Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Inhoudsopgave Tanach

 

Home

BEREISJIET (Genesis) – HOOFDSTUK  37

37. 1. En Ja’akov woonde in het land waar zijn vader zich had op­ge­houden, in het land Kena’an. 2. Dit is de geschiedenis van Ja’akov: Joseef, die zeventien jaar oud was, weidde met zijn broers het klein­vee en hij verkeerde als jongen met de zonen van Bilha en met de zonen van Zilpa, de vrouwen van zijn vaders. Joseef nu bracht boze laster­praat over hen aan hun vader. 3. Maar Jisraël hield  meer van Joseef dan van al zijn zonen, want hij was een kind van zijn ouder­dom, en hij maak­te voor hem een kleurig overkleed. 4. Toen zijn broers zagen dat hun vader van hem het meest hield van al zijn zonen, haatten zij hem en konden zij niet met hem in vrede praten. 5. En toen Joseef een droom had en die aan zijn broers vertelde, haatten zij hem nog meer. 6. Want hij zei tegen hen: „Luisteren jullie eens naar deze droom die ik had. 7. Zie eens hier, wij bonden schoven midden in het veld , en kijk, daar stond mijn schoof op en hij bleef ook staan en zie, jullie schoven gingen er omheen staan en wierpen zich neer voor mijn schoof.” 8. Maar zijn broers zeiden tegen hem: „Jij wil zeker koning over ons zijn, jij wilt zeker over ons regeren?” En nu haatten zij hem nog meer wegens zijn dromen en wegens zijn praatjes. 9. En Joseef had nog een droom, en ook die vertelde hij aan zijn broers en hij zei: „Hoor eens, ik heb nog eens gedroomd, ziet, de zon en de maan en elf sterren wierpen zich voor mij ter aarde.” 10. En het werd verteld aan zijn vader en aan zijn broers, maar zijn vader berispte hem ervoor en zei tegen hem: „Wat is dat voor een droom die jij had, zouden wij komen, ik en je moeder en je broers, om ons voor jou ter aarde te werpen?” 11. En zijn broers waren hier over jaloers op hem, maar zijn vader ont­hield het voorval. 12. Zijn broers nu gingen het kleinvee van hun vader weiden in Sjechèm. 13. Toen zei Jisraël tegen Joseef: „Weiden je broers niet in Sjechèm? Kom, ik wil je naar hen toesturen.” En hij zei tegen hem: „Ik ben gereed.” 14. Hierop zei hij: „Ga toch eens kijken hoe het met je broers gaat en hoe het met het kleinvee gaat, en bericht mij daar­over.” En hij zond hem heen uit het dal van Chevron en hij kwam aan in Sjechèm. 15. En een man trof hem aan terwijl Joseef rond­dwaalde op het veld. De man vroeg hem: „Wat zoek je?” 16. En hij zei: „Ik zoek mijn broers. Vertelt u mij alstublieft waar zij aan het weiden zijn.” 17. Daarop zei de man: „Zij zijn van hier vertrokken want ik heb gehoord dat zij zeiden: „Laten wij naar Dotan gaan”, ” en zo ging Joseef achter zijn broers aan en hij vond hen in Dotan.

18. Zij zagen hem reeds van verre en nog voor hij hun genaderd was smeedden zij het boze plan om hem te doden. 19. En de een zei tegen de ander: „Kijk, daar komt die droomkoning. 20. Welnu, laten wij hem doden en hem in één van de putten gooien, en dan zeggen wij dat een wild dier hem heeft verslonden. Dan zullen wij eens zien wat er van zijn dromen komt.” 21. Re'oeveen hoorde het echter en redde hem uit hun handen en zei: „Laten wij hem niet dood slaan.” 22. En Re'oeveen zei tegen hen: „Vergiet geen bloed, werp hem in die put die in de woes­tijn is, maar slaat niet de hand aan hem,” om hem te redden uit hun handen en hem terug te brengen naar zijn vader. 23. En het gebeurde toen Joseef bij zijn broers kwam, dat zij Joseef zijn overkleed uittrok­ken, het kleu­rige overkleed dat hij aan had. 24. En zij grepen hem en gooiden hem in een put en de put was leeg: er was geen water in. 25. Terwijl zij zaten hun maaltijd op te eten, en zij hun ogen opsloegen, zagen zij een ka­ravaan ismaëlieten aan­komen uit Gil’ad met hun kamelen beladen met specerijen, balsem en laudanum, die zij naar Egypte afvoerden. 26. Toen zei Jehoeda tegen zijn broers: „Wat voor nut heeft het als wij onze broer ver­moor­den en zijn bloed bedekken? 27. Kom, laten wij hem verkopen aan de ismaëlieten, maar laten wij niet de hand aan hem slaan, want onze broer is hij, ons eigen vlees!” En zijn broers luisterden. 28. Toen nu Midjanitische kooplieden voorbij kwamen, haalden zij Joseef uit de put omhoog en verkochten Joseef aan de ismaëlieten voor twintig zilverstukken en zij brachten Joseef naar Egypte. 29. En toen Re'oeveen terugkeerde naar de put, en daar was Joseef niet meer, verscheurde hij zijn kleren. 30. En hij keerde terug naar zijn broers en zei: „Het kind is er niet meer, en ik, waar moet ik heen?” 31. Hierop namen zij het overkleed van Joseef en slachtten een gei­tenbok en doopten het overkleed in het bloed, 32. en zij zonden het kleurige overkleed en lieten het aan hun vader brengen, en zij zeiden: „Dit hebben wij gevonden, herkent u of dit het  overkleed van uw zoon is of niet.” 33. En hij herkende het en zei: „Het is het overkleed van mijn zoon, hij is door een wild dier verslonden, Joseef is vast en zeker verscheurd!” 34. Daar­op verscheurde Ja’akov zijn kleren en deed een zak om zijn lendenen en treurde lange tijd om zijn zoon. 35. Toen probeerden al zijn zonen en dochters hem te troosten, maar hij weigerde zich te laten troosten en zei: „Wegens mijn zoon wil ik treurend in het graf afdalen.” Zo beweende hem zijn vader. 36. In­tussen hadden de Midjanieten hem aan Egypte verkocht aan Potifar, een hofbeambte van Par’o, de overste van de lijfwacht.

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg zwigold@netvision.net.il

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder

BEREISJIET

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

HOOFDSTUK 25

HOOFDSTUK 26

HOOFDSTUK 27

HOOFDSTUK 28

HOOFDSTUK 29

HOOFDSTUK 30

HOOFDSTUK 31

HOOFDSTUK 32

HOOFDSTUK 33

HOOFDSTUK 34

HOOFDSTUK 35

HOOFDSTUK 36

HOOFDSTUK 37

HOOFDSTUK 38

HOOFDSTUK 39

HOOFDSTUK 40

HOOFDSTUK 41

HOOFDSTUK 42

HOOFDSTUK 43

HOOFDSTUK 44

HOOFDSTUK 45

HOOFDSTUK 46

HOOFDSTUK 47

HOOFDSTUK 48

HOOFDSTUK 49

HOOFDSTUK 50