Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Inhoudsopgave Tanach

 

Home

BEREISJIET (Genesis) – HOOFDSTUK  49

49. 1. Hierop ontbood Ja’akov zijn zonen en zei: „Verzamelen jullie je, dan zal ik jullie vertellen wat jullie zal overkomen aan het einde der dagen. 2. Verzamelt jullie en luistert, zonen van Ja’akov, en luis­tert naar Israël, jullie vader. 3. Re'oeveen, mijn eerst-geborene, jij bent mijn kracht en eerste van mijn energie, vooraanstaand in waar­digheid en vooraanstaand in macht. 4. Onstuimig als water, je blijft niet vooraanstaand, want je hebt het huwelijksbed van je vader be­klommen, daarmee heb je het ontwijd, mijn bed heb je beklommen!

5. Sjim’on en Levie zijn broers, hun wapens zijn werktuigen voor geweld. 6. In hun geheime beraadslagingen zal mijn ziel niet komen, met hun vergadering zal mijn eer niet verenigd worden, want in hun toorn hebben zij mannen gedood, en met moedwil hebben zij een stier ontworteld. 7. Vervloekt is hun woede zij, want die is machtig, en hun wraak, want die is hard. Ik zal hen verdelen onder Ja’akov en hen verstrooien onder Israël.

8. Jehoedah, jou zullen je broers erkennen, je hand zal op de nek van je vijanden zijn, de zonen van je vader zullen zich voor jou neerwer­pen. 9. Een leeuwenwelp is Jehoedah. Van verscheuring, mijn zoon, ben je omhoog gekomen; hij knielde en legde zich neer als een leeuw of als een leeuwin, wie durft hem doen opstaan? 10. Niet wijken zal de scepter van Jehoeda, noch de wetgeving  van zijn nakomelingen, todat Sjiloo zal komen en een verzameling van volkeren zal voor hem zijn. 11. Hij bindt zijn ezelsveulen aan de wijnstok, en aan de wijnrank het jong van zijn ezelin; in wijn wast hij  zijn kleed en in drui­ven­bloed zijn gewaad. 12. Rode ogen van wijn en witte tanden van de melk.

13. Zewoelon, aan het strand van de zee zal hij wonen, hij zal een kust zijn voor de schepen en zijn grens zal lopen tot Tsiedon.

14. Jissachar is een bonkige ezel, die is neergelegen tussen de omhei­nin­gen. 15. Hij zal zien dat de rust goed is en het land aangenaam . Hij kromt zijn schouder om de last te torsen, een contract-arbeider zal hij zijn. 15. Dan zal over zijn volk wreken, als één geheel zullen de stammen van Israël zijn. 17. Dan zal een slang zijn op de hoofd­weg, een slang op het levenspad, die in de hiel van het paard bijt, en dan valt zijn berijder achterover. 18. Op Uw redding heb ik mijn hoop gevestigd, Eeuwige! 19. Gad vormt benden en hij valt aan op de hiel. 20. Asjer, vet is zijn spijs en hij levert koninklijke delica­tessen. 21. Naftali is een losgelaten hinde, die mooie gezegden uit­spreekt. 22. Een jonge vruchtboom is Joséf, een twijg boven een waterbron , wiens loten over de muur klimmen. 23. Zij verbitterden hem en werden ruziezoekers en de scherptongigen haatten hem. 24. Maar zijn boog zit vast en zijn armen soepel, door de Machtige van Ja’akov, vandaar de herder, de hoeksteen van Israël. 25. Door de G-d van je vader en Hij zal je helpen en met de Almachtige zal Hij je zegenen met de zegeningen van de hemel boven, de zegeningen van de diepe afgronden die beneden liggen, de zegeningen van borsten en van de moederschoot. 26. De zegeningen van je vader overtreffen de zegeningen van mijn ouders tot aan de uiterste grenzen  van de heu­velen der aarde. Zij zullen komen op het hoofd van Joséf en op de kruin van de afgescheidene onder zijn broeders.

27. Benjamin is een verscheurende wolf, ’s ochtends verslindt hij de prooi en ’s avonds verdeelt hij buit.” 28. Al deze zijn de stammen van Israël, twaalf; en dit is wat hun vader tegen hen sprak. En hij zegende hen, ieder naar zijn zegen zegende hij hen. 29. Hierop ge­bood hij hen en zei: „Ik zal verzameld worden tot mijn volk; begraaf mij bij mijn vaderen in de spelonk die zich bevindt op het veld van Efron de Chittiet. 30. In de spelonk die zich op het veld Machpelah bevindt, dat is tegenover Mamree, in het land Kenaän, het veld dat Awraham kocht van Efron de Chittiet als eigen begraafplaats. 31. Daar heeft men Awraham met zijn vrouw Sarah begraven, daar heeft men Jitschak met zijn vrouw Rivka begraven en daar heb ik Lea begraven. 32. Een aankoop van het veld met de spelonk die erop is was van de zonen van Chet.” 33. Toen Ja’akov geëindigd was met het instrueren van zijn zonen, trok hij zijn voeten op het bed en stierf en hij werd verzameld tot zijn volk.

 

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg zwigold@netvision.net.il

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder

BEREISJIET

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

HOOFDSTUK 25

HOOFDSTUK 26

HOOFDSTUK 27

HOOFDSTUK 28

HOOFDSTUK 29

HOOFDSTUK 30

HOOFDSTUK 31

HOOFDSTUK 32

HOOFDSTUK 33

HOOFDSTUK 34

HOOFDSTUK 35

HOOFDSTUK 36

HOOFDSTUK 37

HOOFDSTUK 38

HOOFDSTUK 39

HOOFDSTUK 40

HOOFDSTUK 41

HOOFDSTUK 42

HOOFDSTUK 43

HOOFDSTUK 44

HOOFDSTUK 45

HOOFDSTUK 46

HOOFDSTUK 47

HOOFDSTUK 48

HOOFDSTUK 49

HOOFDSTUK 50