legerkamp van G-d.” En hij noemde die plaats Machanajim.

4Ja’akov zond afgezanten voor hem uit naar Esav, zijn broer, naar het land Sé’ir, naar het veld van Edom. 5Hij gebood hen te zeggen: „Aldus zullen jullie spreken tegen mijn heer, tegen Esav: ‘Dit heeft uw dienaar Ja’akov gezegd: Ik heb tijdelijk bij Lavan gewoond, en ik ben daar tot nu toe opgehouden. 6Ik heb er ossen, ezels en kleinvee verworven, en slaven en slavinnen, en nu zend ik om het mijn heer mede te delen, om gunst te verkrijgen in uw ogen.’ ” 7Toen de afgezanten terugkwamen bij Ja’akov, zeiden zei: „Wij zijn bij uw broer Esav geweest en hij komt u ook tegemoet met vierhonderd man bij zich.” 8Nu werd Ja’akov zeer bang, hij kreeg het benauwd en hij splitste het volk dat bij hem was en het klein­vee en de runderen en kamelen in twee kampen. 9Want hij zei: „Als Esav naar het ene kamp komt en het verslaat, dan kan het kamp dat overblijft nog ontkomen.” 10Toen zei Ja’akov: „G-d van mijn vader Avraham en G-d van mijn vader Jitschak, Hasjem, die tegen mij ge­zegd heeft: ‘keer terug naar je land en naar je geboorteplaats, en Ik zal zorgen dat het je goed gaat’, 11ik ben te gering voor al Uw wel­daden en voor al Uw trouw die U Uw dienaar bewezen heeft, want met mijn stok ben ik deze Jordaan overgestoken, en nu besta ik uit twee kampementen. 12Redt mij toch uit de handen van mijn broer Esav, want ik ben bang voor hem, dat hij zal komen en de moe­ders met hun kinderen  zal neerslaan. 13U heeft toch gezegd: ‘Ik zal je veel goeds doen en Ik zal je nakomelingen [zo talrijk] maken als het zand van de zee, zodat het niet te tellen zal zijn, zo talrijk zal het zijn. 14Hij overnachtte daar die nacht en hij nam van hetgeen hij ver­kregen had een geschenk voor zijn broer Esav. 15Tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd schapen en twintig rammen. 16Dertig zogende kamelen met hun jongen, veertig koeien en tien stieren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels. 17Hij gaf die aan zijn bedienden in afzonderlijke kudden, en hij zei tegen zijn bedienden: „Ga voor mij uit en laat een ruimte tussen iedere kudde.” 18Hij gebood de eerste als volgt: „Wanneer je mijn broer Esav ontmoet en hij  vraagt: „Van wie ben jij en waar ga je heen en van wie zijn deze daar vóór jou?” 19dan antwoordt je: „Dit is van uw dienaar, van Ja’akov, een geschenk is het, het is gezonden aan mijn heer, aan Esav, en hijzelf komt ook achter ons aan.” 20Zo gebood hij ook de tweede en ook de derde en allen die achter de kudden aan gingen, om het volgende te zeg­gen: „Deze woorden moeten jullie ook tegen Esav zeggen wanneer jullie hem vinden. 21Jullie moeten zeggen: ‘Zie, ook uw dienaar Ja’akov komt achter ons aan.’ ” Want hij dacht: ik wil hem verzoenen met een geschenk dat voor mij uitgaat en pas daarna wil ik hem on­der ogen komen, misschien is hij mij dan gunstig gezind. 22Het geschenk trok voor hem uit en hij overnachtte die nacht in het leger­kamp. 23Maar ’s nachts stond hij op en nam zijn twee vrouwen en zijn beide slavinnen en zijn elf kinderen en stak op een doorwaad­bare plaats de Jabok over. 24Hij nam hen mee  en zette hen de beek over en hij bracht ook al wat hij bezat naar de overkant. 25Ja’akov bleef alleen achter; toen worstelde een man met hem tot het aanbreken van de dageraad. 26Toen die zag dat hij hem niet aan kon, greep hij hem bij zijn heupgewricht en ontwrichtte het heup­gewricht van Ja’akov tijdens zijn worsteling met hem. 27En hij zei: „Laat mij gaan, want de ochtend breekt aan”. Maar hij zei: „Ik laat u niet gaan als u mij niet zegent.” 28Hierop zei hij tegen hem: „Hoe is uw naam?” en hij zei: „Ja’akov”. 29En hij zei: „Voortaan zal uw naam niet meer Ja’akov zijn maar Israël - Strijder voor G-d - want u hebt gestreden met G‑d en mensen en u hebt overwonnen.” 30Toen vroeg Ja’akov: „Vertel mij toch hoe uw naam is,” maar hij zei: „Waar­­­om vraagt u mij naar mijn naam?” En hij zegende hem daar. 31En Ja’akov noemde de naam van de plaats Peniëel – het gezicht van G-d – want „ik heb oog in oog gestaan met G-d, en toch ben ik in leven gebleven.” 32Toen de zon hem bescheen nadat hij Peniëel voorbij was getrokken, hinkte hij, mank aan zijn heup. 33Daarom eten de Isrëlieten tot de dag vanvandaag niet de verwrongen zenuwstreng die over het heupge­wricht loopt, omdat hij het heupgewricht van Ja’akov had getroffen aan de verwrongen zenuwstreng.

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg zwigold@netvision.net.il

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder

BEREISJIET

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

HOOFDSTUK 25

HOOFDSTUK 26

HOOFDSTUK 27

HOOFDSTUK 28

HOOFDSTUK 29

HOOFDSTUK 30

HOOFDSTUK 31

HOOFDSTUK 32

HOOFDSTUK 33

HOOFDSTUK 34

HOOFDSTUK 35

HOOFDSTUK 36

HOOFDSTUK 37

HOOFDSTUK 38

HOOFDSTUK 39

HOOFDSTUK 40

HOOFDSTUK 41

HOOFDSTUK 42

HOOFDSTUK 43

HOOFDSTUK 44

HOOFDSTUK 45

HOOFDSTUK 46

HOOFDSTUK 47

HOOFDSTUK 48

HOOFDSTUK 49

HOOFDSTUK 50