Indien u in het onderstaande fouten ontdekt, wordt u vriendelijk verzocht dit te melden aan: zwigold@netvision.net.il

Home

 

 

JEHOSJOEA – HOOFDSTUK 1

1 Het gebeurde na de dood van Mosjé, de dienaar van Hasjem, dat Hasjem tegen Jehosjoea de zoon van Noen, de assistent van Mosjé zei:  2„Mosjé, mijn dienaar, is gestorven. Sta nu op, steek deze Jordaan over, jij en heel dit volk, naar het land dat Ik hun geef, aan de Israëlieten. 3 Iedere plaats die je voetzool zal betreden, heb Ik jullie gegeven, zoals Ik tegen Mosjé gesproken heb. 4 Van de woestijn en deze Libanon tot de grote rivier, de rivier Eufraat, heel het land van de Chittieten tot de Grote Zee waar de zon ondergaat zal jullie grens zijn. 5 Geen mens zal tegen je opstaan, zolang je leeft; zoals Ik met Mosjé was, zo zal Ik met jou zijn. Ik zal je niet loslaten, noch zal Ik je verlaten. 6 Wees sterk en moedig want jij zult dit volk het Land doen erven, zoals Ik aan hun voorvaderen gezworen heb dat Ik het hun zal geven. 7 Alleen, wees sterk en moedig en houd je aan de hele Tora die Mosjé Mijn dienaar je geboden heeft; wijk daar niet van af, noch naar links, noch naar rechts, opdat je overal waar je  gaat zult slagen. 8 Laat dit Boek van Tora niet uit je mond wijken, maar ver­diep je daar dag en nacht in, opdat je je aan alles houdt wat daarin geschre­­ven staat om te doen, want dan zul je slagen op je weg en dan zal je verstandig handelen. 9 Ik heb je reeds geboden om sterk en moedig te zijn, vrees niet en laat je niet ontmoedigen, want Hasjem je G-d is met jou, waar je ook gaat.”

10 Jehosjoea gaf daarop opdracht aan de ordebewakers van het volk en zei: 11 „Ga het hele legerkamp door en geef het volk dit bevel: Maak proviand klaar voor jullie zelf, want over drie dagen zullen jullie deze Jordaan oversteken om het land in bezit te nemen, dat Hasjem, jullie G-d jullie in eigen­dom zal geven.” 12 En tegen de mannen van Reoeveen en Gad en tegen de halve stam Menasjè zei Jehosjoea: 13 „Denk aan wat Mosjé, de dienaar van Hasjem, jullie geboden heeft, toen hij zei: ‘Hasjem, jullie G-d, geeft jullie rust en zal jullie dit land geven. 14 

Jullie vrouwen, jullie kleine kinderen en jullie kudden blijven hier in het land, dat Mosjé jullie aan deze zijde van de Jordaan gegeven heeft. Maar al jullie sterke krijgers zullen gewapend over-steken, voor jullie broeders uit, en hen helpen, 15 totdat Hasjem jullie broeders, evenals jullie, rust zal geven en ook zij het land, dat Hasjem, jullie G-d, hun geeft, in bezit genomen zullen hebben. Dan kunnen jullie terugkeren naar het land dat jullie erfgoed is en het in bezit nemen, dat wat Mosjé, de dienaar van Hasjem, jullie aan de andere kant,  ten oosten van de Jordaan, gegeven heeft.” 16 En zij antwoordden Jehosjoea als volgt: „Alles wat u ons geboden heeft, zullen we doen en overal waarheen u ons stuurt, zullen wij gaan. 17 Zoals wij geluisterd hebben naar Mosjé, zo zullen wij naar u luisteren, zolang Hasjem met u is, zoals Hij met Mosjé was. 18 Ieder die tegen u in opstand komt en niet luistert naar uw bevelen, ongeacht wat u hun opdraagt, zal gedood worden. Alleen, wees sterk en moedig!”

 

Aantekeningen

1. Het gebeurde na de dood van Mosjé – De gebeurtenissen die in het boek Jehosjoea beschreven zijn, volgen direct op het over­lijden van Mosjé, waarmee het laatste boek van de Tora afsluit (Rasji).

