Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Inhoudsopgave Tanach

 

Home

BEREISJIET (Genesis) – HOOFDSTUK  42

42. 1. Toen Ja’akov inzag dat er koren was in Egypte, zei Ja’akov tegen zijn zonen: „Wat zitten jullie elkander aan te kijken?” 2. En hij zei: „Ik heb gehoord dat er koren is in Egypte, daalt daarheen af en koopt voor ons van daar, opdat wij kunnen leven en niet omkomen.” 3. En zo daalden tien van de broers van Joseef af, om koren te kopen in Egypte. 4. Maar Benjamin, de broer van Joseef, stuurde Ja’akov niet met zijn broers mee, want hij zei: „Opdat hem geen ongeval overkomt.” 5. Zo kwamen de zonen van Israël om koren te kopen tussen de anderen die kwamen, want er was hongersnood in het land Kena’an. 6. En Joseef heerste over het land en hij verkocht het koren aan alle volken van de aarde. En zo kwamen de broers van Joseef en wierpen zich voor hem neer met hun gezicht ter aarde. 7. Toen Joseef zijn broers zag, herkende hij hen, maar hij hield zich als een vreemde voor hen en hij sprak streng tegen hen en zei tegen hen: „Vanwaar komen jullie?” en zij zeiden: „Uit het land Kena’an, om eten te kopen.” 8. Joseef herkende zijn broers wel, maar zij herkenden hem niet. 9. En toen herinnerde Joseef zich de dromen die hij over hen gedroomd had en hij zei tegen hen: „Jullie zijn verspieders, jullie zijn gekomen om te zien waar het land open ligt.” 10. Hierp zeiden zij tegen hem: „Nee, mijn heer, uw dienaren kwamen alleen om eten te kopen. 11. Wij zijn allen de zonen van één man, wij zijn eerlijke mensen, uw dienaaren waren nimmer verspieders.” 12. Maar hij zei tegen hen: „Nee, jullie zijn gekomen om de naaktheid van het land te zien.” 13. Hierop zeiden zij: „Met twaalf broers waren wij, uw die­naren, zonen van één man in het land Kena’an, maar de jongste is heden bij onze vader, en één wordt vermist.” 14. Daarop zei Joseef tegen hen: „Het is zoals ik tegen jullie gezegd heb, jullie zijn ver­spieders. 15. Hiermee zullen jullie getest worden, bij het leven van Far’o! Jullie zult hier niet vandaan komen dan wanneer jullie jongste broer hierheen komt. 16. Zendt één van jullie weg en laat hij jullie broer meenemen. Maar jullie blijven gevangen; zo zullen jullie woorden getest worden of de waarheid aan jullie zijde is, en indien niet, bij het leven van Far’o, dan zijn jullie verspieders.” 17. Daarna hield hij hen gezamelijk in verzekerde bewaring gedurende drie dagen. 18. En op de derde dag zei Joseef tegen hen: „Doet het vol­gende, opdat jullie in leven blijven; ik ben Gods vrezend: 19. Wanneer jullie eerlijk zijn, dan blijft één van jullie broers gevangen in het huis van bewaring en jullie gaan koren wegbrengen bestemd voor de honger van jullie huishoudingen. 20. Breng dan jullie jongste broer bij mij zodat jullie woorden bevestigd kunnen worden en jullie niet zullen sterven.” En zo deden zij. 21. En zij zeiden tegen elkaar: „Maar wij zijn wel degelijk schuldig tegenover onze broer, toen wij zijn doodsangst zagen, toen hij ons smeekte en wij niet naar hem luisterden. Daarom is deze narigheid over ons gekomen.” 22. Reoeween antwoordde hen en zei: „Heb ik het jullie niet gezegd, toen ik zei: bezondig je niet aan het kind, maar jullie wilden niet luisteren. En kijk, nu wordt zijn bloed opgeëist.” 23. Maar zij wisten niet dat Joseef alles verstond, want er stond een tolk tussen hen in. 24. En hij draaide zich van hen af en huilde. Daarop keerde hij zich weer tot hen en sprak tot hen en nam Sjim’on van hen weg en liet hem voor hun ogen vastbinden. 25. Vervolgens gaf Joseef opdracht dat men hun zakken zou vullen met graan en hun geld in ieders zak zou terugleggen en hen proviand zou geven voor onderweg. Dat alles deed hij voor hen. 26. Nu laadden zij hun koren op hun ezels en ver­tokken van daar. 27. Toen nu één van hen in de herberg zijn zak opende om zijn ezel voer te geven en hij zijn geld bovenin zijn zak zag liggen, 28. en  hij tegen zijn broers zei: „Mijn geld is terugge­keerd, kijk, het is hier in mijn zak,” toen zonk hun hart in hun schoe­nen en vol angst wendde de een zich tot de ander en zei: „Wat is dit dat G-d met ons doet?” 29. Toen zij terugkwamen bij hun vader Ja’akov in het land Kena’an, vertelden zij hem alles wat hen was overkomen en zeiden: 30. „Die man, de heer van dat land sprak zeer streng met ons, en hij hield ons voor verspieders van het land. 31. Wij zeiden daarop tegen hem dat wij eerlijke lieden zijn en geen verspieders. 32. Dat wij met twaalf broers waren, zonen van één vader, dat er één niet meer is en dat de jongste nu bij zijn vader was gebleven in het land Kena’an.  33. Maar die man, de heer van dat land zei tegen ons: ‘Hieraan zal ik weten of jullie eerlijke lieden zijn: één van jullie broers blijft blijft bij mij en jullie neemt het nodige voor de honger van jullie huisgezinnen mee en gaat heen. 34. Maar breng jullie jongste broer naar mij  toe, en dan zal ik weten dat jullie geen verspieders zijn maar dat jullie eerlijke lieden zijn. Dan zal ik jullie je broer teruggeven en jullie kunt dan door het land rondtrek­ken.’” 35. Toen zij nu hun zakken leeg maakten, was ieders geld­buidel in zijn zak en toen zij die geldbuidels zagen werden zij en hun vader zeer bang. 36. Nu zei hun vader Ja’akov tegen hen: „Jullie hebben mij kinderloos gemaakt, Joseef is er niet meer en Sjim’on is er niet meer, en nu willen jullie Benjamin van mij afnemen? Mij overkomt dit alles!” 37. Daarop zei Reoeween tegen zijn vader: „U kunt mijn beide zonen doden wanneer ik hem niet bij u terug breng. Vertrouw hem aan mij toe en ik breng hem naar u terug.” 38. Maar hij zei: „Mijn zoon zal niet met jullie afdalen, want zijn broer is al dood en hij is alleen achter gebleven. Als hem  een ramp overkomt op de reis die jullie maken, dan zouden jullie mijn bejaarde hoofd ellendig het graf in sturen.”

 

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg zwigold@netvision.net.il

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder

BEREISJIET

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

HOOFDSTUK 25

HOOFDSTUK 26

HOOFDSTUK 27

HOOFDSTUK 28

HOOFDSTUK 29

HOOFDSTUK 30

HOOFDSTUK 31

HOOFDSTUK 32

HOOFDSTUK 33

HOOFDSTUK 34

HOOFDSTUK 35

HOOFDSTUK 36

HOOFDSTUK 37

HOOFDSTUK 38

HOOFDSTUK 39

HOOFDSTUK 40

HOOFDSTUK 41

HOOFDSTUK 42

HOOFDSTUK 43

HOOFDSTUK 44

HOOFDSTUK 45

HOOFDSTUK 46

HOOFDSTUK 47

HOOFDSTUK 48

HOOFDSTUK 49

HOOFDSTUK 50