Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Inhoudsopgave Tanach

 

Home

BEREISJIET (Genesis) – HOOFDSTUK  41

41. 1.  En het was aan het eind van twee volle jaren dat Par’o droomde: en ziet, hij staat bij de rivier. 2. En kijk, uit de rivier komen zeven koeien omhoog, schoon van uiterlijk en gezond van vlees en zij gingen grazen in de wei. 3. En kijk, daar kwamen zeven andere koeien achter hen omhoog uit de rivier, slecht van uiterlijk en mager van vlees, en die gingen staan naast de koeien op de oever van de rivier. 4. En daar aten de koeien die lelijk van uiterlijk en dun van vlees waren de zeven koeien die schoon van uiterlijk en gezond waren, op; en daarop ontwaakte Par’o. 5. En hij sliep in en droomde een tweede keer; en kijk, zeven korenaren kwamen omhoog uit één halm, gezond en mooi. 6. En daar botten zeven dunne korenaren, ver­schroeid door de oostenwind, na hen uit. Nu verslonden de zeven dunne aren de gezonde en volle aren; toen ontwaakte Par’o, en zie, het was een droom. 8. Toen het ochtend werd, was voelde hij zich verontrust, en hij liet alle beeldschriftkundigen van Egypte roepen en alle geleerden en Par’o vertelde hen zijn droom, maar niemand kon het voor Par’o verklaren. 9. Nu sprak de overste van de schenkers tot Par’o en zei: „Ik herinner mij nu dat ik gezondigd had. 10. Par’o was vertoornd op zijn dienaren en gaf mij in bewaring in het huis van de opperbeul, mij en de overste van de bak-kers. 11. Toen droomden wij een droom in de zelfde nacht, ik en hij, ieder naar de uitleg van zijn droom droomden wij. 12. En daar was een Hebreeuwse jongen bij ons, een slaaf van de opperbeul, en wij vertelden het hem en hij verklaarde voor ons onze dromen, ieder naar zijn droom verklaarde hij het. 13. En zoals hij het ons uitlegde, zo is mij ook overkomen: men plaatste mij weer op mijn post en hem hing men op.” 14. Nu liet Par’o Joseef roepen. Men liet hem uit de kerker en hij schoor zich en verwisselde zijn kleren en kwam naar Par’o. 15. Toen zei Par’o tegen Joseef: „Ik heb gedroomd, maar niemand kan die droom verklaren en nu heb ik over jou gehoord dat men zegt dat als jij een droom hoort, je die kunt uitleggen.” 16. Hierop antwoordde Joseef Par’o en zei: „Ik niet, G-d zal antwoorden tot welgevallen van Par’o.” 17. Toen sprak Par’o tot Joseef: „In mijn droom stond ik aan de oever van de rivier. 18. En daar kwamen zeven koeien uit de rivier omhoog, gezond van vlees en mooi van uiterlijk en zij gingen grazen in de wei.  19. En daar kwamen zeven andere koeien achter hen omhoog, mager en slecht van uiterlijk en dun van vlees, nog nooit heb ik zulke lelijke koeien gezien in heel het land Egypte. 20. En toen aten de zeven magere en lelijke koeien  de zeven eerste, gezonde koeien op. 21. Maar toen die in hun binnenste kwamen, was het niet te merken dat zij in hun binnenste zaten, maar ze zagen er nog even lelijk uit als in het begin. En toen werd ik wakker. 22. En ik zag in mijn droom en daar waren zeven volle en mooie korenaren die opkwamen uit één halm. 23. En zeven verdorde en dunne korenaren, verschroeid door de oostenwind botten achter hen uit.  24. En toen verslonden de zeven dunne korenaren de zeven goede koren-aren. Ik vertelde het de beeldschriftkundigen maar niemand kon mij er iets over zeggen.” 25. Hierop zei Joseef tegen Par’o: „De droom van Par’o is er één. Dat wat G-d gaat doen heeft Hij Par’o verteld. 26. Zeven goede koeien zijn zeven jaren en de zeven goede korenaren zijn zeven jaren, het is één droom. 27. En de zeven magere en slechte koeien die achter hen omhoog komen zijn zeven jaren en zeven magere, door de oostenwond ver-schroeide korenaren zullen zeven jaren van hongersnood zijn. 28. Hetgeen ik gezegd heb tegen Par’o, dat is wat G-d doet, dat heeft hij Par’o laten zien. 29. Welnu, er zullen zeven jaren van grote overvloed komen in heel het land Egypte. 30. Daarna zullen er zeven jaren van hongersnood opkomen, en dan zal al de overvloed in het land Egypte vergeten worden. 31. En de overvloed zal niet gemerkt worden in het land vanwege die hongersnood daarna, want die zal zeer zwaar zijn. 32. En wat betreft het tweemaal herhalen van de droom aan Par’o, dat is omdat de zaak voor G-d vaststaat en G-d het spoedig zal ten uitvoer brengen. 33. Laat Par’o nu uitkijken naar een verstandig en wijs man en hem aanstellen over het land Egypte.