2. Mosjé mijn dienaar is gestorven – En wanneer hij nog zou leven, had ik hem verkozen. En onze Rabbijnen hebben verklaard dat 3.000 wetten vergeten waren tijdens de rouwperiode over Mosjé en dat toen Jehosjoea kwam en Hasjem gevraagd had deze wetten te willen herhalen. Maar Hasjem antwoordde hem dat de Tora op naam van Mosjé stond en dus niet nogmaals aan Jehosjoea kon worden gegeven, maar dat Jehosjoea zich met de oorlog moest bezighouden (Rasji).

3.  Iedere plaats die je voetzool zal betreden – Iets dergelijks was ook tegen Mosjé gezegd, maar, zo leren we in Sifre (Devariem. 11:24), aan Mosjé werd het land beloofd van de woestijn tot de Libanon, maar aan Jehosjoea beloofde Hasjem hiermee: „Nadat je het Land veroverd hebt, zal alles wat je buiten het Land Israël verovert, heilig en van jou zijn” (Rasji).

4.  Van de woestijn tot deze Libanon – Dat is de woestijn van Kadeesj, de woestijn van Tsin, die bij Edom is, die in de zuidoos­te­lijke hoek ligt, waar doorheen zij het Land binnen-kwamen, zoals er geschreven staat (Bamidbar 20:16): „En zie, wij zijn in Kadeesj.” En van-waar weten wij dat het in het zuidoosten ligt? Omdat er geschreven staat (ib. 34:3): „En de zuidzijde zal voor jullie de woestijn Tsin zijn, aan de kant van Edom” (Rasji).

Tot de grote rivier, de Eufraat – [d.w.z. de noord-oostelijke grens].

Heel het land van de Chittieten – dat is erbij inbegrepen (Rasji).

Tot de Grote Zee waar de zon ondergaat – Dat is de Middellandsezee

Heel het land van de Chittieten

5. Geen mens zal tegen je opstaan – Niemand zal tegen je in opstand komen (Metsoedat David).

6.  Wees sterk en moedig – In wereldlijke zaken, zoals er gezegd is: „Je zult ervoor zorgen dat dit volk dit land erft (Rasji). [Wees sterk en moedig] als een leeuw bij het regeren over dit volk (Metsoeda David).

7. Alleen, wees sterk en moedig – In Tora, zoals er geschreven staat: „Houd je aan de hele Tora” (Rasji).

8. Laat dit Boek van Tora – Het boek Devariem lag voor hem (Rasji).

9. Ik heb je reeds geboden om sterk en moedig te zijn – In de strijd (Rasji).

10. Jehosjoea gaf daarop opdracht – op de dag dat de rouw over het overlijden van Mosjé geëindigd was (Rasji).

Ordebewakers – Deze zijn aangesteld om de verordeningen van de regering aan het volk bekend te doen maken en te zorgen dat ze worden uitgevoerd, ter onderscheid van rechters en wetgevers (Metsoedat Tsion).

11. Maak proviand klaar – Alles wat onderweg nodig is en hij zei hen hun wapens gereed te houden voor de strijd. Want zij hoef­den niet voor eten en drinken te zorgen, want zij hadden toch het manna, dat tot de 16e Niesan in hun onderhoud voor­zag (Rasji). Een andere verkla-ring: het was aanvullend voedsel, behalve het manna, dat zij van de heidenen kochten, dat bereidden (Radak).

Want over drie dagen – Want jullie zullen nog drie dagen hier blijven, maar aan het eind daarvan zullen jullie oversteken (Rasji).

17. Zolang Hasjem met u is – Hun trouw aan Jehosjoea was op voorwaarde dat hij dezelfde weg zou wandelen als Mosjé, dat wil zeggen dat G‑d met hem zou zijn, zoals Hij met Mosjé was (Radak).

JEHOSJOEA

HOOFDSTUK 1

HOOFDSTUK 2

HOOFDSTUK 3

HOOFDSTUK 4

HOOFDSTUK 5

HOOFDSTUK 6

HOOFDSTUK 7

HOOFDSTUK 8

HOOFDSTUK 9

HOOFDSTUK 10

HOOFDSTUK 11

HOOFDSTUK 12

HOOFDSTUK 13

HOOFDSTUK 14

HOOFDSTUK 15

HOOFDSTUK 16

HOOFDSTUK 17

HOOFDSTUK 18

HOOFDSTUK 19

HOOFDSTUK 20

HOOFDSTUK 21

HOOFDSTUK 22

HOOFDSTUK 23

HOOFDSTUK 24

 

Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder