Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Inhoudsopgave Tanach

 

Home

BEREISJIET (Genesis) – HOOFDSTUK  38

 38. 1. En het gebeurde in die tijd dat Jehoeda wegtrok van zijn broers en zich aansloot bij een man uit Adoellam, wiens naam was Chiera. 2. En Jehoeda zag daar een dochter van een Kanaänitische man, wiens naam was Sjoea en hij nam haar en kwam bij haar. 3. Zij werd vervolgens zwanger en kreeg een zoon, die hij ’Er noemde. 4. Daarop werd zij nogmaals zwanger en kreeg een zoon en zij noemde hem Onan. 5. En zij kreeg nogmaals een zoon en zij noemde hem Sjela en hij was in Cheziev toen zij hem baarde. 6. Toen nam Jehoeda een vrouw voor ’Er, zijn eerstgeborene en haar naam was Tamar. 7. Maar ’Er, de eerst­geborene van Jehoeda was slecht in de ogen van de Eeuwige en de Eeuwige liet hem sterven. 8. Daarop zei Jehoeda tegen Onan: „Kom bij de vrouw van je broer en trouw met haar als  zwager en verwek nakome­lingen voor je broer. 9. Nu wist Onan dat zo’n kind niet voor hem zou zijn en wanneer hij nu bij de vrouw van zijn broer kwam, liet hij het verloren gaan in de aarde, zonder zaad te geven voor zijn broer. 10. Maar het was slecht in de ogen van de Eeuwige, wat hij ge­daan had en Hij liet ook hem sterven. 11. Toen zei Jehoeda tegen zijn schoondochter Tamar: „Blijf als weduwe zitten in het huis van je vader, totdat mijn zoon Sjela opgegroeid is.” Want hij zei: „Opdat hij niet ook zal sterven, zoals zijn broers.” En Tamar ging wonen in  het huis van haar vader. 12. Na verloop van lange tijd stierf de dochter van Sjoea, de vrouw van Jehoeda en toen Jehoeda getroost was trok hij op naar de scheerders van zijn kleinvee, hij en Chiera, zijn col­lega, de Adoel­lamiet, naar Timna. 13. En aan Tamar werd bericht als volgt: „Zie, uw schoonvader trekt op naar Timna om zijn kleinvee te scheren.” 14. Toen legde zij haar weduwekleed af, bedekte zich met een sluier en omhul­de zich en  ging zitten aan de ingang van ’Einajim, dat lag aan de weg naar Timna, want zij had gezien dat Sjela was opgegroeid maar zij was hem niet tot vrouw gegeven. 15. Jehoeda zag haar en dacht dat zij een publieke vrouw was, want zij had haar gezicht bedekt. 16. Hij wendde zich tot haar op de weg en zei: „Kom, ik wil bij jou komen,” want hij wist niet dat het zijn schoon-dochter was. En zij zei: „Wat geeft u mij als u bij mij komt?” 17. En hij zei: „Ik zal je een geitenbokje van mijn klein­vee zenden.” Waarop zij zei: „Als u mij een onderpand geeft tot u het gestuurd heeft.” 18. En hij zei: „Wat voor een onderpand zal ik je geven?” en zij zei: „Uw zegelring en uw snoer en de staf die u in uw hand heeft.” Hij gaf haar dat en kwam bij haar en zij werd zwanger van hem. 19. Daarna stond zij op en ging heen en legde haar sluier af, en trok weer haar weduwekleed aan. 20. Intussen stuurde Jehoeda het geitenbokje met zijn vriend de Adoel­lamiet, om het onderpand terug te krijgen uit de handen van die vrouw, maar hij vond haar niet. 21. En hij vroeg aan de mensen van die plaats en zei: „Waar is die ontuchtige vrouw uit Enajim die langs de weg zat?” Maar men zei: „Hier was geen ontuchtige vrouw.” 22. Toen keerde hij terug naar Jehoeda en zei: „Ik heb haar niet gevonden en ook de mensen van die plaats zeiden dat er geen ontuchtige vrouw was.” 23. Daarop zei Jehoeda: „Laat zij het maar houden opdat wij niet te schande gezet worden. Ik heb immers het geitenbokje gestuurd en jij hebt haar niet gevonden.” 24. En het was na ongeveer drie maanden, dat aan Jehoeda werd verteld: „Tamar, uw schoondochter heeft gehoerd en nu is zij ook nog zwanger door haar hoererij.” Toen zei Jehoeda: „Breng haar naar buiten, dan zal ze ver­brand worden.” 25. Zij werd naar buiten gebracht maar zond naar haar schoonvader het volgende: „Van diegene van wie dit is ben ik zwanger.” En zij zei: „Herken toch van wie deze zegelring is en dit snoer en deze staf.” 26. En Jehoeda herkende ze  en zei: „Zij heeft meer recht dan ik, want ik heb haar inderdaad niet aan mijn zoon Sjela gegeven.” En hij had geen gemeenschap meer met haar. 27. Toen het moment van haar bevalling was aangebroken, bleek er een twee­ling in haar buik te zitten. 28. En bij haar bevalling stak er één zijn hand uit en de vroedvrouw pakte die en bond er een purperen draad om en zei: „deze kwam er het eerst uit”. 29. Maar hij trok zijn hand weer terug en toen kwam zijn broertje naar buiten en zij zei: „Wat ben jij daar krachtig uitgebroken,” en hij noemde hem Pèretz - uitbreker.  30. Daarna kwam zijn broertje naar buiten, aan wiens hand de purperen draad zat en hij noemde hem Zèrach.

 

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg zwigold@netvision.net.il

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder

BEREISJIET

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

HOOFDSTUK 25

HOOFDSTUK 26

HOOFDSTUK 27

HOOFDSTUK 28

HOOFDSTUK 29

HOOFDSTUK 30

HOOFDSTUK 31

HOOFDSTUK 32

HOOFDSTUK 33

HOOFDSTUK 34

HOOFDSTUK 35

HOOFDSTUK 36

HOOFDSTUK 37

HOOFDSTUK 38

HOOFDSTUK 39

HOOFDSTUK 40

HOOFDSTUK 41

HOOFDSTUK 42

HOOFDSTUK 43

HOOFDSTUK 44

HOOFDSTUK 45

HOOFDSTUK 46

HOOFDSTUK 47

HOOFDSTUK 48

HOOFDSTUK 49

HOOFDSTUK 50