Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Inhoudsopgave Tanach

 

Home

BEREISJIET (Genesis) – HOOFDSTUK  45

45. 1. Nu kon Joseef zich niet langer bedwingen voor al diegenen die voor hem stonden en hij riep: „Laat iedereen nu van mij weggaan.” En zo stond er niemand bij hem toen Joseef zich aan zijn broers be­kend maakte. 2. Hij begon luidkeels te huilen, zodat de Egypte­naren het hoorden en ook het huishouden van Far’o hoorde het. 3.En Joseef zei tegen zijn broers: „Ik ben Joseef, leeft mijn vader nog?” Maar zijn broers konden hem niet antwoorden, want ontsteld stonden zij voor hem. 4. Joseef zei echter tegen zijn broers: „Kom toch dichter bij me,” en toen zij dichterbij kwamen zei hij: „Ik ben Joseef, jullie broer, ik ben het, die jullie verkocht hebben aan Egypte. 5. Wees nu niet verdrietig en wees niet boos op jezelf, dat jullie mij hierheen verkocht hebben, want G-d heeft mij tot levens­onderhoud voor jullie uitgezonden. 6. Het is nu twee jaar dat de hongers­nood in het land is en het zal nog vijf jaar duren dat er geen ploegen of oogst zal zijn. 7. Maar G-d heeft mij voor jullie uitgezonden om voor jullie nog iets over te laten in het land en om jullie in leven te houden tot grote red­ding. 8. Welnu, niet jullie hebben mij hierheen gestuurd, maar G-d en Hij heeft mij als een vader voor Far’o aangesteld en als heer over heel zijn huis en als heerser over heel het land Egypte. 9. Haast jullie en trekt op naar mijn vader en zeggen jullie hem: „Aldus heeft uw zoon Joseef gesproken: ‘G-d heeft mij aangesteld als heer over heel Egypte; daal af naar mij, stel niet uit.  10. Dan kunt u wonen in het land Gosjen en dan zult u dicht bij mij zijn, u en uw kinderen en uw kleinkinderen en uw kleinvee en uw rundvee en alles wat u bezit. 11. En ik zal u onderhouden daar, want de hongersnood zal nog vijf jaar duren, opdat u geen armoede zult lijden, u en uw huisgezin en alles wat u bezit.’ 12. En ziet, jullie ogen en de ogen van mijn broer Benjamin kunnen zien dat het mijn mond is die tegen jullie spreekt.

13. Vertellen jullie aan mijn vader alles over mijn eer in Egypte, en over alles wat jullie gezien hebben, en haasten jullie je en breng mijn vader hierheen.” 14. Toen viel hij zijn broer Benjamin om de hals en huilde en ook Benjamin huilde op zijn hals. 15. En hij kuste al zijn broers en huilde op hen en pas daarna konden zijn broers met hem praten. 16. En het gerucht werd vernomen in het huis van Far’o, dat men vertelde dat de broers van Joseef waren gekomen en dat was goed in de ogen van Far’o en zijn dienaren. 17. Daarop zei Far’o tegen Joseef: „Zeg tegen uw broers: „Doe het volgende: ‘Laat jullie vee op en gaat heen naar het land Kena’an. 18. En neem jullie vader mee en jullie huisgezin en kom naar mij toe, dan zal ik jullie het bes­te van het land Egypte geven en dan zullen jullie van het vette van het land eten.’” 19. „En u wordt geboden om hun te zeggen: ‘Nemen jullie wagens mee uit Egypte voor jullie kinderen en jullie vrouwen, tilt daar jullie vader op en komen jullie hierheen. 20. En bekommeren jullie je niet om je huisraad, want het beste van heel Egypte is voor jullie.” 21. En zo deden de zonen van Israël en Joseef gaf hun wagens mee, zoals Far’o gezegd had, en hij gaf hen voedsel voor onderweg. 22. En aan ieder gaf hij kleding mee om te wisselen maar aan Benjamin gaf hij driehonder zilverstukken en vijf stel kle­ren. 23. En aan zijn vader stuurde hij het volgende: tien ezels, bela­den met het beste van Egypte, en tien ezelinnen, beladen met koren en brood en voedsel voor zijn vader voor onderweg. 24. Daarna stuurde hij zijn broers heen en zij gingen en hij zei tegen hen: „Windt jullie niet op, onderweg.” 25. En zij trokken op uit Egypte en kwa­men aan in het land Kena’an, bij hun vader Ja’akov. 26. Toen zij hem vertelden: „Joseef leeft nog!” en dat hij heerser was over heel het land Egypte, bleef zijn hart daar koel onder, want hij geloofde hen niet. 27. Maar zij vertelden hem alles wat Joseef tegen hen gezegd had en toen zag hij de wagens die Joseef meegestuurd had om hem te vervoeren en toen herleefde de geest van hun vader Ja’akov. 28. En Jisraël zei: „Genoeg! Mijn zoon Joseef leeft nog. Ik ga en wil hem zien voordat ik sterf.”

 

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg zwigold@netvision.net.il

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder

BEREISJIET

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

HOOFDSTUK 25

HOOFDSTUK 26

HOOFDSTUK 27

HOOFDSTUK 28

HOOFDSTUK 29

HOOFDSTUK 30

HOOFDSTUK 31

HOOFDSTUK 32

HOOFDSTUK 33

HOOFDSTUK 34

HOOFDSTUK 35

HOOFDSTUK 36

HOOFDSTUK 37

HOOFDSTUK 38

HOOFDSTUK 39

HOOFDSTUK 40

HOOFDSTUK 41

HOOFDSTUK 42

HOOFDSTUK 43

HOOFDSTUK 44

HOOFDSTUK 45

HOOFDSTUK 46

HOOFDSTUK 47

HOOFDSTUK 48

HOOFDSTUK 49

HOOFDSTUK 50