Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Inhoudsopgave Tanach

 

Home

BEREISJIET (Genesis) – HOOFDSTUK  48

48. En het was na deze gebeurtenissen dat men Joséf berichtte: „Uw vader is ziek.” Daarop pakte hij zijn twee zonen, Menasjè en Efrajim. 2. En men vertelde het aan Ja’akov en zei: „Hier komt uw zoon Joséf naar u toe. Dat sterkte Israël en hij ging op zijn bed zitten. 3. En Ja’akov zei tegen Joséf: „De Almachtige G-d is aan mij ver­schenen bij Loez, in het land Kena’an, en heeft mij gezegend. 4. En Hij zei tegen mij: ‘Zie eens, Ik zal je vruchtbaar maken en vermenig­vuldigen en Ik zal je maken tot een verzameling van volken en Ik geef dit land aan je nakomelingen tot een eeuwig bezit.” 5. Welnu, jouw twee zonen, die jou geboren zijn in het land Egypte, voordat ik naar jou toekwam in Egypte, die zijn van mij, Efrajim en Menasjè, als Re’oeveen en Sjim’on zullen zij voor mij zijn. 6. Maar de kinde­ren die jij na hen voortbrengt, diezullen voor jou zijn. Op naam van hun broers zullen zij opgenoemd worden voor hun erfdeel. 7. En ik, toen ik uit Padan Aram kwam, is mij Racheel onderweg ontvallen in het land Kena’an op de weg, terwijl het nog een mijl te gaan was naar Efrat en ik heb haar daar, langs de weg naar Efrat begraven, dat is Beit Lechem.” 8. Toen Israël de zonen van Joséf zag, zei hij: „Wie zijn dat?” 9. En Joséf zei tegen zijn vader: „Dat zijn mijn zonen die G-d mij hier gegeven heeft.” Hierop zei hij: „Breng ze dichter bij mij, dan zal ik ze zegenen”. 10. Israëls ogen waren zwaar van ouderdom, hij kon niet meer zien. Daarom bracht hij hen dichterbij en kustte en omhelsde hen. 11. En Israël zei tegen Joséf: „Dat ik jou gezicht nog eens mocht zien, had ik niet durven hopen, en zie eens, G-d heeft mij ook jou nakomelingen laten zien. 12. Hierop nam Joséf hen van zijn knieën en wierp zich op zijn gezicht ter aarde. 13. Daar­op nam Joséf hen beiden, Efrajim aan zijn rechterkant, dat was de linkerkant van Israël, en Menasjè aan zijn linkerkant, dat was de rechterkant van Ja’akov, en bracht ze naar hem toe. 14. Nu stak Israël zijn rechter hand uit en legde die op het hoofd van Efrajim, die de jongste was, en zijn linker hand legde hij op het hoofd van Mena­sjè. Hij legde zijn handen opzettelijk zo, ofschoon Menasjè de eerstgeborene was. 15. Hierop zegende hij Joséf en zij: „De G-d, voor Wie mijn vaderen, Avraham en Jitschak gewandeld hebben, de G-d, die mijn herder is, vanaf mijn ontstaan tot deze dag, 16. de engel die mij verloste van alle kwaad, Hij zal de jongens zegenen en met hen zal mijn naam genoemd worden en de namen van mijn vader Avraham en Jitschak en mogen zij zich binnen het land vermeerde­ren als de vissen. 17. Toen nu Joséf zag dat zijn vader zijn rech­ter hand legde op het hoofd van Efrajim, was dat verkeerd in zijn ogen en greep hij de hand van zijn vader om die weg te nemen van het hoofd van Efrajim naar dat van Menasjé. 18. En Joséf zei tegen zijn vader: „Niet zó, vader, want deze is de eerstgeborene, leg uw hand toch op zijn hoofd.” 19. Maar zijn vader weigerde en zei: „Ik weet het, mijn zoon, ik weet het, ook hij zal tot een volk worden en ook hij zal groot worden, maar zijn jongere broer zal groter worden dan hij en met zijn nakomelingen zullen volkeren zich vullen. 20. En hij zegende hen op die dag met de woorden:  „Met jou zal Israël zich zegenen, door te zeggen: ‘Moge G-d je maken als Efrajim en Mena­sjè,’ en hij plaatste Efrajim vóór Menasjè. 21. Hierna zei Israël tegen Joséf: „Zie hier, ik ga sterven, maar G-d zal met jullie zijn en jullie terugbrengen naar het land van jullie voorvaderen. 22. En ik, ik geef jou Sjechèm - één deel extra boven je broers, dat ik met mijn zwaard en mijn boog van de Emorieten heb afgenomen.

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg zwigold@netvision.net.il

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder

BEREISJIET

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

HOOFDSTUK 25

HOOFDSTUK 26

HOOFDSTUK 27

HOOFDSTUK 28

HOOFDSTUK 29

HOOFDSTUK 30

HOOFDSTUK 31

HOOFDSTUK 32

HOOFDSTUK 33

HOOFDSTUK 34

HOOFDSTUK 35

HOOFDSTUK 36

HOOFDSTUK 37

HOOFDSTUK 38

HOOFDSTUK 39

HOOFDSTUK 40

HOOFDSTUK 41

HOOFDSTUK 42

HOOFDSTUK 43

HOOFDSTUK 44

HOOFDSTUK 45

HOOFDSTUK 46

HOOFDSTUK 47

HOOFDSTUK 48

HOOFDSTUK 49

HOOFDSTUK 50