34. Laat Par’o te werk gaan en opzichters aanstellen over het land en een vijfde afzonderen in de zeven jaren van overvloed. 35. En laten zij al het eten verzamelen in deze goede jaren die gaan komen, en laat hen koren opslaan onder beheer van Par’o als voedsel voor de steden en dat bewaren. 36. Het voedsel zal dan tot reserve dienen voor het land voor de zeven jaren van hongersnood die er in het land Egypte zullen zijn, zodat het land niet zal worden uitgeroeid doorde hongersnood.” 37. Dit idee was goed in de ogen van Par’o en in de ogen van al zijn dienaren. 38. En Par’o zei tegen zijn dienaren: „Zou er iemand anders dan deze man gevonden kunnen worden,  waar de goddeijke geest in is? 39. Nu zei Par’o tegen Joseef: „Nu G-d u dit alles bekend gemaakt heeft, is er niemand zo verstandig en wijs als u. 40. U zult over mijn huis worden aangesteld en naar uw uitspraak zal heel mijn volk zich richten, slechts de troon zal boven u staan.” 41. En Par’o zei verder nog tegen Joseef: „Zie, ik stel u aan over heel het land Egypte.” 42. En Par’o trok zijn ring van zijn hand en deed die aan de hand van Joseef en hij kleedde hem in fijn linnen kleren en legde hem de gouden keten om zijn hals. 43. En hij liet hem rijden in zijn tweede statiekoets en men riep voor hem uit: „Knielt!” Zo stelde hij hem aan over heel het land Egypte. 44. En Par’o zei tegen Joseef: „Ik ben Par’o, maar zonder u zal niemand zijn hand of voet opheffen in het gehele land Egypte. 45. En Par’o gaf Joseef de naam Tsafnat- Pa’néach en hij gaf hem Asenat, de dochter van Potie-Fer’a, de priester van On, tot vrouw. Hierop trok Joseef door het land Egypte. 46. En Joseef was dertig jaar toen hij voor Par’o stond, de koning van Egypte en Joseef ging heen van Par’o en trok door het hele land Egypte. 47. En het land bracht in de zeven jaren van overvloed han­denvol voor. 48. En hij zamelde al het voedsel in dat er in Egypte gedurende die zeven jaren  was en hij sloeg dat op in de steden, het voedsel van het veld rondom een stad sloeg hij daarin op. 49. Zo hoop­te Joseef koren op als het zand van de zee, zo ontzaggelijk veel, totdat men ophield te tellen, want er was geen tellen aan. 50. Intussen werden aan Joseef twee zonen geboren, nog voor de jaren van hon­gers­nood aanbraken, die Asena, de dochter van Potie-Fer’a, de pries­ter van On,  hem gebaard had. 51. Joseef gaf de oudste de naam Menasjèh - hij doet vergeten - want: „G-d heeft mij al mijn ellende en het huis van mijn vader doen vergeten.” 52. En de tweede gaf hij de naam Efraïm - vruchtbaar, want „G-d heeft mij vruchtbaar ge­maakt in het land van mijn ellende.” 53. Toen de zeven jaren van overvloed in Egypte geëindigd waren, 54. begonnen de zeven jaren van hongersnood tekomen, zoals Joseef gezegd had. En er was hongersnood in alle landen, maar in heel het land Egypte was voed­sel. 55. Toen het hele land Egypte hongerig werd, schreeuwde het volk tegen Par’o om brood maar Par’o zei tegen heel Egypte: „Ga naar Joseef, die zal jullie zeggen wat jullie moeten doen.” 56. Toen de hongersnood zich over heel het land verspreid had, opende Joseef alles waarin koren was  en verkocht het aan Egypte, want de hongersnood was zwaar in Egypte. 57. En ieder land kwam naar Egypte om koren te kopen bij Joseef, want de hongersnood was zwaar in elk land.


 

 

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg zwigold@netvision.net.il

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder

BEREISJIET

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

HOOFDSTUK 25

HOOFDSTUK 26

HOOFDSTUK 27

HOOFDSTUK 28

HOOFDSTUK 29

HOOFDSTUK 30

HOOFDSTUK 31

HOOFDSTUK 32

HOOFDSTUK 33

HOOFDSTUK 34

HOOFDSTUK 35

HOOFDSTUK 36

HOOFDSTUK 37

HOOFDSTUK 38

HOOFDSTUK 39

HOOFDSTUK 40

HOOFDSTUK 41

HOOFDSTUK 42

HOOFDSTUK 43

HOOFDSTUK 44

HOOFDSTUK 45

HOOFDSTUK 46

HOOFDSTUK 47

HOOFDSTUK 48

HOOFDSTUK 49

HOOFDSTUK 50