Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Inhoudsopgave Tanach

 

Home

BEREISJIET (Genesis) – HOOFDSTUK 33

33. 1Toen Ja’akov opkeek, zag hij daar Esav  aankomen met vierhonderd man bij zich. Meteen verdeelde hij de kinderen onder Lea en Racheel en de twee slavinnen. 2Hij plaatste de slavinnen en hun kinderen voorop, daarachter Lea met haar kinderen en Racheel met Joseef achteraan. 3. Hij ging voor hen uit en wierp zich zeven maal op de aarde, totdat hij zijn broer genaderd was. 4. Esav snelde hem tege­moet en omhelsde hem en viel hem om zijn hals en kuste hem en zij huilden. 5. Toen sloeg hij zijn ogen op en zag hij de vrouwen en kinderen en hij zei: „Wie heb je daar?” en hij zei: „De kinderen waarmee G-d uw dienaar mij begunstigd heeft.” 6. Toen traden de slavinnen dichterbij, zij en hun kinderen, wierpen zich ter aarde. 7. Hierop trad ook Lea en haar kinderen naderbij en zij wierpen zich ter aarde en daarachter kwam Joseef met Racheel en zij wierpen zich ter aarde. 8. Toen zei hij: „Waartoe dient dit hele leger jou, dat ik ontmoet heb?” En hij zei: „Om gunst te vinden in de ogen van mijn heer.” 9. Daarop zei Esav: „Ik heb een overvloed, broertje, laat van jou zijn wat van jou is.” 9. Hierop zei Ja’akov: „O nee, wanneer ik toch gunst gevonden heb in uw ogen, neem dan mijn geschenk van mij aan, Want ik heb nu uw gezicht gezien, dat is als een G‑ddelijk  aangezicht, en u bent mij wel gezind. 11. Neem toch mijn goede wensen aan, die u gebracht zijn, want G-d was mij genadig, want ik heb alles. En toen hij bij hem aandrong nam hij het aan. 12. Hij zei: „Laat ons optrekken en verder gaan, dan zal ik naast je gaan.” 13. Maar hij zei tegen hem: „Mijn heer weet dat de kin­deren zwak zijn, en het zogende klein- en rundvee rust op mij. En als men hen één dag te snel opdrijft, sterft al het kleinvee. 14. Laat mijn heer toch door­gaan, voor zijn dienaar uit, dan zal ik langzaam voort­gaan, zo lang­zaam als het vee vóór mij gaat, en zoals de kinderen gaan, totdat ik zal zijn aangekomen bij mijn heer in Sé’ir.” 15. Daar­op zei Esav: „Laat mij dan enkele van de manschappen die bij mij zijn, bij jou laten.” Maar hij zei: „Waarvoor is dat? Laat mij toch gunst vinden in uw ogen, mijn heer.” 16. En zo keerde Esav die dag weer terug, op weg naar Sé’ir. 17. En Ja’akov reisde door naar Soe­kot en daar bouw­de hij zich een huis en voor zijn vee maakte hij hutten. Daarom noemt men die plaats Soekot. 18. Ja’akov kwam behouden aan in Sjechèm, dat in het land Kena’an ligt, toen hij kwam van Padan Aram en hij legerde zich voor de stad. 19. Hij kocht een stuk van het veld waarop hij daar zijn tent had opgeslagen van de zonen van Chamor, de vader van Sjechèm, voor honderd kesita. 20. En hij richtte daar een altaar op en noemde het „G-d is de G-d van Israël.

 

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg zwigold@netvision.net.il

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder

BEREISJIET

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

HOOFDSTUK 25

HOOFDSTUK 26

HOOFDSTUK 27

HOOFDSTUK 28

HOOFDSTUK 29

HOOFDSTUK 30

HOOFDSTUK 31

HOOFDSTUK 32

HOOFDSTUK 33

HOOFDSTUK 34

HOOFDSTUK 35

HOOFDSTUK 36

HOOFDSTUK 37

HOOFDSTUK 38

HOOFDSTUK 39

HOOFDSTUK 40

HOOFDSTUK 41

HOOFDSTUK 42

HOOFDSTUK 43

HOOFDSTUK 44

HOOFDSTUK 45

HOOFDSTUK 46

HOOFDSTUK 47

HOOFDSTUK 48

HOOFDSTUK 49

HOOFDSTUK 50