Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Inhoudsopgave Tanach

 

Home

BEREISJIET (Genesis) – HOOFDSTUK  34

34. 1. Dina, de dochter van Lea, die zij Ja’akov had geschon­ken, ging eens uit, om een kijkje te nemen bij de meisjes van het land. 2. Sjechèm, de zoon van Chamor de Chiwiet, de vorst van het land, zag haar, en hij nam haar en lag bij haar en verkrachtte haar. 3. Hij hechtte zich aan Dina, de dochter van Ja’akov, en hij beminde het meisje en hij sprak tot haar hart. 4. Sjechèm zei tegen zijn vader Chamor: „Neem dat meisje voor mij al vrouw.” 5. Ja’akov had wel gehoord dat zijn dochter Dina onteerd was, maar zijn zonen waren bij het vee in het veld, dus zweeg Ja’akov tot hun terugkomst. 6. Daar­op trok Chamor, de vader van Sjechèm, erop uit om met Ja’akov te praten. 7. Toen de zonen van Ja’akov het hoorden, kwamen zij van het veld en de mannen waren zeer verontwaardigd en kwaad, want iets schandelijks was Israël aangedaan, dat iemand gelegen had bij de dochter van Ja’akov, zo iets deed men niet. 8. En Chamor sprak met hen en zei: „Sjechèm, mijn zoon, verlangt met heel zijn ziel naar uw dochter. Geef hem haar toch tot vrouw. 9. Dan worden jullie door het huwelijk familie van ons. Jullie dochters geven jullie aan ons en jullie nemen onze dochters. 10. En jullie komen bij ons wonen en het land ligt voor jullie open. Vestig u daar, reis erin rond en neem ervan in bezit.” 11. En Sjechèm zei tegen zijn vader en tegen haar broers: „Laat mij toch gunst vinden in uw ogen, wat u van mij vraagt, dat zal ik geven. 12. Leg mij een zeer grote bruidsschat en bruidsgeschenk op, en ik zal u geven, wat u mij zegt, maar geef mij het meisje tot vrouw.” 13. De zonen van Ja’akov antwoordden Sjechèm en Chamor, zijn vader, op bedrieglijke wijze en zij spraken, want hij had hun zuster Dina onteerd, 14. en zij zeiden tegen hen: „Wij kun­nen dat niet doen, om onze zuster te geven aan iemand die onbesne­den is, want dat is een schande voor ons. 15. Slecht op deze manier kunnen wij u ter wille zijn: indien bij u alle mannen zich, net als ons, laten besnijden. 16. Dan zullen wij u onze dochters geven en wij nemen uw dochters, en dan vestigen wij ons bij u en dan zullen wij één volk worden. 17. Maar indien u niet naar ons luistert om u te besnijden, dan nemen wij onze dochter mee en wij gaan heen. 18. Maar hun woorden leken goed in de ogen van Chamor en in de ogen van zijn zoon Sjechèm. 19. De jon­ge­man aarzelde niet om dit te doen, want hij wilde de dochter van Ja’akov graag hebben, en hij was de meest geëerde van het hele huis van zijn vader. 20. Toen Chamor en zijn zoon Sjechèm bij poort van hun stad aankwamen spaken zij tot de mannen van hun stad en zeiden: 21. „Die mensen zijn vrede­lievend voor ons en zij willen wonen in het land en erin rondreizen; welnu, het land ligt uitgestrekt voor hen; hun dochters nemen wij ons tot vrouwen en onze dochters geven wij aan hun. 22. Maar de man­nen zullen alleen ter wille zijn om bij ons te wonen en één volk te worden, wanneer bij ons alle mannen besneden worden. 23. Hun kudden en hun bezit­tingen en al hun vee, is dat niet voor ons? Laten wij hen slechts ter wille zijn, opdat zij bij ons komen wonen. 24. Allen die de poort van de stad uitgingen luisterden naar Chamor en zijn zoon Sjechèm, en alle mannen, ieder die de poort van de stad uitging, werd besneden. 25. En het geschiedde op de derde dag, toen zijn zij pijn hadden, dat twee zonen van Ja’akov, Sjim’on en Levi, broers van Dina, hun zwaard pakten en de stad, die zich veilig waande, overvielen en alle mannen vermoordden. 26. En ook Chamor en zijn zoon Sjechèm versloegen zij met hun zwaard en zij namen Dina mee uit het huis van Sjechèm en vertrokken. 27. De zonen van Ja’akov overvielen de verslage­nen, en plunderden de stad, die hun zuster onteerd had. 28. En  hun klein- en rundvee,  hun ezels en alles wat er in de stad en op het veld was, namen zij mee. 29. En al hun bezittingen en al hun kleine kinderen en en vrouwe namen zij gevangen en plun­derden zij, en alles wat er in huis was. 30. Toen zei Ja’akov te­gen Sjim’on en Levi: „Jullie hebben mij moeilijkheden bezorgd door mij in een kwade reuk te brengen bij de bewoners van het land, bij de Kena’anieten en bij de Perazieten, en ik ben met een klein aantal en wanneer zij zich tegen mij verzamelen, zul­len zij mij verslaan en dan zal ik vernietigd worden, ik en mijn huis.” 31. Maar zij zeiden: Moeten zij dan onze zuster als een hoer behandelen?”

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg zwigold@netvision.net.il

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder

BEREISJIET

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

HOOFDSTUK 25

HOOFDSTUK 26

HOOFDSTUK 27

HOOFDSTUK 28

HOOFDSTUK 29

HOOFDSTUK 30

HOOFDSTUK 31

HOOFDSTUK 32

HOOFDSTUK 33

HOOFDSTUK 34

HOOFDSTUK 35

HOOFDSTUK 36

HOOFDSTUK 37

HOOFDSTUK 38

HOOFDSTUK 39

HOOFDSTUK 40

HOOFDSTUK 41

HOOFDSTUK 42

HOOFDSTUK 43

HOOFDSTUK 44

HOOFDSTUK 45

HOOFDSTUK 46

HOOFDSTUK 47

HOOFDSTUK 48

HOOFDSTUK 49

HOOFDSTUK 50